22 oktober 2026
Regenboogbolster met zwarte pit (deel 2)
In deel 1 van dit essay zagen we hoe de zichtbare acceptatie van seksuele diversiteit sterk is toegenomen, terwijl de onderliggende overtuigingen bij een deel van de bevolking mogelijk minder veranderd zijn. Wetgeving, symbolen, rolmodellen en maatschappelijke rituelen kunnen dan een beeld van brede aanvaarding creëren, zonder dat deze altijd diepgeworteld is.
In dit tweede deel ga ik op zoek naar mogelijke verklaringen en wat kan bijdragen aan meer échte acceptatie.
_Tolerantie is fragiel
Waarom mensen nu wel (durven) toegeven dat ze negatief staan tegenover homoseksualiteit, vlot haatberichten verspreiden op sociale media of zelfs holebi’s op straat naroepen of aanvallen, blijft voor een stuk speculeren, maar ook hier kunnen een aantal inzichten uit de sociologie en psychologie een mogelijke verklaring bieden.
De mate van intolerantie wordt beïnvloed door een samenspel van economische, politieke, sociale, technologische en psychologische factoren. Wanneer een samenleving een crisis doormaakt, daalt de tolerantie ten opzichte van minderheidsgroepen.
_Economische factoren
Economische onzekerheid is de aanjager van onverdraagzaamheid. De realistische conflicttheorie stelt dat wanneer een samenleving schaarste kent, er een concurrentiestrijd tussen groepen losbarst. Vandaag de dag stapelen de economische stressfactoren zich op. De inflatie maakt het dagelijks leven duurder, het is moeilijk om een huurwoning te vinden of een eigen woning te kopen. De arbeidsmarkt koelt af voor starters en laaggeschoolden, en de opkomst van kunstmatige intelligentie zorgt voor jobonzekerheid.
Wanneer mensen enerzijds geconfronteerd worden met bezuinigingen, stijgende energiekosten, duurdere leningen of verhoogd inschrijvingsgeld, en anderzijds zien dat er middelen worden vrijgemaakt voor inclusiviteitsbeleid of de beveiliging van een Pride-parade, heeft men het gevoel dat schaarse middelen onterecht naar de outgroup vloeien. Dan treedt het zondebokmechanisme in werking en wordt deze groep het doelwit van alle opgekropte frustratie, simpelweg omdat zij op dat moment de meest zichtbare afleiding vormen van de werkelijke, structurele problemen.
_Ideologische factoren en sociale media
Sommige politieke partijen, politici of ideologisch geïnspireerde influencers spelen op deze onvrede in om hun aanhang te vergroten en dragen bij aan een toenemende polarisering en vijandigheid. De algoritmes van sociale media houden gebruikers steeds meer vast in hun eigen echokamer. In lijn met de cultivatietheorie beginnen mensen de gemediatiseerde werkelijkheid als de reële werkelijkheid te beschouwen. Wie constant filmpjes bekijkt van flamboyant geklede homo’s op een pride, van voorlezende dragqueens of van ouders die zich beklagen over een les over genderdiversiteit, voelt zich overrompeld. Ze menen dat de ‘lgbtqi- ideologie’ hun ‘door de strot geduwd wordt’. Men stelt alles wat de regenbooggemeenschap zichtbaarheid en legitimiteit verschaft ter discussie: Waarom moet overal een regenboogvlag wapperen? Is het nodig dat er in elke serie een homoseksueel personage zit? Waarom zit elke pride-optocht vooraan in het nieuws? Waarom moet mijn kind in de kleuterklas leren dat ook twee vrouwen met elkaar mogen trouwen?
_Sociale factoren
Verder haalt men vaak de snelle demografische verandering aan als sociale factor die intolerantie in de hand werkt. Na het verschijnen van het Utrechtse onderzoek, maar ook na de dodelijke aanslag op de Pride in Berlijn, wezen veel mensen naar de religieuze of culturele denkbeelden van migranten die niet compatibel zouden zijn met westerse opvattingen over homoseksualiteit. De link tussen religie en intolerantie werd aangetoond in een onderzoek van het Jeugonderzoeksplatform (JOP). Op een 10-puntenschaal scoorden christenen 3.02 en moslims 5.38 op homofobie tegenover 2.38 bij niet-gelovige jongeren. In vergelijking met 2018 was er in 2023 bij elke groep ook significant meer afkeer voor homoseksualiteit.
Snel toegenomen culturele diversiteit zorgt daarenboven vaak voor verminderde sociale cohesie. Mensen voelen zich minder verbonden met anderen. Dit leidt tot minder empathie en begrip voor wie tot een andere groep behoort, zoals holebi’s. Het kan er bovendien voor zorgen dat mensen op zoek gaan naar een nieuwe groep waar ze een sterk gevoel van samenhorigheid kunnen ervaren. Die vinden ze onder andere in (online) groepen die klassieke masculiniteit of femininiteit promoten, de zogenaamde mano- of femosfeer, bij groepen die zich beroepen op orthodoxe religieuze waarden en normen, of die algemeen conservatief zijn.
_Psychologische factoren
Ten slotte beïnvloeden ook psychologische factoren de neiging tot intolerantie. Deze zouden mee kunnen verklaren waarom we ook bij meisjes een sterke terugval in homoacceptatie registreren. Wie op socio-economische vlak onzekerheid en de daarbij horende stress ervaart, probeert daaraan te ontkomen. Meisjes internaliseren gemiddeld meer. Daardoor is het moeilijker om empathie te voelen met anderen. De actieve steun voor minderheidsgroepen brokkelt af. Ze proberen intern conflict te vermijden door zich te conformeren aan de meest opvallende groepsnorm, zoals de heteronormativiteit en genderconformiteit die ze kennen via sociale media. Jongens externaliseren vooral. Ze gaan zich dominanter profileren door bijvoorbeeld extremere standpunten in te nemen of door aanvallende en kwetsende taal te gebruiken. Onzekerheid wordt weggewerkt door een duidelijke identiteit op te bouwen, gestoeld op rigide denkbeelden en traditionele gedragsnormen.
_Conversietheorie
Het overwegen van de mogelijkheid dat er bij een groot deel van de bevolking geen intrinsieke, absolute overtuiging is dat lgbtqi-personen onvoorwaardelijk hun plaats mogen innemen in de maatschappij, is deprimerend. Je kan mensen niet dwingen om bepaalde waarden en opvattingen te internaliseren. Dat hoeft in principe ook niet om op een respectvolle manier met elkaar om te gaan, om te leven en te laten leven. Maar het is problematisch als dat niet kan, en de vele gevallen van homofoob gedrag bevestigen dit helaas.
De oplossing kan in elk geval niet liggen in het verwijderen van de symbolen, helden en rituelen van de lgbtqi-gemeenschap, zoals sommigen opperen met uitspraken als ‘Ik heb er geen probleem mee, maar ik hoef het niet te zien’. Of ‘Door zo op te vallen, vragen ze erom’.
Wat kan men dan wel doen om zoveel mogelijk mensen niet alleen terug tolerant te laten zijn, maar hen misschien zelfs te brengen tot oprechte acceptatie? De conversietheorie van sociaal-psycholoog Serge Moscovici bespreekt hoe minderheidsgroepen door hun gedrag invloed kunnen uitoefenen die tot echte maatschappelijke verandering leidt.
Men moet consistent handelen en niet toegeven aan de vraag om zoveel mogelijk onzichtbaar te zijn. Dat zou het signaal geven dat men zelf niet zo overtuigd is van het belang ervan, dat men twijfelt. De boodschap is liefst ook bij elke ‘bondgenoot’ dezelfde. Zeggen dat je lesbisch bent, maar dat je zelf nooit aan een Pride zou deelnemen, maakt zo’n manifestatie in de ogen van tegenstanders weer iets minder legitiem.
Ten tweede: creëer cognitief conflict bij wie bezwaar heeft tegen holebirechten. Dat kan door hen te confronteren met logische tegenstrijdigheden in hun eigen positie. Mensen die beweren dat ze gewoon willen dat kinderen ‘beschermd worden’ tegen een zogenaamd schadelijke ideologie, kan men confronteren met cijfers die aantonen dat holebi- en transgenderjongeren opvallend meer depressieve klachten hebben en vaker suïcidaal zijn. Steun en zich gewaardeerd voelen om wie ze zijn, helpt sterk om dit te verminderen. Waarom wil men díe kinderen ook niet beschermen?
Wie opkomt voor lgbtqi-personen, moet oprecht zijn en dit doen vanuit een intrinsieke overtuiging, niet omdat dit een soort voordeel oplevert. Het zogenaamde ‘pinkwashing’, waarbij commerciële bedrijven tijdens de Pride-maand acties houden en oppervlakkige steun verlenen door even de boodschappen in regenboogzakje op te bergen of die het logo op hun website tijdelijk aanpassen, wekken bij tegenstanders de indruk dat de samenleving ‘moet buigen’ voor een woke-agenda. Een diversiteitsweek houden op school, maar de rest van het jaar niet optreden wanneer holebijongeren gepest worden, ondermijnt de geloofwaardigheid van de solidariteitsactie.
Ten slotte, stelt Moscovici, helpt het niet om rigide antistemmen te bestrijden door zelf extremistisch en dogmatisch te zijn. Iemand die bezorgdheid uit over transvrouwen in bepaalde sporten meteen verwijten dat ze een ‘TERF’ is (trans-exclusionary radical feminist), vermindert de kans dat deze persoon intrinsiek overtuigd raakt door het bredere inclusieverhaal. Hij pleit voor flexibiliteit in reageren: erken bezorgdheden of angsten en stel mogelijke oplossingen voor.
Het verontrustende nieuws van de dalende acceptatie van homoseksualiteit toont aan dat een samenleving er aan de buitenkant kleurrijker kan uitzien dan vroeger, zonder dat haar diepere overtuigingen even sterk veranderd zijn. Regenboogvlaggen, Pride-optochten, rolmodellen en inclusieve campagnes zijn daarom geen overbodige symboliek. Ze maken zichtbaar welke normen we als samenleving belangrijk vinden.
Maar zichtbaarheid alleen volstaat niet. Tolerantie die uitsluitend berust op conformiteit kan even snel afbrokkelen als de maatschappelijke norm verandert. Duurzame aanvaarding vraagt meer: de overtuiging dat mensen hun plaats in de samenleving niet moeten verdienen door zich onzichtbaar te maken, zich ‘normaal’ te gedragen of hun identiteit voor een ander verteerbaar te maken. Het blijft een hele uitdaging om die onderliggende waarden stevig te laten wortelen.
Lees hier deel 1.