Kwintessens
Geschreven door Geert Lernout
  • 1984 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

19 april 2023 Geertchenfrage
In de tragedie Faust van Goethe verleidt de oudere geleerde een heel jong meisje dat Margareta heet (of Gretchen). Ze zien elkaar een paar keer en wisselen zelfs kussen uit (dat deden ze toen nog) en dan stelt Gretchen een heel duidelijke vraag:
'Nun  sag’, wie hast du’s mit der Religion?

Du bist ein herzlich guter Mann,

Allein ich glaub’, du hällst nicht viel davon.’

'Zeg eens, hoe zit dat met je religie?

Je bent een werkelijk goede man,

Alleen geloof ik dat je er niet van moet hebben.’
Faust is oud en wijs genoeg om de vraag te ontwijken, ondanks het feit dat het meisje blijft aandringen en op de duur zelf maar concludeert: 'Denn du hast kein Christentum’. Op zich is dat een juiste conclusie, want haar oudere vriend heeft tijdens de paasdagen vastgesteld dat hij niet gelooft in de wederopstanding van Jezus, en daarnaast heeft hij natuurlijk wel een pact met de duivel gesloten, of toch met diens vertegenwoordiger.
In de Duitse context, waar de vele graafschapjes en hertogdommen elk hun eigen christelijke godsdienst hadden, is de vraag relevant, maar het is duidelijk dat Gretchen vermoedt dat Faust helemaal geen christen is. Voor het eenvoudige meisje is dat blijkbaar geen probleem, want later wordt ze zwanger van haar herzlich guter Mann. En voor een intellectueel als Heinrich Faust (of Goethe zelf) was dit gewoon een optie: in de Duitse filosofie was op het einde van de negentiende eeuw Fichte van atheïsme beschuldigd, en eerder zorgde Spinoza voor het vreemde precedent dat een niet-jood en niet-christen blijkbaar toch een deugdzaam mens kon zijn. Gretchen vraagt dus niet of haar oudere vriend katholiek is, dan wel calvijns of luthers, maar wil van hem horen hoe een werkelijk goed mens geen christendom nodig heeft.
Daarop krijgt Margareta geen duidelijk antwoord, maar de uitdrukking 'Gretchenfrage’ wordt in het Duits nog altijd gebruikt voor een vraag die naar de kern van de zaak gaat, maar die de spreker eigenlijk niet wil of niet kan beantwoorden. Toen ik nog zetelde in doctoraatsjury’s, werd ik berucht om een dergelijke vraag die men dus een 'Geertchenfrage’ zou kunnen noemen. Met uitzondering van de eerste keer dat ik ze stelde, was het een wegwerpvraag: de doctorandus/a/x kon het antwoord lang op voorhand formuleren en uit het hoofd leren.
Jammer genoeg kreeg ik net als Gretchen maar heel zelden duidelijke antwoorden en dat zegt iets over de manier waarop wij vandaag het wetenschapsbedrijf organiseren. Mijn vraag was: je hebt nu vier jaar aan één thema kunnen werken, wat vind jij, op het einde van dit traject, je belangrijkste bijdrage aan de ontwikkeling van de menselijke kennis? Wat weten we nu, dat we zonder jou niet zouden weten? Dit leek me van in het begin een goede openingsvraag, maar ik leerde om ermee te wachten omdat de kandidaten vaak in problemen kwamen, zeker diegenen die niet zo vlot rond de zaak konden lullen als Heinrich Faust.
Toen ik zelf in Canada aan mijn doctoraat werkte, woedde er op tv een reclameoorlog tussen de hamburgerketens: Burger King beweerde dat die van McDonald’s te weinig om het lijf hadden en dus zonden ze een filmpje uit met een oud mevrouwtje die aan de toog van McDonald’s haar burger opende met de vraag, 'Where’s the beef?’ Dat was ook een Geertchenfrage.
Maar is dit niet heel erg merkwaardig? Iemand die op dat ogenblik een belangrijk deel van zijn/haar volwassen leven heeft besteed aan wetenschappelijk onderzoek zou toch in staat moeten zijn om te zeggen waarom die investering in tijd en energie de moeite waard was? Ik vind het nog altijd jammer dat er niemand op mijn eigen verdediging in Toronto die vraag heeft gesteld, al was het maar als opwarming. Natuurlijk wist ik wat ik had gevonden, ik had er toch zelf naar gezocht?
Dat is het verschil tussen een doctorandus in de jaren tachtig en iemand vandaag: ik heb zelf een onderzoeksveld gezocht en er zelf mijn weg in moeten vinden. Van mijn generatie studenten was ik nog vrij snel: de meeste van mijn collega’s kregen (of namen) de tijd om een onderwerp echt uit te spitten. En we waren sowieso maar een klein groepje, in de humane wetenschappen.
Vandaag is de universiteit een doctoratenfabriek waarbij het aantal véél belangrijker is dan wat er in staat. Het grote werk wordt vooraf door de prof gedaan, die zoekt een onderwerp in het verlengde van het eigen onderzoek: er is een bibliografie, er worden werkplannen opgesteld, targets en benchmarks geïdentificeerd, en in het beste geval worden de eerste resultaten al meegedeeld. Dan gaat een jong persoon daarmee aan de slag, die al tijdens die eerste periode liefst zo veel mogelijk van de resultaten in publicaties moet gieten, want ook het aantal bladzijden (niet de inhoud) zit in het betaalmodel van de universiteit.
Geen wonder dat er net een jonge Spaanse prof (44) opdook die in een modieus (en exact) onderzoeksgebied alleen al in 2023 om de 37 uur een nieuwe publicatie kon voorleggen (58). Toen hij werd ontslagen wegens fraude, zei hij dat zonder hem zijn universiteit nu 300 plaatsen zou zakken in de Shanghai ranking.
Dit alles kan dus veel efficiënter: om een van de meest geciteerde onderzoekers van de wereld te worden, gebruikte de Spaanse prof het AI programma ChatGPT (naast gewone fraude). We hebben die doctoraatsstudenten helemaal niet meer nodig. Maar voorlopig moeten we die Geertchenfrage maar blijven stellen.
Kwintessens
Geert Lernout is professor emeritus aan de Universiteit van Antwerpen waar hij Engelse en vergelijkende literatuur doceerde. Hij publiceerde in het Engels over het werk van James Joyce en in het Nederlands over de geschiedenis van het boek, over Bachs Goldberg Variaties, over openbaringsgodsdiensten en Amerikaanse religie.
_Geert Lernout -
Meer van Geert Lernout

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws