Het Vrije Woord
Geschreven door Martin Harlaar
  • 451 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

26 augustus 2021 Twee Turks-Nederlandse schrijvers over hun verlangen naar vrijheid
Nederland 2021. Een jonge vrouw en een man van middelbare leeftijd. Beiden hebben Turkse roots. Beiden schreven een autobiografisch boek over hoe het is om in Nederland te leven, over hun familie, de Turkse gemeenschap, de islam en seks. Het is haar debuutroman. Het is zijn derde roman.
Maar als u haar naam in combinatie met de titel van haar boek googelt, dan krijgt u 71.700 resultaten. En als u zijn naam in combinatie met de titel van zijn boek googelt, dan krijgt u slechts 2.870 resultaten. Hoe dit enorme verschil te verklaren valt? Niet met het verschil in literaire kwaliteit, want op zijn derde roman valt absoluut veel minder aan te merken dan op haar debuut.

Zij, Lale Gül, is een publiekssensatie. Een jonge vrouw met een Turks-islamitische achtergrond neemt geen blad voor de mond en dat wordt niet door iedereen op prijs gesteld. Het leidde tot intimidaties en doodsbedreigingen aan haar adres. Haar boek, Ik ga leven, is op het moment dat ik dit schrijf al toe aan de zestiende druk!
Rond hem, Erdal Balci, en zijn boek, De gevangenisjaren, is het rustig gebleven. Zijn boek is - net als haar boek – uiterst kritisch over het Turkse milieu, maar daarnaast houdt het de progressieve, multiculturele autochtonen een spiegel voor en dat is blijkbaar veel minder aantrekkelijk dan meegluren bij de Turkse buren.
Lale Gül in Het Parool
Lale Gül

‘De uitgeverij is voortdurend scherp op zoek naar nieuwe schrijvers die een plek op de markt verdienen. Sinds Prometheus in 1991 het debuut De wetten van Connie Palmen binnensleepte, heeft de uitgeverij een opvallende hoeveelheid debutanten onder haar hoede gehad.’ Dat kunnen we lezen op de website van de uitgeverij die Ik ga leven, het debuut van Lale Gül (Amsterdam 1997) uitgaf. 
Dat het publiceren van Ik ga leven voor de nodige ophef zorgde, zal voor de uitgeverij niet als een verrassing zijn gekomen. Kritiek op de islam en kritiek op de Turkse gemeenschap zijn een garantie voor ophef. Uitgeverij Prometheus zette op de achterzijde van het boek de twee volgende citaten die duidelijk maken wat de lezer mag verwachten. En de criticasters hoeven het boek niet meer te lezen. Zij kunnen meteen gaan twitteren.
‘Muziek mag niet, daten is verboden, het hebben van vrienden van het andere geslacht is onwettig, je leuk kleden en opmaken is ongepast, ’s avonds buiten zijn is niet geoorloofd, “vieze, immorele” films en series kijken is onaanvaardbaar (en dan bedoel ik geen porno, gewoon een film waarin wordt gezoend), het vieren van verjaardagen of andere heidense feestdagen mag niet, werken met mannen kan niet en ook uitgaan en feesten op festivals is verboden.’
‘Moet ik leven als een kamerplant? Moet ik in een huwelijk treden waar alle seks uit is geramd nog voordat het begonnen is, omdat mijn verwekkers een volstrekt humorloze, bloedeloze en Koranvaste lul voor mij hebben uitgekozen? En dan veranderen in een broedkip zoals alle vrouwen om me heen? En de rest van mijn bestaan op die manier slijten? Is dat waarvoor ik leef? Is God dan blij met mijn tragedie?’
Ik ga leven is een gepassioneerd verslag van het constante gevecht dat Lale Gül heeft moeten leveren om haar eigen keuzes te mogen maken, om haar leven vorm te mogen geven, om haar vrijheid te veroveren. Dat gevecht vindt in de eerste plaats binnen het gezin en de rest van de familie. Steun en begrip vindt ze zo nu en dan alleen bij haar oma en haar zusje Defne. Ze draagt het boek dan ook aan beiden op.
In het laatste hoofdstuk, ze heeft haar hoofddoek dan definitief vaarwel gezegd, schrijft ze: ‘Vandaar dat ik heb besloten mijn familie af te branden in dit werk. Maar wraak mag men niet verwarren met verzet. (…) Het is oorlog, omdat ik, die het licht gezien had, niet meer naar het donker te dwingen ben. (…) Moeder had ook later op de dag andere familieleden hierover gebeld. Een tante zei dat haar imam zei dat ik misschien wel bezeten was, dat ik het misschien allemaal niet zelf deed maar gestuurd werd door een kwade geest.’
Lale Gül sluit haar boek af met een droom waarin zij met God van gedachten wisselt.
 

‘‘Van mij mag je leven zoals je wenst, als je maar blijft geloven,’ zei Hij.

‘Je volgelingen op aarde zeggen van niet.’

‘Maar ik ben de baas. Laat hen maar kletsen.’ (…)

‘Je eigen morele regels stellen, daarnaar leven en als een gerespecteerd burger sterven, dat is deugdelijk, dat is levenskunst,’ zei Hij.

‘Maar de voorschriften dan?’ vroeg ik verbaasd.

‘De kracht van ware moraal zit in de ruimte die zij biedt aan eigen verantwoordelijkheid, mijn kind,’ antwoordde Hij.

‘Ik ga leven,’ zei ik.

Ontgoocheling doet wonderen. De gapende afgrond tussen mij en mijn dierbaren is mij vanaf nu zeer dierbaar. Ik had de zegen van God gekregen. Niets kon mij meer wat maken.’
In de publiciteit van het afgelopen halfjaar is al meer dan genoeg gezegd en geschreven over hoe de schrijfster zich in haar boek uitlaat over haar ouders en verdere familie en over de bedreigingen naar aanleiding van haar boek. Ik wil mij in deze bespreking concentreren op de vraag die mij vanaf de eerste pagina’s bezighield, namelijk of ik het een goed boek vind.
Lale Gül wil graag schrijver worden en ze kan schrijven, maar haar debuut kwam op mij nogal ‘ongeredigeerd’ over. Daarover straks meer. Gül studeert momenteel Nederlands aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en is van jongs af aan bezig met taal, zo kunnen we in het boek lezen.
‘Ik kon geen Nederlandse tv kijken. Ik werd niet blootgesteld aan verfijnde taal of intrigerende en uitdagende gesprekken opdat ik me later kon handhaven in een ontwikkeld gezelschap.’ (p.33)

‘(…) taalvaardigheid. Ik had zelf excellente resultaten door het consumeren van significant meer boeken.’
(p.51)

‘Ik stond bekend als degene die almaar iedereen taalkundig corrigeerde om ze te fucken.’
(p.108)

‘Ik fiets langs de bibliotheek in  Bos en Lommer. Wat hield ik van de bieb als kind, het was mijn tweede thuishaven.’
(p.281)

‘De boeken van Carry Slee waren het meeslependst, zo kon ik in werelden duiken die ik nog niet verkend had en las ik over zoenen, vriendjes, dronken worden, uitgaan, roken en drugs gebruiken. (…) Ik was zo gekluisterd aan die verhalen dat ik het hele weekend nadat ik thuiskwam van de Koranschool of de hele kerstvakantie niet uit mijn kamer was te slaan om aan één stuk door te lezen.’
(p.282)

‘Woorden die ik niet kende schreef ik op in een schriftje, om ze later aan de meester op school te vragen en de betekenissen te noteren.’
(p.283)

‘Vooral taal was een gemeenschappelijk gehekeld vak, terwijl ik er geen moeite mee had. Waarschijnlijk omdat ik meer leeskilometers maakte, want ik sprak geen Nederlands thuis en keek nauwelijks Nederlandse tv.’
(p.284-285)
Dat Lale Gül kan schrijven blijkt vooral uit hoofdstuk 14 waar ze het heeft over haar erotische avonturen. Dat hoofdstuk leest als een trein. In de rest van het boek bekroop mij het gevoel dat zij heel erg haar best deed om te bewijzen dat zij een literair boek kan schrijven. Het kwam op mij vaak geforceerd over. Een strenge, doch rechtvaardige redacteur had Gül kunnen helpen met een veel beter debuut. En dat had niets aan haar gepassioneerde boodschap hoeven af te doen, in tegendeel.
De redactie heeft redelijk wat fouten over het hoofd gezien en héél veel lelijke zinnen onveranderd gelaten. Twee voorbeelden. Het eerste gaat over de snoepjes die haar kleine zusje op een verjaardagsfeestje bij elkaar had gegraaid.
‘Nadat de piñata was vernaggeld, had ze het vierdubbele aantal snoepjes gekoloniseerd tussen de bende kinderen.’ (p.85) Het werkwoord is niet ‘vernaggelen,’ maar ‘vernachelen’ en betekent bedriegen, beetnemen, dus lijkt mij hier niet op z’n plaats. Bij snoepjes koloniseren kan ik mij weinig voorstellen. Desnoods was het woord ‘geconfisqueerd’ gebruikt in plaats van ‘gekoloniseerd’. Maar waarom niet gewoon ‘Nadat de piñata kapot was geslagen had ze vier keer zoveel snoepjes bij elkaar gegraaid als de andere kinderen’?
Een ander voorbeeld waar de redactie wat mij betreft had mogen ingrijpen. ‘Bij de eerste ontmoeting vroeg Koos de standaardvragen die men vraagt aan een nieuwe potentiële schoondochter.’ (p.135) Vroeg, vragen, vraagt; een beetje te veel in één zin, naar mijn smaak. En men vraagt geen vragen, maar men stelt vragen. Een voor de hand liggend alternatief zou zijn geweest: ‘Bij de eerste ontmoeting stelde Koos de standaardvragen die men nu eenmaal stelt aan een nieuwe potentiële schoondochter.’
Ik stuurde een mail naar uitgeverij Prometheus waarin ik het volgende informeerde: Waren er problemen bij het redigeren van ‘Ik ga leven’? Was er haast? Ik hoop dat u mij daar iets meer over kunt vertellen, zodat ik er in mijn bespreking rekening mee kan houden.
Uit de mail die ik als antwoord kreeg bleek dat veel van waar ik mij tijdens het lezen aan had gestoord niet het gevolg van slecht redactiewerk, maar te maken had met het bewaren van Lales eigenheid en het waarderen van haar eigenwijsheid. Daar mag de schrijfster dus op aangesproken worden. In mijn mail aan de uitgever had ik mij beperkt tot fouten, maar er waren nog twee categorieën die mij hinderden bij het lezen, namelijk die van de ‘moeizame zinnen’ en de ‘archaïsche spreekwoorden en gezegden.’ Enkele voorbeelden uit de eerste categorie:
‘Maar ik werd gesteund door familieleden en buren die ik had geëngageerd omtrent deze affaire.’ (p.45), ‘Werken heeft ze nooit gedaan, hoewel Vader haar heeft aangemoedigd de taal te leren en een aanstelling te aspireren.’ (p.60), ‘Onze perceptie aangaande de mate van subjectiviteit in een proces van waarheidsvinding is logischerwijs per definitie sterk variabel.’ (p.84) en ‘Na veel redetwisten heb ik geëist dat ik het niet langer trek dat ik wordt opgehaald op mijn twintigste.’ (p.80)
Een aantal voorbeelden uit tweede categorie: ‘Een grote lantaarn, een klein licht’ (p.25), ‘Geld, geweld en gunst breken recht, zegel en kunst’ (p.60), ‘Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn’ (p.67), ‘De breeveertien op gaan’ (p.79), ‘Een redenering van Jan Kalebas’ (p.92), ‘Zonder mijn en dijn zou de wereld een hemel zijn’ (p.114), ‘Zo lustig als een vogeltje dat koe heet’ (p.117), ‘Maak van de bok geen tuinman’ (p.122), ‘Morgen als Kaatje verjaart’ (p.125) ‘Het water loopt altijd naar de zee’ (p.126) ‘Een mooi span voor de bokkenwagen’ (p.136), ‘Over de puthaak getrouwd zijn’ (p.160), ‘Een harde knoest heeft een scherpe bijl nodig’ (p.211), ‘De boon van de koek gekregen hebben’ (p.235), ‘Een kruimeltje is ook brood’ (p.236), ‘Als een muis in een meelton’ (p.277), ‘Men moet zijn bed maken zoals men slapen wil’ (p.296), ‘Voor de eigen deur vegen’ (p.297), ’Als de paus een geus wordt’ (p.319), ‘Al moesten de kraaien het uitbrengen’ (p.320), ‘Aan de veren kent men de vogel’ (p.321), ‘Met twee voeten in een sok’ (p.332).
Waarom maak ik mij zo druk over al die fouten, moeizame zinnen en archaïsche spreekwoorden en gezegden? Omdat de boodschap van Lale Gül belangrijk is en het verdient om zo goed mogelijk gepresenteerd te worden. Daar is de uitgever medeverantwoordelijk voor, zeker als het gaat om een debutant, hoe eigenwijs die ook is.
Op 25 februari 2021 verscheen er een interview met Lale Gül in dagblad Het Parool. Daarin vertelt zij het volgende over haar stijl:

‘Ik heb een eigen stijl en dat hoor ik ook van iedereen, van een Kees ’t Hart tot Franca Treur: dit bestond helemaal niet in de Nederlandse letteren. Het is een soort structuurloos, chaotisch relaas, met soms archaïsch taalgebruik, soms straat, soms heel plat. Ik schrijf essayistisch over het geloof en ook bijna-porno, en inderdaad met veel humor, want ik wilde niet één grote klaagzang: oh, wat ben ik zielig. Dat is gewoon niet hoe ik in het leven sta.’
Over de gevolgen die de publicatie van Ik ga leven voor haar directe familie had zegt ze:

‘Mijn moeder is er heel ziek van geworden. Zij wordt de hele tijd platgebeld, zelfs door familie uit Turkije. In principe heb ik geen familie meer, want iedereen heeft zich tegen mij gekeerd. Alleen mijn broer steunt mij. Die is het inhoudelijk ook niet met het boek eens, maar omdat iedereen tegen me is, neemt hij het voor me op. Mijn zusje moet elke dag huilen door het zien van mijn moeder. Bij de weekendschool praat ook iedereen over haar zus: dat is een geloofshater, een hoer et cetera.’

‘Mijn vader was eerst ook heel boos, maar nu maakt hij zich vooral zorgen om mijn veiligheid. Hij heeft geen sociale reputatie meer in de buurt. Hij kan geen buren meer groeten of het gaat erover, hij kan ook niet meer naar de moskee. Ik heb ook een beetje hun levens verpest.’

Ik ga leven eindigt met de zin ‘Wordt (waarschijnlijk) vervolgd.’ Lale Gül:

‘Ik heb al de helft van een tweede boek, een vervolg. Ik weet alleen serieus niet meer of ik dat moet doen. Aan de ene kant overleef ik dat ook wel, maar aan de andere kant moet ik hiermee al tevreden zijn. In principe ben ik ­geslaagd in mijn missie. Ik heb mijn verhaal geschreven, ik heb het aan de man gebracht, ik sta in de bestsellerslijst, iedereen kent het nu, dus ik kan hier ook vrede mee hebben. Alleen, Mai Spijkers [oprichter en eigenaar van Uitgeverij Prometheus, MH] zit me elke dag te porren: boek twee, beurs aanvragen, doe het nou maar. Het is een beetje een dilemma.’ 
Onze samenleving mag meisjes en jonge vrouwen zoals Lale niet aan hun lot overlaten. Te lang heeft politiek rechts in de Lage Landen zich niet geïnteresseerd voor alle problematiek die zich achter ‘de voordeur’ van gastarbeiders, buitenlandse werknemers, allochtonen, mensen met een migratieachtergrond afspeelde en te lang heeft politiek links de problematiek vergoelijkt onder het mom van behoud van eigen taal en cultuur. Lale Gül schetst een schrijnend beeld van hoe het er aan toe ging achter de voordeur van het gezin waarin zij opgroeide. Haar boek drukt ons met de neus op de feiten. Maar dat geldt zeker ook voor het boek van Erdal Balci.
Lale Gül, Foto Martin Harlaar, Nijkerk 6 augustus 2021
Erdal Balci Tweets
Erdal Balci

De gevangenisjaren van Erdal Balci verscheen bij uitgeverij De Geus, een heel andere uitgeverij dan Prometheus. Ik citeer de website:

‘De Geus staat voor literatuur die ertoe doet en die zich kenmerkt door diepgang en maatschappelijke betrokkenheid. Al vanaf het eerste begin stond diversiteit bij De Geus hoog in het vaandel: De Geus streeft ernaar een gelijk aantal vrouwelijke als mannelijke auteurs uit te geven, en geeft mensen een stem die elders niet gehoord worden. Literaire kwaliteit is daarbij leidend.’

Erdal Balci werd in 1969 geboren in Ardahan, Turkije en kwam op zijn elfde naar Nederland. In de jaren negentig werd hij freelance journalist. In 1998 keerde hij terug naar zijn geboorteland om daar te gaan werken als correspondent voor Nederlandse en Vlaamse kranten en tijdschriften. Hij bleef daar zestien jaar. Op 14 maart 2021 verscheen een interview met Balci in het dagblad Trouw:

‘Ik wist van kinds af aan dat ik schrijver wilde worden. Ik begon filosofen te lezen. Aan het eind van mijn boek citeer ik Spinoza, die zegt hoe je kunt leren vrij te zijn, en dat je een beetje kunt sturen wie je tegenkomt; mensen met andere ideeën dan waar je door omringd wordt. Het was mijn nachtmerrie dat ik die mensen niet tegen zou komen. Eigenlijk gebeurde dat pas in Turkije, waar ik correspondent werd op mijn 29ste. In de jaren daarvoor heb ik mijn pen misbruikt, verraad aan mezelf gepleegd, ik tikte de woorden die men van mij wilde lezen.

Ik heb vier jaar lang [voordat hij correspondent werd, MH] de kranten en bladen waar ik voor schreef naar de mond gepraat. Ik zag misstanden, verdriet bij mensen, maar daar was niet veel ruimte voor. Redacties wilden van mij positieve verhalen over de multiculturele samenleving. Ik moest schrijven over hoe goed het ging. De moslimgemeenschap als exotisch souvenir. En ik wilde geld verdienen.

We moeten het werk van onze Europese voorouders voortzetten en terug naar Sartre, Spinoza en Kant, naar de Verlichting, naar een betere wereld. Iedereen heeft het recht zich te ontplooien.’

In 2016 had hij ook een interview gegeven aan Trouw. Hij zei toen het volgende over zijn jaren als correspondent in Turkije:

‘Zestien jaar heb ik nodig gehad om te beseffen dat ik meer Nederlander ben dan Turk. Dat het heel belangrijk is om in een land te wonen waar sprake is van het vrije woord. Zo'n tien jaar geleden leek het er even op dat Turkije als enige islamitische land aansluiting zou kunnen vinden bij de vrije wereld. Dat zou echt fantastisch zijn geweest.

Maar de liefde voor de sterke man was groter, en die sleept nu het hele land het ravijn in. Meer dan duizend academici moeten nu vrezen voor hun baan omdat ze een petitie ondertekenden. Als ingezetene van zo'n land word je intellectueel gecastreerd. In Nederland is een vrij klimaat, dat heb ik nodig als mens.’

In de De gevangenisjaren vertelt Erdal Balci over zijn vroegste kinderjaren in Turkije en zijn leven in Nederland tot 1998, als hij correspondent in Turkije wordt. Hij vertelt over liefde en vriendschap, verlies en verlangen. Hij vertelt over de rol van het geloof die groter werd na aankomst in Nederland als jongetje van elf.

‘Een halfjaar na onze verhuizing naar Utrecht ging ik naar de Koranschool, voor het eerst van mijn leven, opdat vader zich niet meer zou schamen voor mij en volmondig tegen het bezoek kon zeggen dat ook zijn zoon bij zijn graf teksten uit de Koran zou gaan lezen. Ik leerde het Arabische schrift, zat opeens tussen mensen die archaïsche, kinderlijke verhalen bloedserieus namen en predikten dat wie aan die verhalen twijfelde zou branden in de hel, en kwam er vele jaren later achter dat de Nederlandse overheid subsidie en schouderklopjes had gegeven aan de lui die de nieuwe kinderen van het land massaal naar die Koranlessen dreven.’ 

De titel De gevangenisjaren heeft betrekking op de jaren 1980-1998. Hij zat gevangen tussen de naar binnen gekeerde Turkse gemeenschap en de Nederlanders die geloofden in de multiculturele samenleving en die Erdal Balci slechts zagen als exotische allochtoon. Enkele citaten uit De gevangenisjaren:

‘Hoe meer er in de kranten en in de boeken op gehamerd werd dat alle culturen gelijkwaardig waren, hoe minder kracht ik in mijn schouders voelde om de waarheid te dragen. Ik deed mijn best om te begrijpen hoe ‘grote’ intellectuelen niet tot de simpele conclusie konden komen dat het multiculturalisme op een continent als Europa alleen verdedigbaar is als alle culturen die in het spel zijn tenminste zo ontwikkeld zijn dat ze het individu, de vrouw en het kind niet onderdrukken. Ik had nog wat tijd nodig om er achter te komen dat die intellectuelen de luxe hadden om hun visie op de mens en de maatschappij op grond van angsten en opportunisme te vormen. Zij waren de geprivilegieerden die konden pleiten voor een bondgenootschap met religie, traditie en ritueel omdat zij per slot van rekening met hun familie en vrienden op veilige afstand stonden van de ellende. Ik zou er nog achter komen dat zij ons als offers in de armen van de religieuzen duwden om de lieve vrede te bewaren voor zichzelf. Maar zover was het nog niet en ik verslond de boeken en de artikelen die tolerantie predikten, maar in feite de hel verheerlijkten.’
Balci kwam er achter dat het voordelen had om zich aan te passen aan de verwachtingen van anderen.

‘Voor iemand met mijn ambities en begeertes was het zaak de nuances van de multiculturele samenleving te verinnerlijken. Op een gegeven moment besefte ik dat niemand een boodschap had aan de mijmeringen die mij uit de slaap hielden, dat de vrouwen op wie ik mijn lusten wilde botvieren de laatsten waren die op kritiek op de ‘utopie in de maak’ zaten te wachten, dat ik, als ik een kans wilde maken op meer erotische nachten, slim moest zijn en naar hun pijpen moest dansen. En zo ging ik, na er jarenlang op te hebben neergekeken, uiteindelijk op volksdansen. Want, bij gebrek aan Turkse meisjes, die van hun ouders uiteraard niet met jongens mochten dansen, werden er door de culturele instellingen allochtoonvriendelijke Nederlandse meisjes opgetrommeld. (…) Nergens anders werden Turkse jongens door Nederlandse meisjes zo bejubeld als bij die volksdansgroepen. (…) Het Hollandse publiek waar we voor optraden, liep over van enthousiasme als ze ons zagen dansen in die exotische klederdracht. Van intens geluk klapten ze voor ons.’
Balci zette na zijn middelbare school de eerste stap op weg naar het schrijverschap en werd journalist, maar…

‘Ik pleegde verraad aan de pen. Wat ik produceerde was niet het product van een autonoom brein. Ik was als een kleermaker die kleding uit de catalogus maakt. (…) Ik tikte woorden die men van mij wilde lezen. (…) Ik kon niet vermoeden dat de schrijver het bezit zou kunnen worden van de woorden die hij op papier zet. Ik was jong, onervaren, eenzaam en zat gevangen in het strenge bewind van de dingen die ik week in, week uit schreef.’

‘De cultuur die ik ooit had willen verlaten sijpelde artikel na artikel terug mijn lichaam in. Ik werd een professionele allochtoon en dacht slim te zijn door een slaatje te slaan uit het systeem waar ik met de dag meer deel van ging uitmaken.’
‘In mijn stukken voor de redelijk betalende opdrachtgevers had ik weten te verzwijgen dat Ömer [een jeugdvriend, MH] naar Turkije was gebracht, dat Marokkaanse meisjes in Nederlandse ziekenhuizen hun maagdenvliezen lieten repareren om alsnog als ‘maagd’ het huwelijk in te gaan, dat in de moskeeën waar ik kwam de haat tegen de vrijheid in dit land gevoed werd, dat mijn zus niet de enige was die op dertien-, veertienjarige leeftijd werd uitgehuwelijkt, dat in het hart van Nederland een gemeenschap groeide die in haar strijd tegen muziek, kunst, vrouwelijk schoon, democratie en vrijheid medestanders zocht en ook vond. Dat onze moeder niet van ons hadden gehouden, dat het mes door de tere piemelhuid van kleine jongens was gehaald en dat die jongens voor de rest van hun leven mentaal verminkt waren, dat de eerste genitaal verminkte meisjes het land binnenkwamen, dat de hoofddoek bij steeds meer meisjes het symbool van het levenslange contract van onderwerping aan de wil van de man werd, dat ik eigenlijk niets anders zag dan dat alle talent als sneeuw voor de zon verdween, dat Meyrem [de zus van zijn jeugdvriend Kamil, MH] kinderen baarde van een man die zij verachtte, dat geluk voor Kamil door God verboden was, dat Teoman [een jeugdvriend, MH] kinderen maakte met een halve zus [zijn nichtje, MH] dat mijn vader er geen been in zag om vlak na de dood van Özgül [de achttienjarige zus van Erdal die onder een trein kwam, MH] te bevestigen dat hij blij was dat hij niet een zoon maar een dochter had verloren. Ik was uitgegroeid tot een gehaaide leugenaar, een gevaarlijke verduisteraar.’ 
Voor Erdal Balci blijft Baruch Spinoza (Amsterdam 1632-Den Haag 1677) een lichtend voorbeeld, ‘het mooiste migrantenkind aller tijden.’

‘Het land dat mij tot een speelbal had gemaakt, was voor Spinoza een plek om zich over de mens te buigen. Hij deed dat en zond ons eeuwen geleden de boodschap dat het leven niets anders is dan een niet-aflatend gevecht om te slagen in het voortbestaan. Daarbij vergezeld door ideeën die als hagelkorreltjes ons wel of niet treffen. Het is niet aan de mens om te bepalen welke ideeën zijn weg kruisen, maar het ligt wel in zijn macht om gelukkig te zijn door de juiste ideeën te omarmen die hij op zijn pad vindt.’
Na het lezen van De gevangenisjaren vroeg ik mij af of de vele positieve reacties op Ik ga leven wellicht te maken hadden met de migratieachtergrond van Lale Gül. Ik moest denken aan wat Erdal Balci schreef: ‘Het Hollandse publiek waar we voor optraden, liep over van enthousiasme als ze ons zagen dansen in die exotische klederdracht. Van intens geluk klapten ze voor ons.’ Klapte het Hollandse publiek nu soms enthousiast voor een schrijfster juist omdát zij weigerde in exotische klederdracht te dansen?
Lale Gül, Ik ga Leven, Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044646870
Erdal Balci, De gevangenisjaren, Uitgeverij De Geus, ISBN 9789044542042
Het Vrije Woord
In 2021 verscheen zijn boek 'De getemde mens. Waar komt (volgens u) onze moraal vandaan?', waar meer dan 140 bekende en onbekende Vlamingen en Nederlanders aan meewerkten. Samen met het Humanistisch Verbond organiseert hij activiteiten n.a.v. dit boek. Het is de bedoeling dat er begin 2022 een bijeenkomst georganiseerd wordt over het gevaar van woke-uitwassen voor het Vrije Woord en Vrij Onderzoek.
_Martin Harlaar Martin Harlaar (Amsterdam 1956) is historicus
Meer van Martin Harlaar

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws