Kwintessens
Geschreven door Lukas De Vos
  • 1125 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

4 augustus 2023 De behoefte aan Gotlib (1934-2016)
De wereld gaat aan schijt ten onder
De slaaf houdt de meester in stand. De gelovige legt de goden aan de beademing. De wereld vernietigt zichzelf door de drievuldigheid: spijt, schaamte en onderwerping. Dat is dan ook het hoofdthema van de grootste agent provocateur die de stripwereld ooit gekend heeft: Marcel Mordekhai Gottlieb, hemelbestormer, atheïst en pleitbezorger van het gezond boerenverstand in ongekunstelde taal. Er wordt in zijn kortverhalen – aan een volwaardig album is hij nooit toegekomen – geboerd, gebraakt, gescheten, geveest, geboeleerd, gehaat, ontzegd en gefreud dat het niet schoon meer is. Maar des te meer onontbeerlijk in een tijd dat het vingertje dat wordt opgestoken wereldwijd een voorhamer is geworden. Op Gotlib zijn de woorden van toepassing die Pierre Desproges in 1982 Jean-Marie Le Pen voor de voeten wierp: ‘Als het waar is dat humor de beleefdheid van de wanhoop is, dat de lach godslasterlijke heiligschennis is die de kwezels van alle gezindten voor plat en smakeloos houden, dat die lach soms onverstand voor schut kan zetten, echt verdriet kan bezweren en dodelijke angsten kan uitdrijven, ja, dan kun je, nee dan moet je met alles lachen’ (geciteerd in Thierry Groensteen, Gotlib. Un Abécédaire. Brussel, Les Impressions Nouvelles, 2019). Humor moet ijzig en genadeloos zijn. Taal, zoals Orwell het wou, rechtlijnig en niet gecamoufleerd. Kunst ontdaan van alle inhibities.
In deze tijd van conservatief herstel en contrareformatie zucht de kunst (om maar Salman Rushdie te noemen) en vooral de radicale strip onder vervolging (de schetsmatige cartoons over Mohammed in Jyllands Posten van 30 september 2005 zeggen genoeg), haatspraak en verbanning. Gotlib erkende ruiterlijk dat wat Le Professeur Choron in Hara Kiri of hijzelf tekenden in de ongebonden ontdekkingsjaren zestig en zeventig vandaag niet meer zou kunnen. Al ontkende hij in 2004 elke politieke drijfveer: ‘Moi, je n’avais pas du tout l’impression de m’élever contre la société, faire la révolution et tout ça. Une fois, je suis tombé sur le cul: en mai 68, quand tout le monde était très politisé, j’ai dessiné deux pages … sur la tortue’ (Nova, 5 december 2016). Hij verwijst dan eerder naar de ongeremde ridiculisering van de ayatollahs met hun dubbele moraal, ondeugden en vettige seksdrift in Hara Kiri en naar zijn eigen ‘kortverhalen’, die evengoed de fanatieke gelovigen als de zelfingenomen (en zelfbenoemde) politieke en economische leiders belachelijk maakten. Ook Gotlib is niet min voor alle valse profeten die hun lusten botvieren op onschuldigen. Ik schreef het al in 2017: ‘Wie zich zoals Mohammed vergrijpt aan negenjarige meisjes is niet beter dan die andere profeet Jezus. In Rhâ-Gnagna II (1980) treedt Jezus op als klunzige goochelaar. Hij vermenigvuldigt onder luid applaus van de apostelen brood en wijn, en wil dan in één ruk het tafelkleed wegtrekken van onder het eten. Loopt grandioos fout. Christus, de Tommy Cooper van de bijbel.’ Schijnheiligheid is het wezen van de macht. Ik denk dan in de eerste plaats aan het nijdige God’s Club (1974, 12 platen; eerst verschenen in L’Écho des Savanes, 1973) en aan het tragische ‘melodrama’ L’Amour en Viager (in Rhââ Lovely, 3, 1978, 10 platen).
God’s Club is een unicum. Daar is een reden voor. ‘Je suis avant tout un athée’, verklaart hij in Le Monde (13 maart 2014). ‘Mais d’un autre côté, je suis juif en si je ne l’étais pas, je serai également athée’. Dilemma! Want het godendom ontkennen brengt hem in het vaarwater van de existentialisten. L’Être et le Néant van Sartre ‘impliceert een opvatting over de zelfrechtvaardiging van moraal’, stelt Herman Philipse in Atheïstisch Manifest en de Onredelijkheid van Religie (2004). ‘Morele waarden kunnen niet gebruikt worden om onze keuzen te rechtvaardigen, want ze zijn het product van keuzen. (…) Het is een kenmerk van morele normen en waarden dat ze pretenderen te gelden voor alle mensen.’ Die aanmatiging veegt Gotlib op een hoopje door een vrij simpel plot. Geboden en verboden zijn het ingebeelde voorrecht van álle goden, en dus laat hij de butler met pruik en in livrei aankondigen dat de gasten van ‘Monsieur Jupiter’ zijn aangekomen. Eén voor één stappen ze binnen op zijn Olympos: Claude Allah (‘Salamalek’), Louis Buddha (‘Hare Krisjna’), Robert Wothan (‘Heil!’), Gaston Jehovah (‘Sjalom’) en Jezus Christus (‘ook Sjalom’, omdat hij niet beter weet in aanwezigheid van zijn joodse vader). De grootste wereldgodsdiensten houden een aparte partouze, als gelijken onder elkaar, ze zijn inwisselbaar. Het kneusje op dit Davosfestival is natuurlijk de god der christenen, die al voor sampamper ligt na twee glaasjes bubbel, knorrig de anderen kapittelt over onheus woordgebruik en sigaren, zich verwondt aan zijn doornenkroon, niks begrijpt van (joodse) humor, een donderscheet van Jupiter in het smoeltje krijgt, bij schunnig vertier zichzelf mismoedig (en zat) probeert af te rukken (‘J’aime tout le monde. Et moi, personne. Personne peut me blairer alors’), tot ‘le bon Vladimir’, de butler, met een missive komt. Telegram. ‘Ce sont les voisins d’en-dessous. Ils se plaignent. Ils disent comme ça que vous … faites trop de bruit.’ Stentorgebrul van leedvermaak bij de goden. ‘Die mensen! Steken ze maar oordopjes in.’ Het muziekvolume gaat nog hoger, geschater op de Olympos. Tot de bedremmelde butler in angstzweet een tweede missive brengt: ‘Dan gaan ze verhuizen en kunnen jullie zelf maar de huur betalen.’ Consternatie. Wat zijn goden zonder aanbidders? Jupiter heeft de oplossing. Pakt de telefoon en belt Dupont & Co. op, de Algemene onderneming voor het geluiddicht maken van de muren. ‘Votre nom? … Hoe zegt u? Ha, zoals in Zeus. Ja, natuurlijk … uw adres ….’
Daar valt veel lering uit te trekken. Het zijn de mensen die zich begoochelingen maken, maar als het erop aan komt, moeten zij de zaak wel oplossen. Niks dwazer dan te buigen voor luidruchtige bovenburen. Ze zijn toch eigen fabricaat. ‘We sakkeren en foeteren niet meer’, zuchtte Gotlib in 2004 (Le Libraire, 17 juni). ‘Ik weet niet goed hoe ik die verschuiving in de geesten moet uitleggen. Ik denk dat er vroeger minder sociale problemen waren. En dus kunnen we nu steeds moeilijker parodiëren. Over korte tijd zal de werkelijkheid samenvallen met de fictie.’ En verliest zelfspot alle eigenheid. Als vanzelf heeft nochtans Gotlibs zelfrelativering (ach, wat toont hij zich graag als Romeinse keizer met lauwerkrans op een troon, om die futiliteit te ontkrachten) tot een heel nieuw stripgenre geleid: het verhaal zonder held, het andere uiteinde van de Marvelstal. ‘Ik heb geen helden’, zei hij in 1973, ‘alleen personages die ik geregeld heropvis’. Newton en zijn appel in de verschillende afleveringen Rubriques-à-Brac (stompzinnig in de Nederlandse albums vertaald als Waanzin-Waanzuit); Gai-Luron, de slome bassethond naar het voorbeeld van Tex Avery’s Droopy (iets aanvaardbaarder vertaald als Lobbes, hoewel de Franse benaming eigenlijk flierefluiter, of voor de Hollanders, geinponem betekent); de naamloze bolhoeddrager die de vreugde van de publiciteit aanprijst, geruggesteund door Miss Laetitia (Alexis & Gotlib, Dans la Joie Jusqu’au Cou, 1979, met korte beeldverhalen uit Fluïde Glacial dat hij stichtte op 1 april 1975), lang voordat Bart Peeters in De Show van Bosmans Jos ‘ons Irène’ had bedacht; Momo de afstotelijke maar overtuigd christelijke Platluis, het alter ego van de ‘gatenvuller’, het lieveheersbeestje dat aan alles knauwde, ook aan de omlijning van elk kader in de strip, en nukkige commentaar geeft op wat zich afspeelt in het verhaal. Meynen heeft er ongetwijfeld zijn babypanda aan overgehouden die wekelijks de Belgische politieke besluiteloosheid afschiet van een regering die zich ondanks alles vastklampt aan haar mandaat.
Maar de afzonderlijke stukken en de vaste personages, met voorop Pervers Pépère, zijn altijd rijker, libertijnser en stuitender dan de verteerbaarder kortstrips. Pervers Pépère is door een gepatenteerde oen in Holland vertaald als Koos Voos, een verkrachting die kan tellen door de verfraaiing en dus leeggelopen betekenis van de Franse benaming – het zou me niet verbazen dat de vertaler bij Arboris geen gebenedijd woord Frans verstaat. Net zomin als Hamster Jovial, die als Hamster Joviaal moet voortleven. Nee, dan was Baard en Kale geschikter toen Tif et Tondu werd omgezet, en moest men zich niet forceren om Ric Hochet (ricochet  betekent terugkaatsen, afketsen) tot Rik Ringers om te dopen, of Jean Valhardi in Jan Kordaat. Dan benadert de vertaling bij Casterman veel nauwer de originele opzet: Pervers Pépère werd in het Nederlands Vunzige Va, Hamster Jovial kreeg de best geloofwaardige totemnaam voor een padvinder, Joviale Hamster.
Pervers Pépère leeft van de omkering aller waarden. Hij lijkt verschrikkelijk op een boze heks uit de Disneywereld, met een lange, haakse druipneus, een sleetse gabardine en een slechte inborst die net door onverwachte goedheid écht pervers wordt. Het laatste prentje brengt hem steevast tot een orgastische flikker omdat hij de ander heeft beetgenomen. Voor de vuist weg komen mij ettelijke volte-faces voor de geest zonder dat ik de albums hoef te raadplegen. Ik zie hem buitenklankopnamen maken met zijn nagra, gekreun van een gewichtheffer, stromen water uit een fontein, de kreet van een meisje dat hij in de arm knijpt, een kassei die in het water valt, een drilboormachine. Trekt zich daarmee terug in een openbaar toilet en speelt alles af op volle klank tot afgrijzen van de wc-dame die wegduikt achter haar tafel. Kwijlende genotsuitbarsting. Ik zie hem een prik halen bij de verpleegster en hij flasht zijn jas open – om een kont te tonen voor zijn buik. Exit een krijsende zorgdame, de muur begeeft het bijna van de keren dat hij bulderend zijn hoofd ertegen slaat. Ik zie hem op een rustbank zitten, terwijl naast hem een pastoor knikkebolt en de Morfeus binnenlaat. Pépère knoopt diens broek open, en roept een politieman die razend de geestelijke inrekent voor zedenschennis. Dolle pret. Ik zie hem kilo’s look eten, en dan een duizeling voorwenden. Eerste hulp bij ongevallen geeft hem mond-op-mondbeademing. De hulpvaardige man keert zich kotsend af, en leegt zijn hele maaginhoud op straat. O vreugde. Ik zie hem een hoertje in zijn kamer lokken ‘om zijn postzegelverzameling te laten bekijken’. Wat precies is wat hij doet. Hilarisch, net als het afspraakje met de man die lekker wil pijpen. Afspraak in het park. Cadeautje van Pépère, een grote Beierse briarpijp. Hilarisch. Ik zie een meisje dat hem achter haar hoort stappen, het op een lopen zet, tot hij haar voorbijsprint en op een rugbybal duikt. Goddelijk. De meeste zijn in Fluïde Glacial verschenen.
Gotlib beweert, volgens Kjell Knudde op de webstek van Lambiek (4 oktober 2022), dat hij de inspiratie voor Pépère vond in de platen van de Amerikaans stand-upcomedians Cheech (Richard Marin) en Chong (Tommy Chong). Er bestaat inderdaad een Uncle Percy op, een waanzinnige discussie van 3’11” waarin ene Bruno een scheet laat die zijn kont in brand steekt. Een spoof ongetwijfeld van de Franstalige Vlaamse dichter Emile Verhaeren, die nog altijd met natte voeten begraven ligt in de Scheldebocht van Sint-Amands. Gotlib verweeft de schunnige tekst van Verhaeren J’Ai le Feu met variaties op het scoutslied Flamme Pure, Flamme Légère – beter bekend als Élève-toi, Flamme Légère nog ‘gecomponeerd door Mendelsohn’ (die overigens zelf een begenadigd tekenaar was). Het lijkt eerder op de Walpurgisnacht van Mendelsohn (Opus 60, IX) en het libretto dat op Wagner steunt, met het zinvolle druïdevers ‘Die Flamme reinigt sich vom Rauch: so reinig unsern Glaube’.
Verhaerens gedicht is moeilijk te vinden, want past niet bij de verheven, om niet te zeggen bombastische (of door hemzelf bombastisch voorgedragen) spotverzen: ‘Le lsouci, c'est que j’ai le feu à l'entrejambe /  J’ai le feu dans mes tripes / Si maintenant tu nous arnaques, j’ai le feu vert / J’ai le feu vert et le rouge arrive tout de suite / J’ai le feu aux fesses / J’ai le feu, tape moi.’ Wat Gotlib kunstig omzet in: ‘J’ai le feu au cul / Quand je pète ça sent le brûlé / Au feu les pompiers!’ (Rhââ Lovely 2). Het is een windbuil die zich daarover opwindt. Zeker Baden Powell zelf niet, die figureert in Hamster Jovial en in plaats van een misdienaar in korte broek een oversekste grootvader van Pervers Pépère lijkt, en zich vergrijpt aan de welpjes – twee veel te slimme jongetjes en een meisje dat van veel te veel wanten weet. De naîeve Kumbayagitarist die vastzit in schaamte en seksuele pudeur, hopman Hamster.
Ik geloof veeleer dat Uncle Percy verwijst naar Uncle Ernie, in de rockopera van The Who’s Tommy (1969), in de uitvoering van 1972. Rockmuziek was een obsessie voor Gotlib. In Hamster Jovial opent hij met parodieën op de succesgroepen en undergroundperformers van zijn tijd, Ian Anderson van Jethro Tull (Hamster eindigt verneukt met de dwarsfluit door zijn kaak), Joe Cocker (Hamster versteent en valt in brokken uiteen), De Rolling Stones (Hamster wordt verkracht door de drie welpjes die hem in de full monty achterlaten), Frank Zappa (die Hamster opzadelt met een knoert van een ontgoocheling bij ‘Oenis Dimension’), Elvis Presley (Hamster platgekust door het meisje), Jesus Christ Superstar (Een doornenkroon met onverwachte gevolgen), Magma (hun onbestaande taal lokt een buitenaards wezen aan dat Hamster meepakt), Captain Beefheart wiens rauw gerochel het diepste in hem blootlegt – de inhoud van zijn maag, én Tommy, jawel, die Hamster doet uitbarsten in een gewelddadige bui.
De dierlijke drummer van The Who, Keith Moon (zo dierlijk en onverstaanbaar als de moderne kinderen die terugkeren in het stenen tijdperk in de cultfilm Themroc die Gotlib pasticheert, net als The Bride of Frankenstein, The Exorcist, en diergelijke), speelde in deze rockopera de rol als geile oom van de doofstomme, blinde pinball wizard. Zijn stem wordt daarin meesterlijk vertolkt door Ringo Starr van The Beatles. De opvoering gebeurde met het London Symphony Orchestra, en Uncle Ernie krijgt de achtergrondsteun van het English Chamber Choir bij zijn twee kwijlende tussenkomsten, ‘Fiddle About’ waarin hij de weerloze Tommy wil verkrachten, en ‘Tommy’s Holiday Camp’, waarin hij niet afkerig is van groepsseks met olijke jonge meiden (‘Buy your way to heaven / That comes to one pound seven’).
Seks gaat alleen om de seks, nooit om porno. Seksvrees is immers opgelepeld, geen onnatuurlijke drang. Stichtend is één bladzijde in Rhâ-Gnanga zonder spraak, alleen babygeluidjes, smakjes en plakjes. Een moeder komt uit het stortbad en vertroetelt haar zoontje, wast hem, droogt hem, talkt hem, knuffelt hem, kust zijn billetjes, streelt hem, tot opperste zaligheid van de kleine. Laatste strip: Ze föhnt haar natte haar, keert zich om en tracht zich in allerijl te bedekken: het piemeltje lurkt wat omhoog. Slot: billenkoek.  Er zit wel iets dwangmatigs in Gotlibs vleselijke fascinaties. Ik denk dat daar twee redenen voor zijn: zijn drang om afscheid te nemen van zijn kinderjaren; en zijn verwerping van elke dwang en censuur. Dat laatste dient wel met een korrel zout genomen. In een gesprek met Antoine Tanguye (2004) wil hij overheidstoezicht niet vermaledijden. ‘A l’époque de L’Écho des Savanes’ - zijn meest scabreuze periode – ‘Nous étions trois, Mandryka, Clare Brétécher, moi. Nous n’avons eu aucun problème, et ce, même si nous vivions sous un gouvernement plutôt strict’. Inderdaad, het was pas president Valéry Giscard D’Estaing die het ministerie van informatie (dat de censuur oplegde) ophief in 1974. Zeker voor de film was dat belangrijk: van de 520 films die dat jaar geproduceerd werden waren er vele erotisch of pornografisch. De volgende presidenten bekrachtigden de afschaffing van de politieke censuur, maar de economische bemoeilijking werd wel aangescherpt. Nog maar een paar jaar geleden dacht Emmanuel Macron er ernstig over na de perscensuur opnieuw in te voeren, in samenwerking met Facebook, want vooral de anonieme stukken op het net gaan hun boekje te buiten. Dat moet Gotlib niet meer meemaken. Tot 2015 bleef trouwens een noodwet in voege, die nog stamde uit de tijd van de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd en die legeroptredens moest afschermen. Die wet gold dan ook voor het vroegere Frans West-Afrika, van Mali en de Centraal-Afrikaanse republiek tot het inzetten van het Vreemdelingenlegioen. Overigens was Parijs toen wereldleider in het blokkeren van Facebookberichten. In 2015 blokkeerde het 38.000 bladzijden, India volgde met 30.000 en Turkije met 6.600. België kwam niet voor in de lijst. Pas na de aanslagen van 2015, onder meer op Charlie Hebdo, werd elke controle op de pers officieel opgedoekt, zij het dat Amnesty nog in 2021 vaststelde dat op 180 onderzochte landen inzake persvrijheid Frankrijk maar op plek 34 stond. In de dagen van Gotlib vocht Hara Kiri nog geregeld een robbertje uit met het gerecht. Binnenlandse Zaken verbood bv. de uitgave van dit ‘journal bête et méchant’ omdat ze ‘gevaarlijk voor de jeugd’ was. Het blad had namelijk uitgepakt met een subversieve titel na de dood van Charles de Gaulle: ‘Bal tragique à Colombey: un mort’. Het was de doodsteek voor het blad, aldus Cavanna, die het een week later toch weer fikste: ‘Hara-Kiri est mort, vive Charlie-Hebdo’. Parijs stond alweer in de kleren van de keizer.
In die zin is het opvallend dat Gotlib, mogelijk omdat hij nooit politieke bijbedoelingen had, nooit is lastiggevallen door de politie. Toch past daar een toegedekte aantekening bij. Hij kwam wel degelijk op voor het commerciële belang van de stripindustrie. In 1979 publiceerde hij samen met Georges Wolinksi (dezelfde die in 2015 bij de radicale moslimoverval op Charlie Hebdo werd afgemaakt) een manifest tegen een politiek sluikse wetsverandering. In Á bas la Censure Hypocrite (Métal Hurlant, nr. 38, februari 1979: 2) verzetten zij zich tegen de uitbreiding van de bevoegdheid die in 1949 werd toegekend voor jeugdbescherming aan een raadgevende Commissie voor Toezicht op uitgaven die afgestemd zijn op Kinderen en Adolescenten (Wet van 16 juli 1949, artikels 1 en 3). Voortaan was en stoemmelings al in 1958 en veel drastischer in 1978 beslist om alle volmachten aan de minister te geven, die voortaan álle publicaties, ook voor volwassenen, kon inhouden of de verspreiding ervan verbieden. ‘C’est l’arbitraire total’, schreven de striptekenaars, ‘sans recours possible. (…) Cette loi détournée à des fins d’opportunité politique, cette loi d’un coup d’État, doit être ramenée et strictement cantonnée à son propos d’origine: la surveillance de la presse enfantine’. Centralistisch bestuur is de facto wereldvreemd, was de teneur. Je moest maar een King Kong, zoals in de film van 1933 met Fay Wray, hangend aan de Empire State Building tegenkomen (Gotlibs La Tour Infernale in Rhâ-Gnagna, 1980). Als iedereen denkt dat een aardbeving scheuren en instortend puin veroorzaakt – in 2001 dachten ze aan vliegtuigen die zich te pletter stortten op de Twin Towers – terwijl lijkt dat de reuzenaap gewoon de wolkenkrabber aan het neuken is en zijn zaaduitstorting  voor een vloedgolf binnenin zorgt. Wat dan met de kinderen ? De tekst van Wolinski en Gotlib werd overgenomen door alle grote stripuitgevers (Casterman, Dargaud, Les Humanoïdes Associés, Éditions du Fromage en andere).
Maar Gotlib had grotere zorgen met zijn vrienden, en dan vooral met Goscinny, die hij zeer bewonderde, maar die hem zijn ontslag bij Pilote nooit vergeven heeft. Hoewel hij zijn eerste strips al in 1959 gepubliceerd had (Le Général Dourakine, nog in klassieke Toonderstijl, met tekst onder de prenten, naar de roman van de gravin van Ségur), kwam hij echt tot ontbolstering onder de hoede van Goscinny. Dat leverde eerst twee albums op, Les Dingodossiers (1967; 1972), maar vooral toch de Rubriques-à-Brac, die in den beginne nog wat didactisch waren en eerder een onvoldragen stijl te zien gaven. Maar al in de tweede stripverzameling van de reeks (in totaal zouden er vijf komen) is toch een revelerend verhaal opgenomen over hoe hij zijn jeugd inschatte. In Comment Il Naquit voelt hij zich al verstoten door zijn vader, een kolenbrander. Hij wil niets weten van een zoon die striptekenaar wil worden: ‘Tu veux mon pied aux fesses? Laad liever nog drie ton anthraciet af’. En dus verdient de jonge Gotlib zijn kost door appelkratten te verslepen in de Hallen. ’s Nachts probeert hij appels natuurgetrouw te tekenen. Tot hij in slaap valt, en de appel op zijn kop valt: Newton is geboren. De fictie heeft de werkelijkheid opzijgeschoven. Want Gotlib heeft zijn vader amper gekend. Zijn ouders waren uitgeweken Hongaars-Roemeense joden, hijzelf is geboren op de nationale feestdag van 1934, 14 juli. Met zijn moeder en zus namen zij de wijk naar Normandië (in Vigneux-sur-Seine en Eure-et-Loir) toen de nazi’s Parijs bezetten. Zij zullen ontsnappen aan de wegvoeringen, al houdt Gotlib geen goeie herinnering over aan de antisemitische vrekken van boeren bij wie ze ondergedoken zaten: ‘C’étaient des ordures, mais en même temps, on leur doit la vie’ (Libération). Zijn vader Elvin, een schilder, werd in 1942 verraden door de huisbewaarder van het flatgebouw waar hij woonde, en gevankelijk afgevoerd naar het concentratiekamp voor politieke gevangenen Buchenwald. Hij zou 1945 niet overleven. Doodgeschoten. Marcel Gottlieb ging van school af in 1951. Met avondcursussen volgde hij kunstonderwijs aan de hogeschool Dupetit-Trouard.
De oorlogservaring heeft een diepe indruk op hem nagelaten, wat wellicht zijn fixatie verklaart op de kleuterjaren, op zijn afkeer van massa’s; en de weerzin voor zinloos geweld. ‘De ce traumatisme initial, il tirera sans doute sa mélancolie profonde, sûrement sa tendance à se chercher des pères de substitution, sans doute aussi à fuir devant l’engagement et le militantisme’, schrijft Laurent Dandrieu in een bespreking van twee heruitgegeven Rubriques-à-Brac (Valeurs, 25 februari 2019). Hij valt terug op zichzelf als enige (on)zekerheid, en beseft dat hij zich moet neerleggen bij wat hij niet kan veranderen. Wegmoffelen dus, de machten die hem te boven gaan. God en keizer. God komt geregeld in zijn verhalen terug, maar het is een oudtestamentische god die torenhoog boven de mens uitsteekt, en dreigend over de nietige mens oprijst (La Coulpe). Die macht is zelf mensgegeven, reden waarom Gotlib hem bij voorkeur afbeeldt als een mengeling tussen de Golem (onbesneden) en de Moai (onbeweeglijk) van het Paaseiland. De goden zijn een maaksel dat ons kan verpletteren, zeker als het omvalt. Tegen dat zelfbedrog is maar één remedie: l’humour grinçant, tandenknarsend jezelf en je schepsels uitlachend. In La Coulpe voert hij zichzelf op als klein joods scholiertje. Hij toont hij een vriendje zijn jodenster. Als die dichterbij kijkt, spuit hij hem nat in het gezicht. Wilde triomf: ‘Je viens de saisir le sens de l’expression ‘humour grinçant’! De beaux jours se préparent !’
Het sterkst en uitdagend komt die sardonische satire tot uiting in de drie Rhââ Lovely albums. De titel alleen al verwijst naar het doorbreken van taboes. Hij komt uit Frenzy (1972), de laatste Britse film van Alfred Hitchcock waarin de seriemoordenaar Robert Rusk (Barry Foster) zijn eerste wurging met een stropdans toepast op Brenda Blarey (Barbara Leigh-Hunt) en haar stervensnood begeleidt met een hees ‘lovely, lovely, lovely’. Dood en seks, la petite mort is nooit ver weg, bolussen en bloed evenmin. De volgens Gotlib mildere reeks Rhâ-Gnagna ontleent zijn titel gewoon het straatjargon voor maandstonden. Les Belles Histoires de l’Onc Jujube zijn een doorzichtige doordruk, zij het minder schools opvoedend, van Oncle Paul, kortverhalen in ten hoogste zes platen van verschillende tekenaars in Robbedoes, wat in het Nederlands Uit de Verhalentrommel van Oom Wim heette. De omkering van de moraal verleent Gotlibs imitatie een aandoenlijk ontluisterend effect, al past het perfect bij zijn levensopvatting. Bij hem steelt een vos een lammetje van het herdenhoedstertje, ‘and Oncle Jujube draws a singularly unfitting moral conclusion: “L’intelligence et la ruse finissent toujours par triompher de la force brutale”’ (Matthew Screech, ‘Gotlib’s Progress’, Belphégor, 11 februari 2007).
De impact van Gotlibs onbehouwen humor heeft veel te danken aan de bijzonder zwierige, dik aangezette en zeer beweeglijke stijl – die maar één gelijke kent: André Franquin. Die Gotlib als zijn voorbeeld bewondert. Achtergronden en kleuren zijn eigenlijk zijn meug niet. ‘Je ne sais pas planter une persoective, des trucs comme ça, donc petit à petit j’ai eu tendance à éliminer les décors, en pour nepas que ça fasse vide, il a fallu que je trouje autre chose qui était dans mon tempérament à moi’ (geciteerd door Florence Dartois in INA, 1 december 2021) . Er is nochtans geen leegte in de vakjes, allerlei mogelijkheden vullen elk beeld: invulling met een aandachttrekkend lieveheersbeestje, uitvergroting, doorbreken van het kader zoals Druillet dat ten top drijft, driedimensionalisering door rechtstreekse tussenkomst van de lezer in het beeld, een bevreemdende metascene (met name in ‘Merry Go-Round’, Rhâ-Gnagna II, zijn er uitzonderlijke tekstblazen die van buiten komen. Een lezer kapittelt de auteur zelf dat het verhaal niet opschiet, waarop vergeefse pogingen worden gedaan om de lezer-kijker in het beeld te halen). Maar vooral de gesuggereerde spastische bewegingen, met sterretjes en emoji’s en spermaplakken en rondspattend braaksel en zweetdruppels, geven een dynamiek aan de voortgang van het verhaal die kleur overbodig maken. Van temperament gesproken! Dat het best tot zijn recht komt in zwart-wit. Aangepast aan de zwaarmoedigheid waarmee hij lange jaren te kampen had. En herkenbaar bij Franquin, verwante zielen. Het is op Gotlibs aandringen dat de mensenschuwe Franquin uiteindelijk wil meewerken aan Fluide Glacial – niet met Robbedoes dat hij in 1970 al had overgedragen aan Fournier, wel met de zwartgallige Idées Noires, waarin de schaduwen zelfs de beelden in repen snijden. De humor is bitterheid geworden, de anarchistische tijd waarin alles kon, met Gotlibs voorbeelden Crumb, Rodriguez, Groucho Marx, Mad en Monty Python – ‘Frédéric Jannin [de curator in het Brussels Stripmuseum van de tentoonstelling Rhââ Gotlib] a d’ailleurs extrait de ses archives une perle rare’, schreef Olivier le Bussy in La Libre Belgique (11 mi 2006). ‘Un entretien filmé entre Marcel Gotlib et le réalisateur Terry Gilliam, ancien des Monty Python’ –  was voorgoed afgestorven. Met de laatste taboes: godsdienst, seks, scatologie (in La Coulpe rukt Gotlib zijn pruikje af en wringt een forse, walmende drol uit zijn hersenen).
De mateloze aandacht voor uitwerpselen, langs boven of langs onder, wijst op een heel freudiaanse ontwikkeling. Gotlib heeft geen van de stadia achtergelaten wanneer dat had moeten gebeuren: de orale fase, de anale fase, de fallische fase, de vertragingsfase door een globalere kijk van het kind, en de genitale fase – in een lang verhaal spitst Gotlib zich toe op de mythologische achtergrond, Oidipoes en de Sfinks. De fallische fase blijft nazinderen: de incest met de moeder (‘je suis une femme’) en de moord op de vader die onverstoord blijft pijproken en zijn ‘fiston’ aanmaant tot rustige uitvoering als die een mes in zijn buik wil planten. Wel neemt Gotlib ook en vooral de anale fase mee, want zijn hoofdfiguur moet eerst het meer van de stront overzwemmen; tussendoor huppelt een harlekijn geregeld door de strip, die de ontwikkeling zachtmoedig begeleidt: ‘Je suis le sphinx. Je ne fais que passer’. Oidipoes wist achteraf wel beter.
Omdat de liefde zoals ze voorgeschreven wordt in de samenleving geen overtredingen duldt. Dat bewijst één van de pijnlijkste verhalen (opgenomen in Rhââ Lovely III) die Gotlib ooit tekende: L’Amour en Viager. Liefde op lijfrente, een hypotheek die erop rust. De openingsbladzijde toont een wirwar van naakte standjes en omhelzingen, er stroomt geen zaad van het blad, het is in vrijwel schetsmatige, heldere tekenstijl opgezet. Bladzijde twee is orgiastisch, sleutel op de deur, vuurwerk, overborrelende sappen, een trap naar de grot, een affuit met donderend kanon. De ontnuchtering. Hij: ‘Jamais je n’ai été si heureuse, je ne veuw pluste quitter’. Zij: ‘Mijn Orestes. Maar Pylade! Ik moet volgende maand met hem trouwen’. Hij: ‘Ciel! J’avais oublié’. Het is hier dat automatisch de gedachte opkomt, die man is niet goed snik, vroegtijdige alzheimer. Maar Gotlib zal deze dramatische toestand nog tien platen rekken. Allesverterende liefde, maar wat nu Pylade ongeneeslijk ziek is? ‘Il est condamné!’ Samen gaan ze de ijlende zieke bezoeken, die denkt dat alles nog goed zal komen (zijn tronies wijzen op een snelle aftocht). Het stoere koppel zweert zelfs geen kus meer te wisselen, maar ‘J’ai tant envie de toi. Gggrrrrommpf’ – ‘Moi aussi. Rraaaff’. Prachtig beeld, ‘Nous ne nous aimons plus’, maar hij als kloppende penis, zij als natte kut. Een maand later is de toestand volgens de chirurgijn hopeloos, nog een kwestie van dagen. Een jaar later: de zieke waarschuwt zijn vrouw geen lepel van het flesje vitriool te geven. Grimmige lach. Vijf jaar gaan voorbij, de geliefden worden wat ouder, de zieke strompelt verder in zijn ziekbed. Lacht zich te pletter als zijn vrouw hem een (water)pistool geeft en niet de thermometer.
We zijn dertig jaar later, ‘dank je voor dit mooie boek’ stamelt de doodzieke, nu hij ‘un bon polar’ krijgt, J’Irai cracher sur vos tombes (met het pseudoniem van Boris Vian erop, Vernon Sullivan). Een noir, een genre dat Gotlib ook in zijn werk nauw aan het hart lag. Intermezzo. In de Rubriques-à-Brac heeft hij een eigen onafscheidelijk duo speurders gelanceerd, Bougret en Charolles. Op zijn absurde manier zal hij later die twee onzinnige onderzoekers een even dwaze tegenhanger geven, Super Dupont. De eersten zijn de karikatuur van de analytische geesten uit de Britse traditie; Dupont is de Franse versie van de Marvel-helden met buitengewone krachten, zo patriottisch dat al zijn optredens een striemende aanklacht zijn tegen verdord maar neerbuigend nationalisme, zoals het hoogtij viert in Frankrijk.
Bougret stelt een wat domme Belg voor, die per toeval met wat vervormde “’ittle grey cells’, op de meest surrealistische manier onoplosbare zaken tot een goed einde brengt. Zijn naam is niet voor niets een samentrekking van Bourrel (de ‘held’ van de tv-reeks Les Cinq Dernières Minutes tussen 1958 en 1973) en Simenons inspecteur Maigret. In dezelfde reeks is zijn assistent commissaris Cabrol. Het kan best een verwijzing geweest zijn naar het Boergondische dorpje Charolles, of naar Claude Chabrol, filmregisseur van de Nouvelle Vague, want Gotlib had banden met de filmsector als scenarist en acteur in o.m. Tout à la Plume, Rien au Pinceau (1971), Le Laboratoire de l’Angoisse (1971) en Les Doigts dans la Tête (1974). ‘The concept itself was based on the radio show Feu de Camp du Dimanche Matin (1969), where the same characters appeared’ (Lambiek). De strip, eerst gepubliceerd in Pilote, is niet gespeend van zelfrelativering. Gotlib zelf is de sul in volle verwondering voor zijn hyperintelligente Bougret. Hij had het gezicht van Gébé (Georges Blondeaux), wiens naam ook gebruikt is voor de slechte slechterik, Blondeaux Georges Jacques Babylas, een keurige man die zich altijd onschuldig voordoet, maar uiteraard de dader is. Grappig is dan weer dat Gotlib hem het uitzicht gaf van zijn goede vriend Goscinny. In tegenstelling tot de ongure en onsympatieke Aristides Othon Frédéric Wilfrid die alle verdachtmakingen naar zich trekt maar uiteraard zo schoon als een communiezieltje is. En de echte naam is van tekenaar Fred. Wie niet meer volgt heeft gelijk, dat is net de kracht van absurde humor. Eén voorbeeld. In La Génialle Déduxion (Rubrique-à-Brac III) lopen alle personages rond als kinderen. Een arm meisje is verkracht, maar wie is de dader: de gladde Wilfrid of de onnozele Babylas? Het onderzoek wordt voor de lezer danig bemoeilijkt door de nieuwe Franse spelling. Maar Bougret heeft onmiddellijk door dat Babylas (die niet eens een alibi heeft) de dader is. ‘Tu a du aigalemant remarquée qu’il trainais une oupée avec lui?’ ‘Et hallorre?’ ‘Et hallorrent? Et allorre? Tu trouvent sa normalle pour un guarçon?’ ‘Caisse que sa veux dirent?’ ‘Ces indisses prouve de façont irréfuttable que le dénnomer Frédo est oéosequesuelle’. ‘Bon sent mais dé bien surre!’ En nu op weg naar nieuwe avonturen!
Intermezzo twee. Dupont. Is zo bij de haren getrokken dat zelfs idioten het moeten doorhebben. Superdupont is de ultieme verdediger van het Franse genie: bestrijdt de Angelsaksische invloed, houdt alleen van Franse (folk)music, en beschermt de rauwe camembert (die Engelsen bewaren hem zelfs in de koelkast, niet op kamertemperatuur!). Captain America mag dan in Stars and Stripes de VS redden, Dupont doet niet voor hem onder met zijn Baskische muts, zijn Franse snor en zijn driekleurige burgemeestersbuikband (voorflap van Fluide Glacial nr. 13, juni 1977). Superdupont face au Métre Suprème in dat nummer is een kosmisch avontuur waarin de held in de ruimte zweeft en de Grote Bouwmeester ontmoet; logisch natuurlijk. ‘En vérité, je te le dis, c’est la loi décimale et sacrée qui régit les êtres et les choses.’ Good riddance met al die vadems en mijlen en inches en one sixth of a gill en shillings en wat nog. En die meter is verzwonden. Frankrijk heeft nochtans het tiendelig stelsel en de meter uitgevonden! Zelfs de Engelsen rekenen nu in kilometers en (toen nog) in euro’s! Ha, de meter is terug op zijn plaats gekomen, in Sèvres. Superdupont krijgt hulde van de president van de republiek zelf (licht herkenbaar als Valéry Giscard d’Estaing). De held kiest het ruime sop van de lucht. ‘Aaaaahhh que la France est beeelle’. Eén onoverkomelijk probleem. Het Front National van Le Pen had het weer niet begrepen, en van Superdupont haar mascotte gemaakt. De held werd in 1995 afgevoerd door Gotlib en de zijnen.
Maar terug naar onze zieke Pylades (in de mythe de trouwe neef van Orestes). Driekwart eeuw later heeft de zieke het nog altijd niet begeven, probeert al op te staan. Na 95 jaar, goed nieuws! ‘Je suis complètement guéri. Je me lève immédiatement’. En valt prompt steendood. ‘Nous sommes libres!’ Wat volgt is de treurigste coitus ooit gezien: een volle bladzijde moeizaam tussen alle rimpels en verloren tanden uitkleden, en een finale zwarte bladzijde, met hoog weg een amper hoorbare donderslag, een kromgetrokken kanon waar de kogel uitvalt, een geplooide sleutel, een leeglopend beekje uit een grot, wat lauw water – veel in het mineurste tegen een rouwzwarte achtergrond. Zoals het hoort in een melodrama, volgt nog de aftiteling: ‘La mort est immortelle. Et merde! De dood vermoorden,  al was het maar voor één seconde, ben je dan niet onsterfelijk voor één seconde?’
Dat moet Orestes ook gedacht hebben nadat hij zijn moeder Klytaimnestra en haar minnaar Aigistos had omgebracht, ze hadden ten slotte zijn vader Agamemnoon vermoord. Hij werd uiteindelijk vrijgesproken. Onmogelijk, besluit Gotlib. Tenzij misschien voor één seconde.
Kwintessens
-
_Lukas De Vos -
Meer van Lukas De Vos

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws