Kwintessens
Geschreven door Dirk Ooms
  • 462 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

11 maart 2024 Leve de boeken
En zo geschiedde het dat op de aarde, tamelijk woest en ledig nog, een chemisch proces biologisch werd. Zo'n slordige vier miljard jaar geleden ontspoorde een koolstofverbinding op een zodanige wijze dat wij daar nog steeds de gevolgen van zien en zijn. Het petieterig kleine iets groeide, brak uiteen en wonder boven wonder groeiden die stukken zelf ook nog eens: een eerste levensvorm. En het leven verspreidde zich, werd alsmaar complexer en kijk: nu zit de wereldbol van hoog tot laag ervan vergeven.
De Zweed Carl Linnaeus (1707-1778) wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne biologische taxonomie. Hij kwam op het idee om al wat leeft te schikken in een systeem en om elke soort een wetenschappelijke binaire naam te geven, zoals Homo sapiens in het geval van de mens. Het is werkelijk een prachtig uitgekiend systeem dat de evolutionaire verwantschap van het leven weergeeft, ook al kende Linnaeus niks van evolutie. De mens bijvoorbeeld behoort tot het geslacht Homo waar jammer genoeg geen meerdere soorten meer van bestaan: die zijn allemaal uitgestorven, zoals Homo neanderthalensis, om er maar één te noemen. Dat geslacht vormt één van meerdere, die men onderbrengt in een familie: die der Hominidae of mensachtigen, waartoe ook de chimpansees worden gerekend. Samen met andere families gaat die op in een nog groter geheel: de orde van de primaten. Vervolgens mag die orde gerekend worden tot de klasse der zoogdieren en die klasse behoort op haar beurt tot de stam der gewervelden. En die stam wordt met diverse andere stammen ondergebracht in het rijk der dieren. Al wat leeft, heeft in dat systeem een logische plek: Homo sapiens, Musca domestica (huisvlieg), Mnium hornum (gewoon sterrenmos), Amanita muscaria (vliegenzwam), Heteropoda davidbowie (een soort jachtkrabspin), noem maar op.
Men kan dat systeem weergeven als een gigantische stamboom met talloze vertakkingen, waarin bovendien heel de geschiedenis van het leven vervat zit voor zover ons dat bekend is, dus ook de organismen die al uitgestorven zijn en slechts een gefossiliseerd bot of een afdruk nalieten. Ontdekt men nieuwe soorten – wat nog aan de lopende band gebeurt – dan kan men die perfect inpassen. Beschouw het als een encyclopedische catalogus, een onmetelijk dik dagboek vol soortnamen, verwantschappen en omschrijvingen. Linnaeus zelf gaf dit levensboek twee hoofdstukken mee: het dierenrijk en het plantenrijk. (Hij had er ook nog een rare bijlage bij gestoken: het rijk der mineralen.) Hij had geen oog voor de kleinste levensvormen op aarde, de ware meesters van deze planeet van in den beginne: de bacteriën. Die mogen dan zeer klein zijn, ze zijn tegelijkertijd deksels ingewikkeld en veranderlijk. Maar over al dat microscopisch klein grut wist men amper iets in de achttiende eeuw. Nu weten we beter en moeten we concluderen dat het leven meer dan twee rijken bevat, al is men nog niet echt zeker over het precieze aantal. Het kunnen er zes zijn, of zeven …
Over het bestaan van vier specifieke rijken is men min of meer zeker. Die zijn bovendien duidelijk waar te nemen in het dagelijks leven. Drie ervan zagen het licht een miljard jaar geleden, maar dit kan ook honderden miljoenen jaren eerder of later gebeurd zijn, daarover heerst nog onzekerheid. Hoe dan ook ontstonden erg lang geleden uit eencelligen de eerste vertegenwoordigers van het plantenrijk, alsmede de eerste dieren en de eerste schimmels. Over die drie rijken heerst een algehele consensus. Wat het vierde rijk betreft bestaat er nog twijfel. Men acht het hier en daar minstens discutabel of deze schepsels wel een plek hebben in de biologische taxonomie en ik kan daar wel begrip voor opbrengen. Het betreft het rijk der boeken.
Boeken zijn nu eenmaal vreemde wezens. Men treft ze aan op alle continenten en ze kunnen net als katten en ratten omschreven worden als cultuurvolgers, dat wil zeggen dat ze bij hun verspreiding gebruik maken van de mogelijkheden die de mens biedt. Hun anatomie is vrij eenvoudig: ze hebben vaak een stevige buitenkant die vaag doet denken aan vleugels en een onbepaald aantal zeer dunne structuren omvat. Die min of meer inwendige bladachtige vellen – soms een dozijn, soms enkele honderden – worden aan één zijde samengehouden door een vorm van ruggengraat en bestaan voor een groot deel uit cellulose, wat een nauwe verwantschap doet veronderstellen met planten. Ze kunnen een grootte aannemen die sterk kan variëren, maar doorgaans zijn ze niet kleiner dan een menselijke hand en zelden groter dan een halve meter.
Het is onduidelijk wanneer precies de eerste boeken verschenen maar opvallend is dat dit, zeker in vergelijking met de eerste dieren en planten, uitzonderlijk recent moet zijn gebeurd. Op het eerste gezicht gefossiliseerde resten werden gevonden in het Midden-Oosten: het leken dikke vellen, wat doet vermoeden dat er reuzenboeken hebben bestaan, maar nader onderzoek wees uit dat de brokstukken een kleiachtige structuur hadden. Ze bleken bovendien slechts enkele duizenden jaren oud. Het lijkt alsof toen geëxperimenteerd werd met de vorm, want men trof ook boekrollen aan, maar die moeten redelijk snel zijn uitgestorven. Die vondsten werden altijd gedaan in de nabijheid van menselijke nederzettingen. Sterker: er werd nog nooit een spoor van een boek gevonden dat dateert uit de voorhistorische tijd! Het lijkt alsof ze plots ontstonden, als vanzelf. Autogenese? Alles wijst erop dat ze al heel vroeg in hun evolutie gedomesticeerd werden door de mens. Men treft soms nog boeken aan in het wild, een eenzaam exemplaar, maar zwaar gehavend en besmeurd, wat erop wijst dat dit niet hun natuurlijke biotoop kan zijn.
Tijdens de eerste duizenden jaren van hun bestaan kwamen ze sporadisch voor. In West-Europa werden ze bewaard en aan een fokprogramma onderworpen in kloosters, wat echter moeizaam verliep: ze bleven een zeldzaam iets en werden beschouwd als een kostbaar goed waarmee voorname mensen konden pronken. Totdat in het verre China zo'n kleine duizend jaar geleden, zo veronderstelt men, een succesvolle methode werd gevonden om de kweek van boeken te versnellen. Die voortplantingswijze werd verder ontwikkeld in het vijftiende-eeuwse Europa en met groot succes. Boeken zijn nu overal te vinden en zijn niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. In dorpen en steden vindt men plekken waar een ongeziene drukte van boeken heerst. Veel mensen houden er enkele in huis. Sommigen meerdere honderden of zelfs duizenden. Men kan ze ook kopen en lenen als tijdelijke huisgenoten.
De classificatie van boeken is een andere kwestie. Zo duidelijk als men tegenwoordig dieren kan classificeren, zo moeilijk en omstreden verloopt dit bij boeken. Men is geneigd het boekenrijk te verdelen in twee stammen: fictie en non-fictie, maar uit een bepaalde maatschappelijke hoek komt daarop hevige kritiek. Er werd voorgesteld om een derde stam in het leven te roepen voor een problematische groep boeken, meer bepaald de heilige boeken, maar ook dit voorstel kon voor sommige partijen niet door de beugel. Daarover later meer. De wereld der boeken is groot: er zijn lichtvoetige novellen maar ook zware en gewichtige romans. Je hebt de klasse van de poëzie, de orde van de woordenboeken en die der kookboeken, om maar te zwijgen van de vele streek-, liefde- en misdaadromans, boeken die overigens zelden een lange levensduur hebben. Of neem nu de familie van de biografieën, daartoe behoren diverse geslachten, zoals dat van de literaire biografieën, de autobiografieën, de politieke biografieën en zelfs de sportbiografieën. En toch lijkt het alsof de stamboom der boeken alom eigenaardige vertakkingen heeft die elkaar kruisen, met elkaar verbonden geraken en soms een onontwarbaar kluwen vormen.
Het is niet alleen deze eigenaardigheid die vele wetenschappers ertoe stemt om boeken niet onder te brengen in de biologische taxonomie. Boeken lijken meestal zeer onverstoorbaar, kunnen uren, dagen, zelfs vele jaren roerloos ergens staan, onveranderlijk en stil. Men spreekt van een uitzonderlijk traag metabolisme, maar sommigen betwijfelen ten zeerste of er wel sprake kan zijn van een stofwisseling in boeken. De vergelijking met een andere vrij dubieuze 'levensvorm' dringt zich op: virussen.
In dat grote taxonomische levensboek steekt los een katern alsof het er niet bij hoort: dat wat over virussen gaat. Virussen zijn honderd keer kleiner nog dan bacteriën en bestaan uit een nietig klein beetje organisch materiaal. Ze hebben echter geen eigen stofwisseling en ze zijn voor hun voortplanting volledig afhankelijk, net als boeken, van een gastheer. Virussen, alomtegenwoordig in groten getale, lijken te bestaan aan de rand van het leven en worden om die reden geweerd uit het biologische classificatiesysteem. De meeste virussen zijn onschadelijk maar er bestaan soorten die ziekteverwekkend en levensgevaarlijk zijn, denk maar aan het corona-, ebola- en aidsvirus. Ook dit doet denken aan boeken. De meeste boeken zijn immers ongevaarlijk en hebben zelfs een gunstige invloed op mensen: ze verschaffen levensvreugde, gezelschap, inzicht, begrip en hebben onmiskenbaar een grote en gezegende rol gespeeld in de evolutie van de mens. Niet toevallig heeft de mensheid sinds de vijftiende eeuw, toen het boekenrijk zich sterk begon uit te breiden, ontzaglijk veel bereikt wat kennis en welvaart betreft. Maar er bestaan ook boeken die een nefaste invloed hebben gehad op het mensdom. Dat zijn veelal levensbeschouwelijke boeken, bij uitstek de heilige boeken die vreselijke pandemieën hebben teweeggebracht, daarbij miljoenen mensenlevens eisend. Die boeken hebben een lang verleden en ze gaan ver terug in de geschiedenis van de mensheid. Denk maar aan dat ene mythologische boekwerk bestaande uit twee stenen blokken die door een geheimzinnig fabeldier verstrekt werden aan een zekere Mozes.
In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw ontwikkelde zich in Duitsland de Mein-Kampf-epidemie die wereldwijd veel menselijke slachtoffers maakte. Daarbij kwamen ook veel onschuldige boeken om op brandstapels. In het China van de jaren zestig woedde er het Rode Boekje. Recenter was er de Potter-plaag maar deze term is feitelijk slecht gekozen: die boeken verspreidden zich dan wel vooral onder kinderen maar ze bleken al snel goedaardig. (Atlas Shrugged en The Fountainhead worden beschouwd als Randgevallen.) Zorgwekkend zijn dus eerder de heilige boeken die een extreem hardnekkig bestaan leiden. Ze zijn wijdverspreid, zeer besmettelijk en moeilijk te bestrijden. Mondmaskers baten niet. Men zou zelfs denken dat zo'n boek met oogkleppen komt. Al met al gaat het slechts om een paar titels, zoals de Bijbel. Dit heilige boek tref je over de hele wereld aan. In sommige landen zijn hele hotels ermee geïnfecteerd, geen kamer blijft ervan gevrijwaard. Ze stralen onbetwistbaar een houding uit van pertinente onverdraagzaamheid. Zelden tref je ze aan nabij andere boeken, alsof ze andere boeken geen bestaansrecht gunnen en uit zijn op alleenheerschappij. Dit vormt een groot verschil met de vele goedaardige boeken die eerder lustig met elkaar doorheen de tijden willen communiceren en gewijd zijn aan het veelvuldige leven.
Kwintessens
Dirk Ooms is huis- en tuinman, en boekenwurm
_Dirk Ooms - Recensent
Meer van Dirk Ooms

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws