17 februari 2026
Een natuurlijke geschiedenis van straf en het strafrecht (deel 1)
In een eerdere blogpost onderzochten we hoe onze morele verontwaardiging bij onrecht diep geworteld is in de menselijke evolutie. Aan de hand van spraakmakende rechtszaken in België en het Verenigd Koninkrijk lieten we zien hoe de spanning tussen intuïtie, cultuur en rede onze reactie op bestraffing kleurt. Die blog sloot af met de vaststelling dat onze neiging tot straffen geen moderne uitvinding is, maar een krachtig sociaal mechanisme, gevormd door miljoenen jaren evolutie.
In dit nieuwe essay, dat uit vier delen bestaat, borduren we hierop verder.
We verkennen hoe bestraffing en later het strafrecht is voortgekomen uit biologische, psychologische en culturele processen. We schetsen een natuurlijke geschiedenis van bestraffing en het strafrecht: van de evolutionaire fundamenten van bestraffing (deel 1), over informele vormen van bestraffing in kleinschalige gemeenschappen (deel 2), naar de culturele-institutionele verankering van het strafrecht (deel 3), tot de complexe juridische en digitale vormen van bestraffing in hoogtechnologische samenlevingen (deel 4).
_Evolutionaire fundamenten van bestraffing
Het strafrecht wordt doorgaans voorgesteld als een rationeel, juridisch instrument van de moderne staat. Toch gaan de fundamenten van bestraffing veel verder terug dan de constructies van het positieve recht. Vanuit een biosociaal perspectief blijkt bestraffing een diepgewortelde menselijke praktijk te zijn, gevormd door een lange geschiedenis van biologische evolutie en culturele ontwikkeling.
Een centrale vraag is hoe systemen van bestraffing zijn ontstaan. Zijn ze zo oud als de mens zelf, of reiken hun wortels dieper in onze evolutionaire geschiedenis? Observaties bij niet-menselijke primaten laten zien dat sommige apensoorten reageren op afwijkend gedrag binnen hun groep. Dominante mannetjeschimpansees bijvoorbeeld kunnen fysiek ingrijpen wanneer een vrouwtje paart met een rivaal. Dergelijk gedrag heeft een bestraffend effect, maar lijkt vooral ingegeven door eigenbelang en strategie.
De Britse primatoloog Richard Wrangham bespreekt experimenten waaruit blijkt dat chimpansees mogelijk gevoelig zijn voor sociale normen, bijvoorbeeld door opvallend lang te kijken naar infanticide. Toch tonen zij in het wild nauwelijks de neiging om 'normovertreders' actief te bestraffen. Hun reacties zijn vaak wisselend en sterk afhankelijk van persoonlijke status en sociale context. De morele lading ervan wordt betwist. Alleen mensen beschikken over morele systemen waarin abstracte ideeën over goed en kwaad gepaard gaan met expliciete sociale sancties. Wij beschikken over morele kaders en gedeelde overtuigingen die ons gedrag sturen. Bestraffing wordt niet alleen toegepast om directe schade te beperken, maar ook om waarden te beschermen en rechtvaardigheid binnen de gemeenschap te bevorderen. Daardoor krijgt menselijke bestraffing een abstracte dimensie die uniek is in het dierenrijk.
De oorsprong van moreel gemotiveerde bestraffing situeert zich vermoedelijk vóór het ontstaan van Homo sapiens – dus vóór 300.000 jaar geleden – en kan worden herleid tot de laatste gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee, zo'n 8 à 7 miljoen jaar geleden. Na deze evolutionaire splitsing begon het hominisatieproces: een geleidelijke transformatie via opeenvolgende hominide fasen zoals Australopithecus, Homo habilis, Homo ergaster, Homo erectus en Archaic Homo sapiens. Tijdens deze trajecten ontwikkelden zich centrale menselijke capaciteiten: bipedalisme, groeiende hersenvolumes, taal, gedeelde opvoeding en toenemende sociaal-culturele complexiteit.
Volgens emeritus professor Robert Cliquet is dit proces het resultaat van bioculturele co-evolutie: een wederzijdse beïnvloeding tussen genetische evolutie en culturele innovatie. Samenwerking en taalgebruik stimuleerden neurologische ontwikkeling, wat op zijn beurt culturele verfijning mogelijk maakte. Cliquet spreekt in dit verband van autopoiesis: een zichzelf organiserend systeem waarin genetische, cognitieve en culturele componenten elkaar generaties lang beïnvloeden. Het moreel bewustzijn dat hieruit voortkwam, leidde tot regulering via normen en sancties, een vroege vorm van bestraffing die niet losstaat van de evolutionaire vorming van onze soort.
Dat bestraffing ook samenwerking mogelijk maakt, lijkt op het eerste gezicht paradoxaal. Toch toont de evolutionaire geschiedenis aan dat sanctionering juist essentieel was voor groepscohesie. Sociale groepen boden bescherming, kennisoverdracht en toegang tot hulpbronnen, maar brachten ook spanningen mee. Vijf groepsproblemen zijn fundamenteel: identiteit (wie behoort tot de groep), verdeling van hulpbronnen, hiërarchie, voorkomen van ziektes en normhandhaving. In dit spanningsveld werd bestraffing een krachtig mechanisme om gedeelde normen te handhaven, conflicten in te perken en samenwerking te waarborgen.
Sociale emoties speelden een centrale rol. Schuld, schaamte, afkeer, woede en verontwaardiging functioneerden als regulatoren van gedrag. Ze vormen samen het cognitief-emotionele systeem dat ook wel aangeduid wordt als normpsychologie: de evolutionair ingebedde mechanismen waarmee mensen normen begrijpen, internaliseren en handhaven
Wat we vandaag herkennen als formeel strafrecht is het resultaat van culturele accumulatie. In kleine gemeenschappen werkten informele sancties via sociale afkeuring, uitsluiting en verlies van samenwerking. Partnerkeuze fungeerde als controlemechanisme: wie normen schond, werd uitgesloten van collectieve voordelen. Naarmate samenlevingen groter en complexer werden, ontstond behoefte aan gestabiliseerde en geïnstitutionaliseerde sanctionering. Zo evolueerde bestraffing van spontane praktijk tot gecentraliseerd juridisch systeem, een verschuiving die niet betekent dat de biologische en emotionele fundamenten verdwenen zijn.
Volgens Robert Cliquet kent de evolutie van sociaal gedrag bij mensen drie grote fasen, die samen de geleidelijke overgang markeren van instinctieve reacties naar bewust cultureel handelen. In de eerste, biosociale fase, die begon met de afsplitsing van de homininelijn zo'n 7 miljoen jaar geleden, ontwikkelden zich bij onze vroege voorouders geleidelijk grotere hersenen. Daardoor begon instinctief gedrag plaats te maken voor leren, samenwerking en sociale afstemming. In kleine gemeenschappen leerden mensen hun driften beter beheersen, onder andere via informele bestraffing: wie zich asociaal gedroeg, werd genegeerd, uitgesloten of verloor het vertrouwen van anderen. Deze eenvoudige, maar effectieve reacties vormden de kiemen van sociale controle.
De tweede fase bracht een omwenteling. Toen samenlevingen groter werden, veranderde de dynamiek ingrijpend. Religie kreeg een centrale rol: morele gedragingen werden gekoppeld aan goddelijke voorschriften en bestraffing werd meer geïnstitutionaliseerd. Sancties kwamen niet langer alleen uit de directe sociale omgeving, maar werden opgelegd door leiders en priesters. Dat versterkte de sociale orde, maar vergrootte ook machtsverschillen en ongelijkheden, bijvoorbeeld tussen sociale klassen en geslachten.
In de derde fase, die begon bij de Verlichting en tot vandaag voortduurt, werd moraliteit steeds vaker gebaseerd op kritisch denken en wetenschappelijke inzichten. Het idee ontstond dat normen universeel kunnen zijn, en dat het strafrecht gestoeld moet zijn op principes als rechtvaardigheid, proportionaliteit en menselijke waardigheid. De moderne systemen van bestraffing weerspiegelen deze verschuiving: ze zijn georganiseerd, gestandaardiseerd en in theorie voor iedereen gelijk toegankelijk.
De Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog Michael Tomasello bouwt voort op dit evolutionaire raamwerk, en voegt een evolutionair-psychologisch perspectief toe. Hij beschrijft hoe samenwerking in vroege gemeenschappen leidde tot gedeelde afspraken, niet als geschreven regels, maar als impliciete verwachtingen tussen groepsleden. Wie zich hier niet aan hield, merkte al snel dat de groep dat niet accepteerde. Dergelijke joint commitments vormden de basis voor informele sancties: afkeurende blikken, het negeren van een groepslid, of uitgesproken kritiek. Dergelijk gedrag zit diep verankerd in onze hersenen: we reageren instinctief op normovertredingen en onrechtvaardigheid.
Volgens Tomasello ontstaat pas in latere stadia een behoefte aan officiële bestraffing. Naarmate groepen groter worden, verliezen mensen het directe zicht op elkaar, en spontane correcties zijn niet langer voldoende. Dan groeit het belang van formele systemen, van wetten, rechters en procedures, om sociale samenhang te bewaren en groepsnormen op brede schaal te handhaven.
Samen bieden Cliquet en Tomasello een rijke en genuanceerde blik op de oorsprong en evolutie van bestraffing: als een proces waarin biologie en cultuur elkaar voortdurend beïnvloeden en versterken. Strafrecht, zo tonen zij aan, is het resultaat van een geleidelijk opgebouwde vorm van sociaal gedrag. Wat daarbij bijzonder opvalt, is hoe recent het strafrecht zich pas heeft ontwikkeld: pas in de laatste fractie van onze evolutionaire tijdslijn kreeg bestraffing een juridisch geïnstitutionaliseerde vorm, met geschreven regels, vaste procedures en geformaliseerde instanties.
Die opmerkelijke recente ontwikkeling van het strafrecht is des te opvallender, omdat we daardoor pas ten volle beseffen hoe onze normpsychologie geworteld is in miljoenen jaren van leven in kleinschalige gemeenschappen. In zulke omgevingen ontstond sociale controle spontaan en informeel, via emotionele reacties als schaamte, trots of verontwaardiging, lang voor formele instituties hun intrede deden. Het strafrecht zoals we dat nu kennen, is een voortzetting van mechanismen die al diep in onze soort verankerd zitten.
In het tweede deel gaan we dieper in op de evolutionaire wortels van bestraffing in kleine groepen.
(Wordt vervolgd.)