Leopold Flam herlezen
Geschreven door Benny Madalijns
  • 67 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

20 oktober 2026 Leopold Flam herlezen #13: Schuld zonder misdaad. Leopold Flam en Franz Kafka
Op een gewone ochtend wordt Josef K. gearresteerd, zonder dat hij iets kwaads heeft gedaan. Met die vaststelling opent Kafka 'Het Proces', en de hele roman lang zoekt K. vergeefs naar de grond van zijn schuld. Leopold Flam trekt uit Kafka's werk een conclusie die mijns inziens nog verder gaat dan wat K. zelf ooit vermoedt.
In zijn essay Franz Kafka, opgenomen in de bundel Ontbinding en Protest uit 1967, beschrijft Flam de mens bij Kafka als een balling in een onbehuisde wereld. Door misverstand en verlatenheid belandt die mens aan de rand van de samenleving, en daar blijft hij staan, ook al hebben de anderen hem zelf buitengesloten. Toch noemt Flam hem schuldig, zoals een misdadiger schuldig is. De vervreemding is voor hem zelfs ‘de grootst mogelijke schuld, die een enkeling op zich kan laden’. Wie verstoten wordt, draagt bij Flam dus een schuld zonder misdaad.
In Waar het zwijgen aanvangt kwam het nihilisme al ter sprake bij Flams lezing van Beckett, en in De kwetsbaarheid van het denken de vervreemding waaruit Flam de mens wil bevrijden. Via Kafka kan ik beide begrippen nu samenbrengen.
Flam verbindt de onbehuisdheid met de onverschilligheid van de wereld en met de vervreemding van al het zijn. Ik stel voor om die twee kanten scherper uit elkaar te houden dan Flam zelf doet: de onbehuisdheid als kenmerk van de wereld, de vervreemding als last van de enkeling. Alleen zo wordt naar mijn aanvoelen begrijpelijk hoe iemand die door anderen wordt buitengesloten, toch zelf de schuld draagt.
Voor die onbehuisdheid gebruik ik de term nuchter nihilisme, een woord dat Flam in zijn Kafka-essay zelf niet bezigt. Hij werkt het nihilisme wel uit in zijn essay Het nihilisme, opgenomen in Zelfvervreemding en Zelfzijn uit 1966. Flam laat het nihilisme daar beginnen bij de dood van de godheid zelf, die hij omschrijft als ‘de harmonie, de eenheid, de zingeving aan de wereld, het fundament van het Al’. Wie dat fundament verliest, staat volgens Flam voor een wereld die onbegrijpelijk en ongerijmd is geworden. Flam beschrijft die toestand als blijvend, zonder haar te dramatiseren tot ondergang en zonder haar te verzachten tot een crisis die ooit voorbijgaat. Daarin ligt naar mijn aanvoelen de nuchterheid van zijn nihilisme.
In zijn Kafka-essay haalt Flam ook een aforisme uit Kafka’s Betrachtungen aan, waarin de mens aan twee kettingen vastligt, een aardse en een hemelse. De mens kan zich daardoor vrij bewegen, maar alleen zo ver als elke ketting reikt. Ook met dat beeld beschrijft Flam een blijvende conditie van het menselijk bestaan, los van de gemoedstoestand van wie erin gevangen zit.
Bij Josef K. wordt het verschil tussen wereld en enkeling rechtstreeks zichtbaar. De rechters en beambten die zijn zaak behandelen, tonen geen vijandigheid en volgen gewoon de gebruikelijke procedure. Flam citeert de passage waarin K., terwijl de bewakers al in zijn kamer staan, nog meent dat ‘alle wetten stonden recht, wie waagde hem in zijn woning te overvallen’. Die procedurele onverschilligheid bedoelt Flam met de onbehuisdheid van de wereld. De groeiende verwarring van K. en zijn aanvaarding van een schuld waarvan hij de grond niet kent, horen daarentegen bij de vervreemding van de enkeling.
Bij Gregor Samsa in De gedaanteverwisseling krijgt hetzelfde patroon een huiselijke vorm. Zijn ouders en zijn zuster wennen geleidelijk aan zijn nieuwe gedaante en bekommeren zich vooral om het wegvallen van zijn inkomen als kostwinner, terwijl Gregor zelf de schaamte en de toenemende afzondering in zijn kamer draagt. Na zijn dood wordt hij door de werkster zonder veel omhaal opgeruimd, en niemand in zijn omgeving staat nog stil bij zijn verdwijnen.
In Het Slot krijgt landmeter K. van niemand op het kasteel ooit een duidelijke bevestiging of herroeping van zijn aanstelling. Flam citeert een scène waarin K. en Frieda, het buffetmeisje van de Herrenhof en de minnares van de kasteelambtenaar Klamm, elkaar omhelzen te midden van het vuil van de herberg. Met dat beeld toont Flam hoe de vervreemde mens zelfs in zijn meest intieme daad tot iets minder dan menselijk wordt herleid.
Flam schrijft dat Kafka ‘geen sociale hervormer’ is en evenmin een profeet ‘die een weg wijst’. Kafka beschrijft de onverschilligheid van de wereld zonder haar te veroordelen, en de vervreemding van de enkeling zonder haar op te heffen. Volgens Flam komt Kafka’s eigen crisis voort uit ‘de losscheuring van de gemeenschap’: van zijn vader, van de joden en van de Tsjechen. Volgens Flam besefte Kafka bovendien dat de nieuwe gemeenschap waarnaar hij verlangde, voor hem onbereikbaar bleef. Wat Flam in Kafka’s werk als onbehuisdheid leest, had Kafka mijns inziens buiten zijn boeken dus al zelf ondergaan.
Waarom zou de verstotene schuldig zijn, terwijl de anderen hem hebben buitengesloten? Ik lees Flams schuldbegrip als een vorm van verantwoordelijkheid. Wie vervreemd raakt, kan zijn bestaan door niemand laten rechtvaardigen, ook niet door de anderen die hem afwijzen, en moet er toch voor instaan. In De last van het inzicht zag ik al hoe wie meer inzicht verwerft bij Flam ook een zwaardere verantwoordelijkheid draagt. Bij Kafka gaat Flam naar mijn aanvoelen nog een stap verder, omdat de enkeling daar een schuld zonder misdaad draagt en juist door die schuld te dragen een verantwoordelijk mens wordt. Het is verantwoordelijkheid zonder verlossing in haar meest onverbiddelijke vorm.
Flam spreekt Max Brod tegen, die Kafka’s besluit optimistisch wil doen uitschijnen; volgens Flam is het ‘huiveringwekkend droef en helemaal niet optimistisch’. Camus bespeurt in Kafka’s werk daarentegen nog een hoop die het absurde zou moeten uitsluiten, en rekent hem dat aan in een appendix bij Le Mythe de Sisyphe, in 1942 verschenen bij Gallimard. Flam besluit zijn eigen essay met het beeld van een lichte schemering, die aan het einde van de nacht in het diepste zelf van de lezer blijft gloren.
Die schemering lees ik als een nuchtere vaststelling, die noch optimistisch noch wanhopig hoeft te zijn. Flam hoeft de onbehuisdheid van de wereld en de schuld van de enkeling niet tot één oordeel te herleiden, en daardoor staat hij mijns inziens tussen Brod en Camus in, zonder de kant van een van beiden te kiezen.
Flam heeft die onbehuisdheid niet enkel bij Kafka herkend, hij heeft ze ook zelf ondergaan. In mei 1943 werd hij als jood opgepakt en in de Dossinkazerne in Mechelen opgesloten. In mei 1944 werd hij als politiek gevangene naar Buchenwald gedeporteerd en vandaar naar het buitenkamp Hadmersleben overgebracht. Na die ervaring kon hij nooit meer terugkeren naar een vanzelfsprekende gemeenschap. Wat hij in Kafka’s werk als onbehuisdheid beschrijft, is dan ook meer dan een filosofische diagnose van een auteur die hij bewondert. Flam spreekt vanuit een gelijkaardige ervaring van uitsluiting.
Flam wijst nauwkeurig aan waar de last ligt: bij de enkeling, die schuldig blijft zonder iets te hebben misdaan, te midden van anderen die hem nooit zullen aanvaarden.
Leopold Flam herlezen
Madalijns is doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (VUB) en auteur van een beperkt en bewust selectief gepubliceerd oeuvre op het snijvlak van filosofie, literatuur en kunst. Daarnaast ontwikkelt hij een beeldende praktijk als schilder en collagist, in voortdurende wisselwerking met zijn schrijfwerk. Hij publiceert essays en reflecties op zijn blog Wemelende Kantlijnen. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws