11 februari 2026
Van Socrates tot vandaag: Leopold Flam en breukmomenten in het vrije denken
Filosofie komt zelden op tijd. Niet omdat zij te laat is, maar omdat denken pas begint wanneer tijd zijn vanzelfsprekendheid verliest. Denken begint waar voortgang stokt: niet wanneer alles mislukt, maar wanneer iemand vaststelt dat zijn leven niet langer kan worden voortgezet zoals het loopt. Dat moment is geen crisis, maar een stilstand. Geen weigering om te handelen, maar het verlies van vanzelfsprekendheid. Beslissingen worden daar niet genomen, maar opgeschort, omdat hun betekenis nog niet zichtbaar is.
Een bekend voorbeeld is Jean-Paul Sartre. Zijn existentialistische denken ontstond niet vóór de catastrofes van de twintigste eeuw, maar erna. In L'être et le néant (1943) en later in L'existentialisme est un humanisme (1946) verschijnt filosofie niet als leidraad, maar als last. Dat het bestaan geen vooraf gegeven zin heeft, wordt geen these, maar een ervaring: men moet voor zichzelf instaan op het moment dat wat geldt is weggevallen. Sartres filosofisch denkkader kwam niet 'op tijd' om de handelende mens te waarschuwen; het verscheen waar waarschuwingen hun betekenis al hadden verloren.
Voor Leopold Flam begon filosofie precies daar. Niet bij kennis, maar bij bezinning. Die bezinning was voor hem niet zomaar een oefening in nadenken. Denken dwong je nu eenmaal tot verantwoordelijkheid en tot keuzes maken. Het moest de enkeling losmaken uit wat zich vanzelf aandient, al was het maar even. In Verleden en toekomst van de filosofie (1962) formuleerde hij dit zonder omwegen: filosofie is slechts filosofie waar zij gericht blijft op omkeer door denkend inzicht.
Flam ontwikkelde die overtuiging in een historische context waarin denken niet langer buiten de maatschappelijke orde kon worden geplaatst. Na vervolging, uitsluiting en geweld kon de filosoof zich niet langer verschuilen achter objectiviteit. Wie beweerde geen standpunt in te nemen, nam er juist één in. Filosofie moest rekenschap afleggen tegenover het leven zoals het zich aandient.
Wat zich in de jaren dertig van de twintigste eeuw voltrok, gebeurde niet buiten de bestaande vormen van denken en handelen. Mensen bleven hun werk doen, instellingen bleven functioneren.
Voor Flam betekende dit geen terugkeer van archaïsch of atavistisch geweld. Zijn gevangenschap in de Dossinkazerne en zijn deportatie naar Buchenwald maakten duidelijk dat vervolging en vernietiging plaatsvonden terwijl het dagelijkse leven gewoon doorging. Het geweld kwam niet in de plaats van orde en routine, maar voltrok zich er gelijktijdig mee. Flam werd niet geconfronteerd met geweld dat zomaar van buitenaf opdoemde, maar met vernietiging die zich voltrok binnen wat als normaal bleef gelden.
Dit besef – dat denken en spreken hun vanzelfsprekendheid verliezen wanneer vervolging en vernietiging zich hebben voltrokken binnen het normale verloop van handelen – klinkt door in de beroemde uitspraak van Adorno: 'Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch'.
Deze zin, afkomstig uit Kulturkritik und Gesellschaft, formuleert geen verbod en ook geen moreel oordeel. Zij markeert een breukpunt: het moment waarop spreken en denken hun vanzelfsprekendheid verliezen. Wie na Auschwitz verder spreekt alsof er niets fundamenteel is verschoven, spreekt zonder aandacht voor wat zich werkelijk heeft voltrokken.
Voor Flam was dit geen abstract gegeven. Als gedeporteerde verzetsstrijder maakte het kamp onlosmakelijk deel uit van zijn levensgeschiedenis. Dat volstaat. Filosoferen zonder blijvende inzet was voor hem gewoonweg onmogelijk.
Flam maakte van dit verlies van vanzelfsprekendheid echter geen aanklacht. Het werd inzet van zijn denken. Grote woorden en verlossende beloften liet hij links liggen. De omkeer waarover hij sprak voltrok zich niet in de geschiedenis als geheel, maar in het leven van concrete mensen. Zij liet geen sporen na en droeg geen naam.
Vanuit die houding las Flam ook de geschiedenis van het vrije denken. Niet als opeenvolging van systemen, maar als afzonderlijke momenten waarop denken zich losmaakt uit gehoorzaamheid en gemak. Filosofie vormde voor hem geen canon, maar een ongelijksoortige verzameling waagstukken.
Daarom keert Flam terug naar figuren die hun denken niet losmaakten van hun leven. Zo verschijnt Socrates niet als grondlegger van een methode, maar als iemand die zijn denken tot het uiterste doorvoerde. In de overlevering wordt hij niet herinnerd om een leer, maar om zijn volharding. Hier werd denken een zaak van leven en dood.
In de zeventiende eeuw herkende Flam een verwante houding bij Baruch Spinoza. Niet als systeemdenker, maar als iemand die bleef denken zonder enige garantie. De Ethica, postuum gepubliceerd in 1677, was geen academisch project, maar het resultaat van volgehouden bezinning. De eenzaamheid die daaruit volgde, was geen toeval, maar gevolg.
Ook de Verlichting las Flam nuchter. Bij Immanuel Kant werd autonomie geen belofte, maar een opgave: denken onttrekt zich aan gezag zonder aan verantwoordelijkheid te ontkomen.
Bij Michel de Montaigne vond Flam bevestiging dat denken kan standhouden zonder systeem. In de Essais komt het denken niet tot een sluitstuk. Twijfel verschijnt er als terughoudendheid.
Wat deze denkers verbindt, is geen gedeeld standpunt. Flam leest hen niet als antwoorden, maar als voorbeelden.
Die houding – zichtbaar bij deze denkers – krijgt bij Flam een naam. Bezinning betekent voor hem: niet meteen reageren. Zij is geen opschorting, maar een pauze in het handelen. Wie niet bezint, reageert. Wie bezint, antwoordt. Flam beschrijft dit moment als een situatie waarin elk onmiddellijk antwoord tekortschiet en men gedwongen wordt stil te vallen, omdat verder spreken anders slechts herhaling zou zijn (Zelfvervreemding en Zelfzijn, Wereldbibliotheek, 1966, p. 203). Flam verwerpt antwoorden die worden herhaald zonder opnieuw te worden doordacht.
Zijn schrijven bleef situationeel en onvolledig, niet als methode, maar als gevolg van zijn wantrouwen tegenover elk denksysteem dat zich als (te) afgerond geheel aandient, en tegenover uitleggingen die telkens weer in nieuwe gedaanten terugkeren: in technologische beloften, in morele zekerheden en in denken dat zijn morele omkadering afwijst. Dat soort denkarbeid verhardt.
Waar denken zich niet in systemen vastlegt, moet het zich anders uitdrukken. Wij leven nu eenmaal van verhalen. Niet omdat zij onweerlegbaar of definitief zijn, maar omdat zij richting geven zonder vast te leggen. Filosofie is een vorm van zorgvuldig vertellen. Zonder verhalen verschraalt het menselijke handelen. Zonder handelen verliezen verhalen hun ethische gewicht en draagwijdte. Daarin ligt hun inzet.
Wat Flam doorheen de jaren formuleerde, blijft vandaag leesbaar als opdracht. Niet omdat de omstandigheden gelijk blijven, maar omdat de verleiding herkenbaar blijft: denken uit handen geven, verantwoordelijkheid verdelen, de inzet uitstellen. Zijn werk nodigt niet uit tot berusting en evenmin tot heroïek. Het vraagt constante waakzaamheid.
De filosofie van de toekomst zal niet bestaan in het bedenken van nieuwe systemen, noch in verklaringen die het onherroepelijke alsnog proberen te verzachten. Zij zal zich niet aandienen als leer, noch als zichzelf bevestigend engagement. Reeds in de jaren zestig formuleerde Leopold Flam de verwachting dat de filosofie van de toekomst haar luidruchtige rol zou verliezen (Verleden en toekomst van de filosofie, Brussel, 1962). Niet als gevolg van verstilling of terugtrekking, maar als gevolg van haar weigering om nog langer richting, zekerheid of geruststelling te bieden.
Momenten van helderheid en daden die geen bevestiging zoeken – momenten waarin denken weigert zich te laten sussen.
Juist nu, waar zekerheden hun vanzelfsprekendheid verliezen en gezag zich opnieuw aandient, dringt zich een vraag op die niet onschuldig is: waar ligt vandaag het punt waarop denken zich niet langer kan onttrekken aan wat wordt opgelegd? Niet bij openlijke dwang, maar bij een gezag zonder gezicht, dat zich vestigt in kaders en vanzelfsprekendheden. Waar spreken geen inzet meer heeft en denken zich aanpast vóór het wordt aangesproken, heeft het zijn weigering al prijsgegeven.
Misschien is dit, zoals Albert Camus suggereerde in De mens in opstand (1951), de taak van elke generatie: niet de wereld herscheppen, maar verhinderen dat zij uiteenvalt. Misschien is dat wat denkers als Flam ons in de eerste plaats hebben doorgegeven: dat denken begint waar iemand weigert het uit handen te geven.
(Dit is de tweede tekst uit Deel I: Breuk oorsprong en het begin van denken.)