Kwintessens
Geschreven door Yves T’Sjoen en Sibo Kanobana
  • 425 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

5 oktober 2021 Nederlandse literatuur, een veelkleurig perspectief
Tweespraak met Sibo Kanobana
_Yves T'Sjoen
Dekolonisatie. Vandaag is het een urgent thema, om niet te zeggen existentieel, dat voorwerp uitmaakt van een te vuur en te zwaard gevoerd ideologisch en cultureel-maatschappelijk debat. Een discussie die makkelijk aanleiding geeft tot een polarisering van standpunten. Ook aan de universiteit. Recente uitspraken van de Leuvense rector over de 'woke-beweging' en 'cancelcultuur' mogen dit illustreren. Universiteit Gent start komende donderdag met een lezingenreeks over literatuur en dekolonisering. Warda El-Kaddouri, curator van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte en van de Humanities Academie, houdt dan een toespraak in de Belvedère van de pas gerestaureerde Boekentoren ('Dekoloniseren. Herschrijf het verhaal, niet de geschiedenis'). In de tussentijd kan de vraag worden opgeworpen hoe bruikbaar de term 'dekolonisatie' wel is. Wat houdt het proces van 'dekolonisering' in, wie handelt en wie ondergaat? In de aanloop naar de lezingenreeks presenteert Kwintessens een gedachtewisseling tussen Yves T'Sjoen en Sibo Kanobana.
Het publieke debat over dekolonisatie en literatuur is aanleiding voor een tweespraak – woord en weerwoord – over hoe we vandaag de literatuur van het Nederlandse taalgebied presenteren. Onder de redactie van Sibo Rugwiza Kaobana verscheen aan het begin van de zomer de opstellenbundel Zwarte bladzijden. Afro-Belgische reflecties op Vlaamse (post)koloniale literatuur (De Geus, Amsterdam). In opdracht van Knack en het Letterenhuis doken onderzoekers in de archieven van de Vlaamse Congo-literatuur. Zij bestudeerden het Vlaams koloniaal erfgoed. Afro-Belgische auteurs lezen koloniale literaire teksten op een kritisch-analytische manier en presenteerden al eerder hun bevindingen op de websites van Knack en het Letterenhuis. In de bijdragen treden de auteurs in dialoog met literaire teksten zoals Batavia (Conscience, 1858), Zwarte kost (Buysse, 1898), Oproer in Congo (Walschap, 1953), De nikkers (Van Aken, 1959), Black Venus (Geeraerts, 1968) en Terug naar Congo (Joris, 1987). Samensteller Kanobana stelt in zijn nabeschouwing: "Wat hieruit voortkomt, zijn subjectieve verslagen van mensen voor wie kolonisatie geen abstract gegeven is, geen theorie, geen ver verleden, maar iets dat hen persoonlijk raakt. Door hun huidskleur en origine, door hun aanwezigheid, maken ze de witheid van Vlaanderen en Europa zichtbaar. Hun beschouwingen doen er ons aan herinneren hoe het ideologische kader dat de kolonisatie mogelijk maakte, tot op de dag van vandaag standhoudt in de meest persoonlijke en vaak essentiële dingen des levens: liefde, familie, vriendschap, seks, identiteit, intimiteit."
In de 'dynamische' literaire canonlijst van de Koninklijke Academie voor Taal en Letteren ('50 (+1) essentiële teksten uit de Nederlandstalige literatuur'), volgens de website met de betrachting 'duidelijk [te maken] welke teksten door het literaire veld in Vlaanderen als essentiële Nederlandstalige literatuur worden beschouwd' (mijn cursivering), is vorig jaar Jef Geeraerts' eerste deel van de Gangreen-cyclus Black Venus geschrapt. Er is al eerder uitvoerig over bericht. Sommigen gewagen van een terechte ingreep, anderen betreuren het gebruik van buitenliteraire argumenten om een roman uit de canon weren. De vraag die ook is gesteld, is of het niet net interessant is de roman blijvend op leeslijsten aan te bieden en in het onderwijs met leerlingen en studenten het gesprek aan te gaan over mens- en wereldbeeld, over beeldvorming van de Afrikaan, over wit privilege ('white supremacy') en racistische ideologie in retoriek en referentiekaders, over misstanden van de kolonisatie en het imperialisme. Is het niet de taak van het onderwijs leesframes aan te reiken, ook voor 'foute' boeken, boeken die de toets van de tijd (of de tijdsgeest) niet meer doorstaan. Dat wil zeggen: literair werk waarin maatschappelijk achterhaalde standpunten worden gearticuleerd, met racistische of andere discriminerende ideologische visies? Daarnaast moet in het onderwijs natuurlijk ook de 'literariteit' aan bod komen van deze 'foute' boeken, zoals Erwin Mortier in een opiniebijdrage toelichtte over Geeraerts' Congo-roman. 'Literariteit', alles wat met stijl en compositie, beeldentaal en ritme te maken heeft. Het onderscheid tussen auteursstandpunt en ideologie van een verteller of een personage is essentieel in dat debat. Laten we literatuur niet alleen als getuigenis of ideologie, maar dus ook als literatuur bespreken. Schuilt er geen gevaar in een doorgedreven 'cancelcultuur'? Romans worden zoals ik onlangs in De Morgen liet optekenen op grond van ideologische en morele criteria van tafel geveegd met als enige resultaat dat ze er niet meer op liggen.
Het is intussen geruststellend dat de KANTL op de website erkent dat de gebruikte selectiecriteria voor de canon van de middeleeuwen tot Hugo Claus' Het verdriet van België (1983) en Harry Mulisch' De ontdekking van de hemel (1992) "er mee [hebben] voor gezorgd dat dit een canon van de witte man is. Wij verheugen ons weliswaar op een nabije toekomst waarin de literaire canon superdivers zal zijn. We zijn er ons bovendien van bewust dat het historische proces dat aan deze selectie voorafging is getekend (en vertekend) door uitsluitingsmechanismen en discriminaties op grond van afkomst, gender, taal en cultuur. Daarom willen we alert blijven voor het werk van (nu nog) onderschatte of zelfs onbekende auteurs die tijdens die selectieprocessen bewust of onbewust door de poortwachters van hun tijd werden tegengehouden. Voor hun werk houden we een plaats open in onze lijst. Tegelijk doen we een luide en welgemeende oproep om ons die plek te helpen invullen. De oproep is gericht tot wetenschappers, auteurs en andere artiesten van onze tijd, maar ook tot u, wie u ook bent" (de vet gemarkeerde woorden staan op die manier op de website: https://literairecanon.be/). Er is kortom het bewustzijn, bijgevolg: werk aan de winkel. Is het overigens niet de taak van een wetenschappelijke academie de daad bij het woord te voegen, het onderzoek te initiëren en niet alleen te constateren? Wie de canon voor zijn rekening neemt, moet er ook de beperkingen van onder ogen zien en de discussie daarover voeren. Het lijkt mij een uitdaging voor de academie. Want er dient wel wat bijgestuurd door de canoncommissie die in 2025 weer met een aangepaste lijst komt. Misschien moeten de selectiecriteria zelf wel ter discussie worden gesteld.
In december 2020 riepen de Gentse Studentenraad en enkele studentenverenigingen op in een open brief aan het universiteitsbestuur om werk te maken van en zich meer bewust te zijn van de noodzaak van dekolonisatie en inclusiviteit in onderwijspraktijken. De komende tijd worden onder meer literatuurlijsten tegen het licht gehouden, boekencollecties in bibliotheken doorgelicht op raciaal-etnische stereotyperingen. In de context van de Black Lives Matter-beweging plant de vakgroep Letterkunde de vermelde lezingenreeks over dekolonisatie en inclusiviteit.
In deze tweespraak met Sibo Kanobana wordt de canon op een andere manier ter sprake gebracht dan in Zwarte bladzijden. Moet in een beperkte titellijst van vijftig Nederlandstalige teksten (plus 'één blinde vlek'), met als exclusieve beperking dat de auteur is overleden en de literaire tekst (géén kinder- of jeugdliteratuur) minstens vijfentwintig jaar geleden is gepubliceerd, niet meer aandacht worden geschonken aan historische veelkleurigheid, dat wil zeggen: etnisch-culturele diversiteit, van Nederlandse literatuur? En dus aan een breed ideologisch-cultureel en evenzeer literair-esthetisch scala van teksten? Omdat een 'blinde vlek' neigt naar een gemakkelijkheidsoplossing, geef ik drie aanzetten voor een discussie.
_1
In het boekessay Dominantie. Waarom we denken wat we denken (Academia Press, Gent, 2020) bepleit Warda El-Kaddouri 'een flexibele en open canon'. Aanleiding is de licht aangepaste titellijst 'De canon van de Nederlandse literatuur' van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren. Zij gaat in op het publieke debat naar aanleiding van het schrappen van Jef Geeraerts' Black Venus uit de titellijst. "[D]e canon [is] niet alleen een historische lijst van klassieke meesterwerken, maar ook een hedendaags instrument voor leesbevordering en letterenbeleid in het onderwijs." Daarom is het verdedigbaar Geeraerts' eerste deel van de Gangreen-cyclus weg te laten. Tezelfdertijd stelt zij zich de vraag of met name het onderwijs niet "dé plek [is] om de racistische en seksistische stereotypering in Black Venus te bespreken". Omdat "het dekoloniseringsproces in het Vlaamse onderwijs nog in de kinderschoenen staat", rekent zij niet echt op veel kritische reflecties. Wie er nog aan mocht twijfelen hoe schofferend, seksistisch en racistisch Geeraerts' boek door lezers van kleur wordt ervaren, moet inderdaad maar de laatste bladzijden lezen in Nadia Nsayi's Dochter van de dekolonisatie (2020, p. 200 en p. 202). Niet alleen lezers van kleur trouwens. El-Kaddouri contesteert de kritiekloze wijze waarop we 'vanuit een bepaalde dominante tijdgeest' onze lijsten samenstellen. Ik denk dat de huidige tijdgeest, met maatschappelijke debatten over #Metoo en Black Lives Matter, er net toe aanzet in het onderwijs (en dus voor de leesbevordering), op het publieke forum, in de canondiscussie het veel meer over 'schrijvers van kleur' te hebben. Schrijvers met diverse etnisch-culturele achtergronden hebben 'hun stempel gedrukt op de hedendaagse Nederlandse letterkunde' en doen dat almaar méér. Omdat deze auteurs nog niet dood zijn, staan ze niet in de canon. Er zijn immers beperkende criteria: dode schrijvers + titels van meer dan een kwarteeuw oud. De canon is immers, zoals zij zegt en uit de maatstaven blijkt, een historisch document, bepaald door tijd en ruimte, niet 'een universele en tijdloze lijst'. Een 'historische canon' heeft een museale dimensie en hoort thuis in een museumkast met het opschrift: 'de literaire cultuur zoals zij was'. De oproep die zij formuleert is naast een historische canon (met boeken tot 1992) ook een actuele canon samen te stellen met recentere titels voor het onderwijs: niet met schrijvers in lijk, of met louter witte perspectieven, met overwegend mannelijke visies. Laten we werk maken van een bruikbare lijst, hedendaagse jongeren aansprekend, een meer maatschappelijk actuele literatuurlijst van Nederlandstalige romans en dichtbundels, wanneer we dan toch zo nodig lijsten moeten hebben, een overzicht waarin de culturele en etnische veelstemmigheid van onze literatuur aan bod komt. We hebben nood aan een appellerende literatuurlijst, niet alleen een relict.
_2
Wanneer je literatuur op school en aan de universiteit onderwijst, kun je jongeren in een multiculturele samenleving, cultureel en etnisch divers, in veelkleurige klaslokalen vandaag niet of maar moeizaam over de streep trekken met dode witte schrijvers. Vele jonge lezers voelen zich niet of weinig aangesproken. Daar zijn vele redenen voor te bedenken. Waarom behoren Surinaamse en Antilliaanse schrijvers niet tot een lijst met Nederlandstalige literatuur? Ik denk aan Anton de Koms Wij slaven van Suriname (1934), in 2020 eindelijk opgenomen in de Canon van Nederland (https://www.canonvannederland.nl/nl/antondekom). Er zijn inderdaad vele 'blinde vlekken': auteurs, mannelijk en vrouwelijk, die ten onrechte niet in beeld verschijnen. Er is alles voor te zeggen, wat de Nederlands-Caribische literatuur betreft, ook Frank Martinus Arion, Edgar Cairo, Cola Debrot, Ellen Ombre, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen in een canon aandacht te geven. Dat je die teksten niet leest zoals cultuurproducten uit de Lage Landen spreekt voor zich. Nederlandse literatuur in het Caraïbisch gebied vergt een andere leesbril, aandacht voor geschiedenis, cultureel leven, contacten met andere talen. Wanneer we dan toch 'sensitivity readers' invoeren, kunnen we ons misschien beter daar op toeleggen. Werk van Tip Marugg of Boeli van Leeuwen vergt een andere leesgevoeligheid dan meer eurocentrische titels van bijvoorbeeld Frank Martinus Aron (zoals het boekenweekgeschenk Dubbelleven, gezien de descriptieve stijl bestemd voor een Nederlands publiek). Laten we dus ook investeren in frames om die literatuur nauwer aan te halen. Astrid Roemer, de eerste laureaat van Surinaamse origine die de P.C. Hooftprijs (2016) ontving en nu is bekroond met de Prijs der Nederlandse Letteren (2021), kan worden gerekend tot de canon van de recente Nederlandse literatuur. Laten we ook enkele titels van de Nederlandse literatuur in Zuid-Afrika (in de koloniale en postkoloniale periode) en Nederlands-Indië op de lijsten zetten. Ik raad de studenten sinds dit jaar de lectuur aan van Jaguarman (2020), het auto-fictioneel boek van de jonge Nederlands-Surinaamse schrijver Raoul de Jong, waarin de ik-verteller op zoek gaat naar de slaven-voorouders ('het koninkrijk van de jaguar') en een positie claimt ten opzichte van de romans van Anton de Kom en Albert Helman. Bijvoorbeeld voor Zuid-Afrikaanse lezers is een boek als Jaguarman wellicht heel bijzonder, meer confronterend, appellerend. Veel meer dan canonieke teksten zoals De aanslag of Het verdriet van België. We hebben een historische canon nodig, maar dan met hedendaagse of toch minstens recente literaire satellieten: proza, poëzie en theater die in discussie gaan met of tegengewicht bieden aan, herschrijvingen zijn van canonieke teksten en inspirerend kunnen zijn voor het actuele literaire en maatschappelijke debat.
_3
Omdat een canonlijst een didactisch-educatieve functie heeft, zelfs een maatschappelijke impact – geen verplichte lectuurlijst maar een 'richtsnoer' en ter promotie van het literair erfgoed van een cultuurgemeenschap – zou het in het literatuuronderwijs moeten gaan over urgentie, maatschappelijke relevantie, esthetische keuzes. Naast artistieke aspecten over culturele, etnische, sociale en genderdiversiteit van literatuur. Vraag is natuurlijk hoe veranderlijke concepten zoals literatuur en cultuur (vanuit historisch oogpunt) worden omschreven. Is de cultuurgemeenschap vandaag niet net divers en meerstemmig? Resoneert die diversiteit in de canonlijsten? Op vele plekken in de wereld werd en wordt Nederlandstalige literatuur geproduceerd, soms helemaal aan ons westers oog onttrokken. Niet alleen de Vlaamse canon, ook cursussen Nederlandse letterkunde aan de universiteit en leeslijstjes op de middelbare school worden vandaag nog in aanzienlijke mate beheerst door een 'dominante tijdgeest', een dominantie die vandaag ter discussie staat. Meer schrijvers van kleur, wat ik elders een inclusieve kijk noem, laten de rijke diversiteit van de Nederlandse literatuur zien. Inclusiviteit is wellicht een minder hippe, maar des te adequater term, aldus Félicia Mukendi in een televisie-interview (24 januari 2021). De veelkleurigheid beheerst overigens de hedendaagse literatuurproductie. Wanneer ik mij beperk tot enkele Nederlandstalige dichters – al dan niet van Nederlandse of Belgische origine –, denk ik meteen aan Rodaan Al-Galidi, Akwazi, Simone Atangana Bekono, Dean Bowen, Radna Fabias, Asha Karami, Fouad Laroui, Lisette Ma Neza, Ramsey Nasr, Alfred Schaffer, Mustafa Stitou. Niet alleen vanuit synchroon perspectief – de auteursnamen die Warda El-Kaddouri vermeldt – maar ook historisch valt in de beeldvorming van onze literatuur wel wat te retoucheren. Ik kan vandaag aan de studenten niet langer uitleggen waarom we in het letterkundig onderwijs nog steeds zo weinig aandacht besteden aan titels in de Caribische en Indonesische literatuur, waarom vrijwel uitsluitend witte schrijvers en niet méér schrijvers van kleur op onze literatuurlijsten staan. Waarom niet meerdere canons aanbieden: naast de bestaande, volgens vastgelegde criteria, ook een Nederlandstalige literaire canon met teksten uit andere cultuurgebieden waar ook Nederlandse literatuur is en wordt geproduceerd in contact met andere talen en samenlevingen? Volgens mij moet dat niet gescheiden, maar veeleer geïntegreerd of gecombineerd, zeker wat een hedendaagse canon betreft. Ook voor de literatuur van vandaag is voor onderwijs en leesbevordering een 'richtsnoer' of 'gids' nodig. We kunnen er naar mijn bescheiden oordeel maar beter alles aan doen, vooral ook ten aanzien van jongeren in de klas en in het hoger onderwijs, het dominante discours te deconstrueren en kritische leesmethoden aan te leren. Door bijvoorbeeld met een eigentijdser beeld van de Nederlandstalige literatuur toen en nu naar buiten te treden.
Yves T'Sjoen (°1966) is hoogleraar moderne Nederlandse literatuur (Universiteit Gent) en voorzitter van het Arkcomité voor het Vrije Woord.
_Reactie van Sibo Kanobana
_Voorbij de drievuldigheid van natie, taal en cultuur
Als lezer laat ik me niet leiden door taal- en natiegrenzen. Ik aarzel niet om een boek in vertaling te lezen. Ik lees geen Japans, maar wel Murakami. Ik lees ook graag eens in het Engels, Frans of Duits. Omdat het kan. En al die literatuur beïnvloedt me. Mijn canon kan nooit afhangen van politieke of taalkundige grenzen. Mijn literaire beleving is liefst grenzeloos, en ik ben niet alleen. Voor Belgen zou dat eigenlijk een no-brainer moeten zijn.
Vlaamse literatuur heeft immers Franstalige wortels en vertakkingen. Zo hebben we Maurice Maeterlinck (1862-1949) en Emile Verhaeren (1855-1916), maar ik durf Marguerite Yourcenar (1903-1987) ook bij de Vlaamse literatuur te rekenen. Ze schaamde zich immers niet voor haar nauwe band met Vlaanderen, een band die ze zelf essentieel vond in haar ontwikkeling als mens en als auteur. Dat zijn geen uitzonderingen: Michel de Ghelderode (1898-1962), Suzanne Lilar (1901-1992), Françoise Mallet-Joris (1930-2016). En ik zou zelfs Jacques Brel (1929-1978) in dat lijstje opnemen.
Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw zijn er tweetalige Vlamingen die voor het Nederlands kiezen. Hendrik Conscience, wiens vader een Fransman was, is 'de man die zijn volk zou leren lezen'. Later zien we ook Cyriel Buysse, Virginie Loveling en Rosalie Loveling, allemaal tweetalige Vlamingen die ervoor kozen om in het Nederlands te schrijven. Eerder zeldzaam zijn auteurs die geen keuze maakten, en voluit voor twee talen kozen zoals de Gentenaar Jean Ray/John Flanders (1887-1964).
België en Vlaanderen en de literaire tradities die uit deze regio komen, zijn dus per definitie transnationaal en meertalig. Die complexiteit omarmen en zien als een meerwaarde, is essentieel, denk ik, om literatuur te verenigen met een wereldbeeld en een mensbeeld dat de negentiende-eeuwse drievuldigheid van taal-natie-cultuur ontstijgt en overtreft. Als we dat keurslijf loslaten, kunnen we op een onbevangen manier de Congolese literatuur zien die in het Frans is geschreven en onlosmakelijk verbonden is met de Belgische (en dus Vlaamse) geschiedenis.
Het zou te ver leiden om hier een overzicht te geven van Congolese, Rwandese en Burundese auteurs die onze aandacht verdienen. Een lijstje getuigt bovendien van weinig dynamiek. Toch kan ik dit hier niet schrijven zonder Paul Lomami-Tshibamba (1914-1985) te vermelden, wiens novelle Ngando in veel opzichten het begin markeert van de Congolese literatuur in het Frans. Ook in zijn latere werken werkt hij de thema's van vervreemding en cultureel conflict, die in Ngando aan bod komen, verder uit. Tevens kan Zamenga Batukezanga (1933-2000) niet onvermeld blijven, de populairste Congolese schrijver die gekend stond als filantroop en naar wie de Zamenga Batukezanga Literatuurprijs vernoemd is. Uit Rwanda is er uiteraard Alexis Kagame (1912-1981), een Rwandese filosoof, taalkundige, historicus, dichter en katholieke priester, die boeken schreef over de mondelinge geschiedenis, tradities en literatuur van Rwanda, zowel in het Frans als in het Kinyarwanda. Tevens is er J. Saverio Naigiziki (1915-1984), een literaire pionier uit Rwanda en auteur van het semi-autobiografische Escapade ruandaise (1949), een controversieel toneelstuk L'Optimiste (1954), en Mes transes à trente ans (1955), een uitgediepte versie van zijn eerste werk. Dat zijn enkele van onze literaire voorouders die schreven tijdens de kolonisatie. Maar vandaag is er een heel netwerk van schrijvers uit de voormalige Belgische kolonies die internationale erkenning krijgt en gevestigd is in Frankrijk, Canada, de VS, het VK, Oostenrijk of elders. Zoals de Rwandese Scholastique Mukasonga (1956) en Gaël Faye (1982), de Burundese Ketty Nivyabandi (1978) alsook Roland Rugero (1986) of de Congolese Fiston Mwanza Mujila (1981). Literatuur geschreven door Congolezen, Rwandezen en Burundezen is inderdaad zeer Franstalig maar ook zeer internationaal. En in die zin is het opvallend dat België, in tegenstelling tot zijn buurlanden, er nauwelijks in slaagt om de vertegenwoordigers van het culturele alsook literaire erfgoed uit de voormalige kolonies een plek te geven.
In de Nederlandse literatuur is het vandaag inderdaad niet meer te verantwoorden dat er zo weinig aandacht is voor Caribische en Indonesische bijdragen. Maar als Belg, als Brusselaar, als Europeaan, als Afro-descendent, als zwarte, en vooral als iemand die leeft in de eenentwintigste eeuw, meer dan twee generaties sinds het einde van de Europese bezetting van Afrika, is het voor mij onbegrijpelijk dat niet-zwarte Belgen zo weinig Congolese, Rwandese en Burundese auteurs kennen. Terwijl Dagboek van een Missionaris en Gangreen op mijn literatuurlijsten prijkten, werd ik nooit geïntroduceerd tot Kagame, Naigiziki, Lomami-Tshibamba of Batukezanga.
In mijn autodidactische zoektocht naar een postkoloniaal cultureel archief kwam ik in de Franse Caraïben terecht. Ik ontdekte in 1994 bij De Slegte Aimé Césaires bekendste werk, Cahier d'un retour au pays natal (1939), vertaald als Logboek van een terugkeer naar mijn geboorteland (1985). Mijn Frans is goed, maar ik was in Gent en ik vond de parel voor een prikje. Ik ontdekte dus Césaire in het Nederlands. Net zoals heel veel Belgische literatuurliefhebbers keek ik niet alleen naar België, misschien zelfs vooral niet, maar naar Frankrijk, Nederland, het VK, de VS, en Zuid-Afrika. Ik stelde me echter altijd de vraag: waar zijn die auteurs van kleur, waar zijn de zwarte auteurs?
In België leken die er niet te zijn. Ik hoorde er alleszins niets van. In Vlaanderen leek literatuur helemaal wit tot Chika Unigwe in 2005 met De Fenix als eerste zwarte persoon in Vlaanderen een Nederlandstalige roman publiceerde. Chika Unigwe is niet Congolees, Rwandees of Burundees, maar Nigeriaans. Haar tweede boek Fata Morgana (2008) publiceerde ze ook in het Engels als On Black Sisters' Street. Het boek werd een wereldwijde bestseller en Chika Unigwe genoot internationale faam en erkenning. In Vlaanderen bleef ze onder de radar. Waarschijnlijk omdat Chika Unigwe niet vermeed om over racisme te praten. Ze woont vandaag in de VS, maar ze schrijft nog steeds in het Nederlands. Haar laatste boek, Beter nooit dan laat (2021), is een verhalenbundel over Nigeriaanse migratie naar België, en haar laatste roman Zwarte messias (2014), over de achttiende-eeuwse zwarte abolitionist Olaudah Equiano, onthult een deel van onze gemeenschappelijke Afro-Europese geschiedenis die te vaak wordt miskend. Sinds de doorbraak van Chika Unigwe is er veel veranderd, veel gesproken, geluisterd en geschreven. Recenter is er nu het werk van Dalilla Hermans, Olave Nduwanjé, Lisette Ma Neza, Hélène-Christelle Muganyende, Lindah Leah Nyirenda, Sabrine Ingabire, Heleen Debeuckelaere en Nadia Nsayi, om maar enkele namen te noemen. Voor heel wat onder hen zijn taalgrenzen en natiegrenzen van weinig betekenis, de netwerken van inspiraties en interacties stijgen uit boven die structuren.
Maar we moeten toegeven dat onze visie op literatuur met raciale vooroordelen blijft worstelen, en dat die vooroordelen een essentiële rol spelen in de spontane selectie van verhalen die tot ons komen. De relatie die de Nederlandstalige literatuur heeft met het Afrikaans spreekt boekdelen. Die verwantschap werd immers niet alleen taalkundig begrepen, maak ook raciaal. Hoewel de meerderheid van eerste-taal-sprekers Afrikaans mensen van kleur zijn, was toegang tot witte auteurs altijd gemakkelijker dan voor auteurs van kleur, ook in de geest van de strijd tegen apartheid. Ik ben daarom beter vertrouwd met het oeuvre van André Brink, Antjie Krog en Breyten Breytenbach, dan met Adam Small of A.H.M Scholz. Het gaat dus niet alleen over ons ongemak om taal, natie en cultuur van elkaar los te wrikken, maar er zit ook een racial bias achter waardoor Vlaanderen magistrale werken zoals Congolese wiskunde (2008) van Brusselaar In Koli Jean Bofane (1954) niet de verdiende aandacht schenkt. We verschuilen ons dan weer achter taal, de taalgemeenschap, het keurslijf van natie-taal-cultuur en steken het daarop, zelfs al is het werk beschikbaar in Nederlandse vertaling. En zo kunnen we doen alsof Aimé Césaire géén deel uitmaakt van ons erfgoed, terwijl wat hij schrijft ons allemaal diep raakt. Want zoals Franz Fanon in Peaux noires, masques blancs (1952) schreef: 'de vervreemding van de zwarte is geen individuele vraag' (Fanon 1952: 4, mijn vertaling).
Het is een vraag voor ons allen.
Sibo Kanobana is verbonden aan de vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie (UGent) en legt momenteel de laatste hand aan zijn proefschrift.
De inleidende beschouwingen voor deze tweespraak zijn verwerkt in het boekessay van Yves T'Sjoen Opperlandse overpeinzingen van een neerlandicus (Woolf, Antwerpen, 2021) en vormen de aanleiding voor een maatschappelijke discussie over literatuur en canon. https://www.projectwoolf.be/product-page/opperlandse-overpeinzingen-van-een-neerlandicus
Kwintessens
-
_Yves T’Sjoen en Sibo Kanobana -
Meer van Yves T’Sjoen en Sibo Kanobana

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws