30 oktober 2026
Focus: Richard Wrangham (°1948) (deel III)
Kritieken en discussie
_Inleiding
In de vorige twee bijdragen (deel 1 en deel 2) bespraken we Wranghams twee bekendste hypothesen: de imbalance-of-power-hypothese over de evolutionaire wortels van coalitioneel geweld en de zelfdomesticatiehypothese als verklaring voor de menselijke combinatie van sociale tolerantie en georganiseerd geweld. Beide hypothesen zijn invloedrijk, maar lokten ook veel kritiek uit. In dit slotdeel bespreken we eerst de belangrijkste bezwaren tegen beide hypotheses en vervolgens enkele bredere discussies over de mogelijkheden en beperkingen van evolutionaire verklaringen van menselijk gedrag.
_Kritiek op de hypothese van coalitioneel geweld
Wranghams vroege werk, waaronder Demonic Males (1996), kreeg lof, maar ook kritiek. Een eerste kritiek betreft de vergelijking tussen chimpansees en mensen. Critici wezen erop dat dergelijke vergelijkingen vaak berusten op analogieën. Observeerbare gelijkenissen worden gebruikt als aanwijzing voor diepere evolutionaire continuïteit. Daardoor blijft het moeilijk om te onderscheiden wat teruggaat op gedeelde afstamming en wat het resultaat is van uiteenlopende ecologische, sociale en culturele processen.
We willen deze kritiek nuanceren. Mensen stammen niet af van chimpansees of bonobo’s, maar delen met hen een gemeenschappelijke voorouder die ongeveer zes miljoen jaar geleden leefde. Sindsdien hebben zowel de menselijke lijn als die van chimpansees en bonobo’s een eigen evolutionair traject doorlopen. Dit heeft belangrijke gevolgen voor hoe we bijvoorbeeld menselijke oorlogsvoering begrijpen. Gelijkenissen tussen chimpansees en mensen kunnen niet zomaar worden opgevat als directe modellen voor menselijk gedrag. Ze kunnen wel aanwijzingen geven over onderliggende evolutionaire processen. Tegelijk kan menselijke oorlogsvoering niet worden herleid tot één enkel evolutionair mechanisme. Wrangham benadrukt nochtans dat zijn hypothese slechts een gedeeltelijk verklaringskader biedt en afhankelijk blijft van aannames over de menselijke voorgeschiedenis, waarvoor het empirisch bewijs heel vaak onvolledig is.
Een tweede kritiek gaat over de aanname van een gewelddadige menselijke natuur. Demonic Males werd soms gelezen als een argument voor een aangeboren of constante neiging tot geweld bij de mens, en in het bijzonder bij mannen, terwijl Wrangham zelf een veel meer genuanceerde positie inneemt. Hij stelt dat coalitioneel geweld sterk afhankelijk is van specifieke omstandigheden en strategische afwegingen en niet als een universeel gedragskenmerk. De plaats van bonobo’s in zijn analyse illustreert dit treffend. Ondanks hun nauwe genetische verwantschap met chimpansees vertonen bonobo’s geen lethal raiding en zijn intergroepsinteracties doorgaans minder vijandig en soms zelfs volledig vreedzaam. Een patroon dat helemaal afwezig is bij chimpansees. Wrangham interpreteert dit niet als een weerlegging van zijn hypothese, maar eerder als een kritische toets ervan, als een aanwijzing dat dergelijk geweld slechts onder specifieke sociaal-ecologische omstandigheden ontstaat, met name wanneer uitgesproken machtsasymmetrieën tussen groepen mogelijk zijn. Zijn hypothese wijst niet in de richting van een algemene gewelddadige natuur, maar naar een contextgebonden gedragsrepertoire dat onder specifieke voorwaarden tot uiting komt.
Een derde kritiek gaat over de verhouding tussen biologische en culturele verklaringen. Critici benadrukken dat menselijk geweld ook wordt gevormd door sociale instituties, ideologieën en historische ontwikkelingen. Deze spanning zien we opduiken in het mensbeeld van het zogenaamde Standard Social Science Model (SSSM). Dit model beschouwt geweld voornamelijk als het resultaat van opvoeding, sociale normen en historische omstandigheden, en niet als iets met evolutionaire wortels. Hoewel deze visie vandaag zelden nog in haar meest strikte vorm wordt verdedigd, blijft ze invloedrijk in de sociale wetenschappen. Wrangham wijst er echter op dat een uitsluitend culturele benadering moeilijk kan verklaren waarom gelijkaardige patronen van coalitioneel geweld voorkomen bij zowel mensen als andere genetisch nauw verwante primaten. Voor hem kunnen dergelijke overeenkomsten wijzen op een zekere evolutionaire continuïteit, waarbij sommige gedragsmatige predisposities teruggaan op een gedeelde evolutionaire geschiedenis. Maar ook hier moeten we nuanceren. Een nauwe genetische verwantschap betekent niet dat gedrag rechtstreeks kan worden afgeleid uit genetische gelijkenis. Ze maakt wel duidelijk dat een strikt onderscheid tussen biologische en culturele verklaringen moeilijk vol te houden is.
Wanneer we deze kritieken samenvatten, valt op dat ze passen in een breder patroon waarmee evolutionair geïnspireerde benaderingen van menselijk gedrag historisch vaak zijn geconfronteerd. Tegelijk moeten we ook toegeven dat wetenschappelijk onderzoek nooit volledig losstaat van de historische en culturele context waarin het wordt ontwikkeld. Doorheen de geschiedenis hebben onderzoekers onvermijdelijk vragen gesteld vanuit hun eigen ervaringen, perspectieven en culturele waarden. Ook de vragen die binnen een discipline als relevant worden beschouwd, zijn sterk historisch gegroeid en worden als het ware intergenerationeel doorgegeven. Wetenschappelijke blinde vlekken zijn altijd mogelijk. Sommige fenomenen blijven onderbelicht, simpelweg omdat ze buiten het gangbare kader vallen. Daarom is het belangrijk om voortdurend kritisch te reflecteren op de manier waarop onderzoeksvragen worden geformuleerd en welke aannames daarin impliciet vervat zitten.
De discussie raakt bovendien aan een breder methodologisch vraagstuk in de evolutionaire gedragswetenschappen: niet alleen de antwoorden, maar ook de onderzoeksvragen zelf verdienen kritische reflectie. We geven een voorbeeld. Lange tijd werd de vraag gesteld waarom mannen gemiddeld vaker betrokken zijn bij geweld dan vrouwen, en werden uiteenlopende verklaringen geformuleerd, variërend van over- of ondersocialisatie tot evolutionaire competitie tussen mannen voor middelen en partners.
De Britse evolutionaire psychologe Ann Campbell (1951-2017) wees erop dat deze vraagstelling zelf problematisch kan zijn. In haar werk benadrukt ze dat sekseverschillen in gedrag, zoals agressie en de bereidheid om risico’s te nemen, ook kunnen verklaard worden vanuit verschillen in kwetsbaarheid en overleving, en dat het daarom zinvol kan zijn om de vraag om te keren en te onderzoeken waarom vrouwen doorgaans minder geneigd zijn tot risicovol en gewelddadig gedrag. Campbell suggereert dat evolutie niet zozeer agressie bij mannen heeft ‘geselecteerd’, maar eerder gedragingen bij vrouwen heeft ‘bevoordeeld’ die gericht zijn op het vermijden van levensbedreigende risico’s. Aangezien vrouwen evolutionair en ook vandaag nog vaak een centrale rol spelen in de zorg voor nakomelingen, kan hun dood in gewelddadige situaties een bijzonder grote impact hebben op de overlevingskansen van hun kinderen. Dit kan ertoe hebben geleid dat selectiedruk is uitgeoefend op gedrag dat vrouwen minder geneigd maakt om deel te nemen aan gevaarlijke conflicten. The jury is still out on this, zoals wordt gezegd.
Maar los van de manier waarop onderzoeksvragen worden gesteld, moeten we, zoals Robert Cliquet benadrukt, sekseverschillen steeds plaatsen in hun evolutionaire context, weliswaar met aandacht voor de aanzienlijke variatie binnen elke sekse. Veel gedragskenmerken vertonen immers een grote overlap tussen mannen en vrouwen. Verschillen tussen groepen betekenen nog niet dat individuen in een groep homogeen zijn. Zowel verschillen tussen mannen en vrouwen als variatie binnen beide groepen spelen een rol in hoe gedragspatronen tot uiting komen.
Een aantal hardnekkige misverstanden blijft evolutionaire benaderingen achtervolgen. Niet zelden worden zij gereduceerd tot een karikatuur waarin menselijk gedrag volledig genetisch zou zijn voorgeprogrammeerd en cultuur of omgeving nauwelijks betekenis zou hebben. In werkelijkheid nemen auteurs zoals Wrangham een zeer genuanceerde positie in. Zowel in zijn academische als in zijn meer toegankelijke wetenschapspopulaire boeken beschrijft hij geweld als contextafhankelijk gedrag dat ontstaat onder specifieke sociaal-ecologische omstandigheden en het resultaat is van een samenspel tussen biologische predisposities en ecologische omgevingsfactoren.
_Kritieken op de zelfdomesticatiehypothese
Ook de zelfdomesticatiehypothese is niet onomstreden. Een eerste kritiekpunt gaat over de indirecte aard van het bewijs. Anders dan bij gedomesticeerde dieren kan het voorgestelde proces niet rechtstreeks worden waargenomen. De hypothese steunt op vergelijkingen met bonobo's, anatomische kenmerken van vroege Homo sapiens, genetische aanwijzingen en reconstructies van gedrag in het verleden. Daardoor blijft het moeilijk om de voorgestelde evolutionaire processen rechtstreeks te toetsen. Wrangham erkent zelf dat veel van zijn argumentatie berust op een samenloop van aanwijzingen eerder dan op direct bewijs.
Een tweede discussiepunt gaat over het concept van zelfdomesticatie zelf. Het idee dat mensen in bepaalde opzichten lijken op gedomesticeerde dieren gaat terug tot de achttiende eeuw en werd onder meer verdedigd door Johann Friedrich Blumenbach. Wrangham bouwt voort op deze traditie, maar koppelt haar aan moderne inzichten uit de evolutiebiologie en de studie van domesticatie. Critici wijzen er echter op dat gelijkaardige kenmerken niet noodzakelijk wijzen op hetzelfde evolutionaire proces. Bovendien bestaat er discussie over de vraag in welke mate kenmerken van het zogenaamde domestication syndrome werkelijk een samenhangend biologisch patroon vormen.
Een derde punt gaat over het mechanisme in de hypothese. Wrangham stelt dat coalities van individuen dominante en sterk reactief-agressieve mannen konden sanctioneren of zelfs executeren. Daardoor zouden dergelijke individuen minder reproductief succes hebben gehad, wat op lange termijn leidde tot selectie tegen reactieve agressie. De vraag blijft echter hoe frequent en systematisch zulke processen waren. Het is moeilijk na te gaan of zij voldoende sterk waren om de voorgestelde evolutionaire veranderingen te veroorzaken.
Ook de chronologie blijft onzeker. Wrangham situeert het ontstaan van zelfdomesticatie ergens tijdens de evolutie van Homo sapiens en verwijst daarbij naar anatomische veranderingen die vanaf ongeveer 300.000 jaar geleden zichtbaar worden. Wanneer het proces precies begon, hoe snel het verliep en welke populaties hierbij betrokken waren, blijven onduidelijk. Daardoor blijft het moeilijk om de hypothese rechtstreeks te toetsen aan empirische gegevens.
Ten slotte roept vooral de koppeling tussen zelfdomesticatie en moraliteit vragen op. In Wranghams model ontstaan morele emoties zoals schaamte, schuldgevoelens en gevoeligheid voor reputatie gedeeltelijk omdat individuen de negatieve gevolgen van sociale afkeuring willen vermijden. Critici merken op dat deze benadering moraliteit sterk interpreteert vanuit sociale controle en bestraffing. Andere onderzoekers leggen meer nadruk op empathie, wederzijdse afhankelijkheid, zorg voor anderen of culturele evolutie als drijvende krachten achter moreel gedrag. De uitdaging bestaat erin om te bepalen hoe deze verschillende verklaringen zich tot elkaar verhouden.
_Discussie
Wranghams werk dwingt ons na te denken over fundamentele vragen: over geweld, samenwerking en hoe Homo zich kon ontwikkelen. Hij stelt lastige vragen: in welke mate is geweld bij mensen en niet-menselijke primaten terug te voeren op een gedeelde evolutionaire geschiedenis? Welke reproductieve voordelen kan geweld in bepaalde contexten hebben gehad? En hoe past geweld in een breder evolutionair kader van gedrag en sociale organisatie?
Precies deze ultieme invalshoek maakt zijn werk gevoelig voor misinterpretatie. Wrangham probeert gedrag te verklaren vanuit de vraag waarom het ooit een evolutionair voordeel kon opleveren. Veel kritiek ontstaat wanneer dit ultieme verklaringsniveau wordt verward met een proximaal verklaringsniveau. Dat een gedraging een evolutionaire oorsprong heeft, betekent immers niet dat mensen vandaag bewust door die motieven worden gedreven, noch dat cultuur, instituties of individuele keuzes onbelangrijk zijn. De discussie rond Wrangham gaat daarom minder vaak over de empirische gegevens zelf dan over de vraag hoe evolutionaire verklaringen moeten worden geïnterpreteerd.
Neem bijvoorbeeld de kritieken op Demonic Males. Dit boek werd vaak opgevat als een directe uitspraak over de menselijke natuur, alsof mensen van nature gewelddadig zijn. Maar dat is niet wat Wrangham zegt. Hij vertrekt van het gedrag van chimpansees als vergelijkingsmateriaal om na te denken over mogelijke evolutiemechanismen, niet om mensen rechtstreeks te beschrijven. Bovendien benadrukt hij zelf dat chimpansees en mensen al miljoenen jaren elk hun eigen evolutionaire weg hebben gevolgd. Hij wijst er herhaaldelijk op dat vergelijkingen binnen de menselijke lijn, bijvoorbeeld tussen Homo sapiens en Neanderthalers, soms relevanter zijn. Maar het legt een dieper probleem bloot. We hebben immers geen directe toegang tot het gedrag van onze verre voorouders. Gedrag fossiliseert niet. Inzicht in menselijke evolutie steunt noodzakelijkerwijs op indirect bewijs. Vergelijkingen met andere soorten en interpretaties van fossielen maken reconstructie mogelijk, maar blijven tegelijk kwetsbaar en voor een stuk speculatief.
Er bestaan wel technieken om hiermee om te gaan. Binnen de primatologie en evolutionaire antropologie wordt het gedrag van uitgestorven voorouders gedeeltelijk gereconstrueerd via een vergelijkend-evolutionaire benadering, waarbij observaties van levende verwante soorten als uitgangspunt worden genomen. Wrangham verwijst daarbij vooral naar wat hij Ancestral Pan noemt, een hypothetische voorouder van mens en chimpansee die ongeveer 6 miljoen jaar geleden leefde en bepaalde gedragskenmerken zou hebben gedeeld. Christopher Boehm hanteert een ruimer evolutionair kader en verwijst naar een oudere Common Ancestor (CA) van mensen, chimpansees en gorilla's, die ongeveer 7 à 9 miljoen jaar geleden zou hebben bestaan.
Hoewel van deze voorouders nauwelijks fossielen zijn gedocumenteerd, kunnen bepaalde gedragingen via vergelijking van hedendaagse soorten toch worden gereconstrueerd. Via methodes zoals behavioral phylogenetics wordt gekeken naar gedrag dat bij meerdere afstammingslijnen voorkomt. Dergelijke gedeelde kenmerken worden soms geïnterpreteerd als aanwijzing voor een mogelijke aanwezigheid bij gemeenschappelijke voorouders, al blijft ook de mogelijkheid van convergente evolutie bestaan. Het is duidelijk dat chimpansees niet fungeren als directe modellen van menselijke voorouders, maar als slechts een van meerdere referentiepunten in de reconstructie van een gedeeld evolutionair verleden. Desalniettemin blijft het bewijs indirect en dus vatbaar voor interpretatie en kritiek.
Een tweede centraal discussiepunt gaat over de vraag wanneer en hoe de afname van reactieve agressie zich heeft voltrokken. De kracht van de zelfdomesticatiehypothese ligt in het expliciet beantwoorden van een fundamenteel evolutionair probleem, met name waarom fysiek dominante en reactief-agressieve mannen hun reproductief voordeel konden verliezen. Wrangham vertrekt van de hypothese dat vroege Homo-populaties leefden in primaatachtige dominantiehiërarchieën, waarin individuele vechtkracht bepalend was voor de positie in de groep. Zijn verklaring impliceert dat deze dynamiek werd doorbroken zodra coalities van individuen dergelijke dominantie konden neutraliseren, wat resulteerde in een verschuiving van individuele naar coalitionele macht.
De vraag naar de precieze timing blijft echter speculatief. Wrangham situeert dit proces in de context van Midden-Pleistoceen-Homo, in de aanloop naar het ontstaan van Homo sapiens. Hij wijst op anatomische tekenen van zelfdomesticatie die vanaf circa 300.000 jaar geleden zichtbaar worden. Kenmerken zoals een afname van seksuele dimorfie en een zekere feminisatie van mannelijke morfologie worden door hem geïnterpreteerd als consistent met een langdurige selectie tegen reactieve agressie. Opnieuw blijven deze aanwijzingen indirect en open voor alternatieve interpretaties. Wrangham biedt een plausibel mechanisme, maar over de precieze chronologie blijft hij voorzichtig. Zijn model geeft geen definitief antwoord op wanneer dit proces precies begon of hoe snel het verliep. Hij wijst zelf vooral op een langdurig en gradueel karakter.
Een gelijkaardige nuancering geldt ook voor andere veronderstellingen, zoals de rol van culturele innovaties. De ecologische en sociale context van menselijke evolutie kan waarschijnlijk niet worden herleid tot één enkel mechanisme. Naast zelfdomesticatie speelden vermoedelijk meerdere factoren een rol, waaronder ecologische druk, demografische veranderingen, technologische innovaties, de ontwikkeling van taal en gedeelde intentionaliteit, en veranderingen in sociale organisatie en communicatie. Deze processen sluiten elkaar niet noodzakelijk uit, maar kunnen verschillende aspecten van dezelfde evolutionaire dynamiek verklaren.
Opvallend is dat Wrangham al deze onzekerheden expliciet erkent. In zijn werk bespreekt hij verschillende alternatieve hypothesen en toont hij systematisch waar deze volgens hem tekortschieten, met name in hun onvermogen om te verklaren waarom individuen met een hoge mate van reactieve agressie geen blijvend reproductief voordeel behouden. Ook zijn eigen model presenteert hij niet als definitieve verklaring, maar als een theoretisch kader dat verschillende lijnen van bewijs samenbrengt.
We kunnen besluiten dat een zekere voorzichtigheid zijn werk kenmerkt. Wranghams hypotheses zijn het best te begrijpen als uitgangspunten voor verdere integratie, eerder dan als op zichzelf staande verklaringen. Hoewel zijn model een coherent mechanisme biedt voor de afname van reactieve agressie, blijft het empirische bewijs fragmentair en indirect. De volgende stap ligt in het verbinden van deze hypothese met andere verklaringsmodellen van menselijke evolutie. Bijvoorbeeld: hoe verhouden processen zoals zelfdomesticatie zich tot andere vaak genoemde factoren, zoals de ontwikkeling van taal en gedeelde intentionaliteit, toenemende sociale interdependentie, empathie, culturele selectie en samenwerking? Het is niet evident dat deze verklaringen elkaar uitsluiten. Het is even plausibel dat zij verschillende aspecten van een complex evolutionair proces belichten.
De uitdaging voor toekomstig onderzoek ligt in het ontwikkelen van toetsbare voorspellingen om deze hypothesen systematisch met elkaar te confronteren en, waar mogelijk, te integreren. Het debat dat Wrangham mee vormgeeft, blijft dan ook open en afhankelijk van verdere theoretische en empirische verfijning.
_Referenties en verder lezen
- Aboushaar, H. M. K., & Shackelford, T. K. (2020). [Review of Goodness by Execution: a Review of Richard Wrangham (2019), The Goodness Paradox: the Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution (New York: Pantheon Books)]. Evolutionary Psychological Science, 6(3), 298–300. https://doi.org/10.1007/s40806-020-00240-2
- Alexander, R.D. (1987). The biology of moral systems. Routledge.
- Boehm, C. (2012). Moral origins. The evolution of virtue, altruism, and shame. Basic Books.
- Campbell, A. (2020). Survival, selection, and sex differences in fear. (2020). In L. Workman, W. Reader and J.H. Barkow (Eds.), The Cambridge handbook of evolutionary perspectives on human behavior (pp. 313-329). Cambridge University Press.
- Cliquet, R. (2010). Biosocial interactions in modernisation. Masaryk University Press.
- Cliquet, R., & Avramov, D. (2018). Evolution science and ethics in the third millennium. Challenges and choices for humankind. Springer.
- Daly, M. (1998). Review of Demonic Males: Apes and the Origins of Human Violence, by R. Wrangham & D. Peterson. Animal Behaviour, 55, 247.
- Gowlett, J. A. J., & Wrangham, R. (2013). Earliest fire in Africa: towards the convergence of archaeological evidence and the cooking hypothesis. Azania, 48(1), 5–30. https://doi.org/10.1080/0067270X.2012.756754
- Lalumière, M. L. (1998). [Review of Demonic Males, by Richard Wrangham and Dale Peterson (Book Review)]. Ethology and Sociobiology, 19(5), 339
- Marks, J. (1999). Review of Demonic Males: Apes and the Origins of Human Violence. Human Biology, 71(1), 143–146.
- Peterson, D., & Wrangham, R. (1997). Demonic males. Apes and the origins of human violence. Mariner Books.
- Sánchez‐Villagra, M. R., & van Schaik, C. P. (2019). Evaluating the self‐domestication hypothesis of human evolution. Evolutionary Anthropology, 28(3), 133–143. https://doi.org/10.1002/evan.21777
- Shilton, D., Breski, M., Dor, D., & Jablonka, E. (2020). Human social evolution: Self-domestication or self-control? Frontiers in Psychology, 11, 134. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2020.00134
- Workman, L., & Reader, W. (2026). Evolutionary psychology. An introduction. (Fifth Edition). Cambridge University Press.
- Wrangham, R. (1999). Evolution of coalitionary killing. American Journal of Physical Anthropology, 110(S29), 1–30.
- Wrangham, R. (2009). Catching fire. How cooking made us human. Basic Books.
- Wrangham, R. (2014). Comment on Cieri et al. Craniofacial feminization, social tolerance, and the origins of behavioral modernity. Current Anthropology, 55, 435–436. doi: 10.1146/annurev.anthro.012809.105113
- Wrangham, R. (2017). Control of Fire in the Paleolithic: Evaluating the Cooking Hypothesis. Current Anthropology, 58(S16), S303–S313. https://doi.org/10.1086/692113
- Wrangham, R. (2018). Two types of aggression in human evolution. Proceedings of the National Academy of Sciences - PNAS, 115(2), 245–253. https://doi.org/10.1073/pnas.1713611115
- Wrangham, R. (2019). Hypotheses for the evolution of reduced reactive aggression in the context of human self-domestication. Frontiers in Psychology, 10, 1914. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2019.01914
- Wrangham, R. (2019). The goodness paradox. The strange relationship between virtue and violence in human evolution. Vintage.
- Wrangham, R. W., Wilson, M. L., & Muller, M. N. (2006). Comparative rates of violence in chimpanzees and humans. Primates, 47(1), 14–26. https://doi.org/10.1007/s10329-005-0140-1
- Wrangham, R. W., & Glowacki, L. (2012). Intergroup Aggression in Chimpanzees and War in Nomadic Hunter-Gatherers: Evaluating the Chimpanzee Model. Human Nature (Hawthorne, N.Y.), 23(1), 5–29. https://doi.org/10.1007/s12110-012-9132-1
- Wrangham, R. W., Jones, J. H., Laden, G., Pilbeam, D., & Conklin‐Brittain, N. (1999). The raw and the stolen: Cooking and the ecology of human origins. Current Anthropology, 40(5), 567–594. https://doi.org/10.1086/300083