Kwintessens
Geschreven door Michael Vlerick
  • 245 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

26 oktober 2020 Waarom geen burgerraad in de Europese Unie en de Verenigde Naties?
De grote maatschappelijke uitdagingen van onze tijd, zoals klimaatverandering, armoede, massamigratie en de huidige COVID-19-pandemie overstijgen het nationale niveau. Ze hebben een impact op de hele mensheid en we kunnen ze enkel efficiënt aanpakken op supranationaal of zelfs mondiaal niveau.
_Het belang van efficiënt supranationaal beleid
Om klimaatverandering aan banden te leggen moeten alle naties een gezamenlijke inspanning leveren om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Hetzelfde geldt voor het uitroeien van armoede, het aanpakken van massamigratie (veroorzaakt door conflicten, armoede en klimaatverandering) en het overwinnen van de huidige pandemie (en de wereldwijde economische recessie die eruit volgt). In het licht van deze urgente uitdagingen worden naties gedwongen om met elkaar samen te werken.
Om die samenwerking te orkestreren hebben we supranationale instellingen nodig die over de grenzen van naties opereren. Zij moeten beleid uitstippelen in het langetermijnbelang van allen en ervoor zorgen dat naties zich aan dat beleid houden. Dankzij de supranationale instellingen waar we vandaag over beschikken – zoals de instellingen van de Europese Unie en de Verenigde Naties – zijn er veel initiatieven voor internationale samenwerking. Denk bijvoorbeeld aan Europese en mondiale toppen over klimaatverandering en armoede.
Deze supranationale instellingen kunnen grote verdiensten voorleggen. Ze hebben de afgelopen honderd jaar bijgedragen aan het terugdringen van armoede en hebben een cruciale rol gespeeld in het handhaven van vrede sinds de tweede wereldoorlog. Toch – hoe kan het ook anders – zijn deze instellingen vatbaar voor verbetering. Vaak slagen zij er niet in om supranationale en globale problemen efficiënt aan te pakken. Denk aan de teleurstellende resultaten van de meeste klimaattoppen en het onvermogen van de Europese Unie om haar migratiebeleid te coördineren. De hoofdoorzaak van deze mislukkingen ligt volgens mij bij de huidige structuur van deze instellingen. Ze bieden een platform voor internationale onderhandeling door vertegenwoordigers van naties. Dat staat internationale samenwerking in de weg.
_Twee problemen met internationale onderhandeling
Internationale onderhandeling brengt twee belangrijke problemen met zich mee. Ten eerste wordt het supranationale of mondiale belang ondergeschikt gemaakt aan nationale belangen. De eerste zorg van staatshoofden, diplomaten en andere afgevaardigden is de natie die zij vertegenwoordigen. Dat is op zich niet zo problematisch. Het is immers in het belang van al deze naties om de krachten te bundelen in de strijd tegen klimaatverandering en armoede, net zoals het in hun belang is om samen de huidige pandemie zo snel mogelijk te overwinnen en de wereldeconomie weer op gang te trekken.
Het gif zit echter in het tweede probleem. Het huidige systeem waarbij (dikwijls) verkozen vertegenwoordigers van naties onderhandelen over het supranationale of mondiale beleid zorgt ervoor dat de kortetermijnbelangen (van die naties) doorgaans voorrang krijgen op het langetermijnbelang. Verkozen vertegenwoordigers kijken vaak niet verder dan de volgende verkiezingsronde en hopen in de gratie te blijven van het electoraat dat hen afvaardigt. Het opleggen van CO2-belastingen of het investeren in de ontwikkeling van nieuwe technologieën om CO2-neutrale energie te oogsten (waarvan we de vruchten pas in de toekomst plukken) is vaak niet de manier waarop zij dat proberen te verwezenlijken.
Hoe kunnen we onze supranationale instellingen verbeteren? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat internationale onderhandelingen in het kortetermijnbelang van naties plaats maken voor internationale samenwerking in het langetermijnbelang van allen?
_Jaarlijkse burgervergaderingen in de EU en de VN
Om tot efficiënte internationale samenwerking te komen, mogen we het beleid niet uitsluitend in de handen laten van staatshoofden en politieke afgevaardigden. Wie neemt dan hun plaats in? Het eenvoudige maar misschien verrassende antwoord is: de burgers zelf. Natuurlijk kunnen we niet de hele EU-bevolking of de wereldbevolking bijeenbrengen om beleid op te stellen, maar we kunnen wel een representatieve steekproef van deze bevolkingen bijeenbrengen in een burgerraad. Dat is het voorstel dat ik uitwerk in mijn boek De tweede vervreemding: Het tijdperk van de wereldwijde samenwerking. (Zie ook hier.)
Zo'n burgerraad zou jaarlijks samenkomen voor een periode van twee weken. Voor elke iteratie zou een ander lot van zo'n 800 burgers willekeurig worden geselecteerd (wat ervoor zorgt dat zij een representatieve steekproef vormen). De deelnemers worden door experts grondig geïnformeerd over de problemen waarover zij zich buigen (en de mogelijke oplossingen) en vervolgens delibereren zij in groepen van acht met als doel een hoge mate van consensus te bereiken over bepaalde voorstellen.
Maatschappelijke experimenten met burgeroverleg (op lokaal, nationaal en supranationaal niveau) tonen dat het vaak leidt tot doordachte oplossingen voor complexe problemen. Bovendien leidt het doorgaans tot beleidsvoorstellen die in het langetermijnbelang zijn van degenen die zij vertegenwoordigen. Dat was duidelijk het geval bij het eerste grootschalige burgeroverleg over het klimaatvraagstuk. Het project heette 'World Wide Views on Climate and Energy' en vond plaats enkele maanden voor de VN-klimaattop in Parijs in 2015. Groepen burgers kwamen op alle continenten samen om te beraadslagen over de te nemen maatregelen tegen klimaatverandering. Nadat ze via videoclips informatie kregen over de oorzaken van klimaatverandering, de gevolgen ervan en de mogelijke oplossingen om klimaatverandering tegen te gaan, gingen ze met elkaar in overleg en formuleerden ze aanbevelingen. De maatregelen die deze overleggroepen voorstelden, gingen over het algemeen een stuk verder dan de maatregelen die de VN-top enkele maanden later voorstelde en de mate van consensus onder de deelnemers was veel groter dan die onder de vertegenwoordigers in Parijs.
Ook op Europees niveau kwam er een gelijkaardig initiatief. Het project heette 'Europolis' en bracht in 2009 zo'n 400 burgers uit alle lidstaten van de EU samen om te beraadslagen over klimaatverandering en immigratie. Er werden vragenlijsten uitgedeeld, die de deelnemers voor en na de beraadslaging invulden. Daaruit blijkt dat burgers na de beraadslaging vaak bereid zijn af te zien van hun kortetermijnbelangen (wat ze veelal niet waren voor de beraadslaging). Bovendien vergrootte de beraadslaging het solidariteitsgevoel van veel deelnemers. Naar verluidt identificeerden velen zich na afloop als Europese burgers en niet louter als burgers van hun eigen land. Ook in andere sociale experimenten met burgerraden (zoals de G1000 in België) bleek het overleg tussen burgers culturele, taalkundige en ideologische scheidslijnen af te breken. Dat is veelbelovend.
Nieuwe problemen vragen om nieuwe oplossingen. In het huidige geglobaliseerde tijdperk moeten we voor het eerst op supranationaal niveau samenwerken om belangrijke maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden. Daarvoor hebben we reeds instellingen in het leven geroepen. Dat is een historische stap in de juiste richting. Maar we moeten conclusies trekken uit het onvermogen van deze instellingen om een efficiënt antwoord te bieden op een aantal belangrijke maatschappelijke problemen (niet in het minst klimaatverandering). Het kan en het moet beter.
Jaarlijkse burgerraden op supranationaal niveau kunnen hiertoe bijdragen. Deze burgerraden zouden althans aanvankelijk enkel advies uitbrengen. Maar dat advies zou wel gewicht dragen. Het gaat hier immers over de geïnformeerde en beredeneerde mening van de bevolking. Dat kunnen wereldleiders, zeker in democratieën, niet zomaar naast zich neerleggen. Uiteraard kennen ook burgerraden hun beperkingen en problemen. Maar ze vormen wel een bijzonder interessante piste om te verkennen. Dat is althans wat de vele sociale experimenten met participatieve burgerdemocratie aangeven. Eens we die burgerraden in het leven roepen, kunnen we dan verder zien wat goed en wat minder goed werkt en zo die processen (en onze instellingen in het algemeen) verder verfijnen en verbeteren.
Het is dan ook zeker niet de bedoeling om de bestaande supranationale instellingen volledig te hervormen. Ze hebben – ik herhaal het – een grote verdienste. Mijn voorstel is dus hoegenaamd niet om de instellingen van de EU en de VN te vervangen door burgerraden, maar om ze te versterken met dit veelbelovende democratische instrument. Dat zou niet alleen kunnen leiden tot beter supranationaal beleid, maar ook tot meer supranationale solidariteit ... en dat kan de wereld goed gebruiken.
_Referenties
  • Vlerick, M. (2019). De tweede vervreemding: Het tijdperk van de wereldwijde samenwerking. Lannoo.
  • Vlerick, M. (2020). Towards global cooperation: The case for a Deliberative Global Citizens' Assembly. Global policy, 11 (3), 305-314.
Kwintessens
Michael Vlerick doceert wetenschapsfilosofie aan de universiteit van Tilburg en is auteur van 'De tweede vervreemding. Het tijdperk van de wereldwijde samenwerking' (2019).
_Michael Vlerick -
Meer van Michael Vlerick

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws