Het Vrije Woord
Geschreven door Johan Braeckman
  • 214 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

15 april 2024 Op zoek naar het universele in het concrete
Johan Braeckman spreekt met beeldhouwer Johan Parmentier
Het is midden december 2023. We bevinden ons in een pittoresk dorp in de Vlaamse Ardennen. Een mooie winternamiddag, de zon staat laag, de lichtinval is uitzonderlijk helder. De vergezichten zijn spectaculair. Het glooiende landschap, hier en daar onderbroken door een knotwilg, een populier en enkele koeien. Vanzelfsprekend heet De Ronde van Vlaanderen 'Vlaanderens mooiste', en niet omwille van de renners. Het is een wonder dat hier niet meer mensen wonen. Johan Parmentier en zijn vrouw Marie-Anne zijn er wellicht niet rouwig om. Ze kwamen hier wonen voor de stilte en de rust. Hun huis is statig en ruim, de tuin benijdenswaardig voor elke stadsmens. Een plek waarvoor Rutger Kopland Onder de appelboom schreef:
Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom
(…)
gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij,
voor onze leeftijd
Maar voor Johan Parmentier is de belangrijkste ruimte niet het huis of de tuin, maar het atelier achteraan. Daar spendeert hij dagelijks het grootste deel van zijn tijd, om zijn materialen te bewerken, om ze tot sculpturen te transformeren. Johan is beeldhouwer, met hart en ziel. Ik hoef hem er nauwelijks iets over te vragen, hij vertelt vol passie over zijn zoektocht naar vorm en harmonie, in functie van de wereld waarin hij zich bevindt en hoe hij die als kunstenaar tot expressie kan brengen.
Johan en Marie-Anne maakten net een reis naar Oezbekistan en zijn diep onder de indruk van de schoonheid en de geschiedenis van het land, en van de bevolking haar gastvrijheid. In de middeleeuwen bloeiden er de kunsten, de astronomie en andere wetenschappelijke disciplines. Na vijf minuten ligt de tafel vol boeken over de Oezbeekse cultuur. Het land is overwegend islamitisch, maar het gaat over een milde vorm van de islam, getuigen ze. Fundamentalisme en religieus fanatisme, zoals in buurland Afghanistan, houden ze ver van zich.
Het kost me enige moeite om Johan op zichzelf te laten focussen. Ik wil het over zijn leven hebben, over zijn artistieke evolutie en zijn kunst. Na uitvoerige beschrijvingen van de boeiende gesprekken die ze met enkele Oezbeken voerden, en drie koppen koffie en twee stukken taart verder slaag ik erin hem over zijn jeugd en kunstenaarschap te laten vertellen.
© Gwenny Cooman
'Ik ben in 1952 geboren, in Tielt, West-Vlaanderen. Vanaf mijn twaalfde ging ik naar het college in Kortrijk, waar ik Latijn-Grieks studeerde en daar tussen het lager en het middelbaar onderwijs volgde ik er een zogenaamd "zevende jaar". De leerkracht die dat jaar invulde, was een amateurschilder. Hij gaf me de microbe van het schilderen en tekenen door, al moet ik erop wijzen dat ik dat ook van huize uit reeds meekreeg. Toen ik twaalf of dertien jaar was, vroeg die leerkracht me om iets van mijn werk te tonen. Hij zei dat ik talent had, en dat ik dat verder moest ontplooien. Het was een belangrijke aanmoediging voor me, op jonge leeftijd, van een man wiens mening ertoe deed. De school in Kortrijk was een positieve omgeving voor me. Ik zat op internaat, en dat beviel me. Men liet me de affiches maken voor allerlei evenementen en de tekeningen voor de schoolkrant en dergelijke meer. Tijdens die hele periode was ik als het ware de huiskunstenaar van de school. Het college werd geleid door priesters en paters van de Damiaan-orde (Picpussen) en het ging er voor die tijd zeer progressief aan toe. Jonge paters-leraars hadden veel aandacht voor de politieke en economische toestand van de wereld, voor de strijd voor sociale hervormingen en voor een geëngageerd katholicisme, zoals in Zuid-Amerika. Er verbleef trouwens een priester in de school die was opgepakt en gemarteld in Bolivia, omdat hij daar de revolutionaire beweging steunde. Hij woonde in het college om te herstellen van zijn trauma's. Het typeert de sfeer die er in die tijd in die school heerste. Ik had er een boeiende tijd, kwam met de grote wereld in contact en men liet me toe om mijn interesse voor kunst te ontwikkelen. Daardoor voelde ik niet de behoefte om naar een kunstschool over te stappen. Ik moet hierin ook de rol van mijn ouders beklemtonen. Ze hadden een beenhouwerij in Meulebeke en waren zeer geïnteresseerd in kunst. We maakte zondagse uitstappen naar onder meer Sint-Martens-Latem, om er het werk van de kunstenaars die er gewerkt hadden te zien en bezochten geregeld tentoonstellingen van de Vlaamse expressionisten, Cobra en hedendaagse kunst. Ze steunden me in mijn ambitie om kunstenaar te worden. Mijn moeder was een grote bewonderaarster van kunst, en ze was zelf ook zeer creatief. Samen met haar schoonzussen had ze een naaiatelier voor het ontwerpen en vervaardigen van kledij.
In mijn tienerjaren zocht ik bewust naar plekken om met kunst in contact te komen, zoals musea, bibliotheken en boekhandels. Mijn interesse daarbij was zeer breed. Ik hield vooral van plastische kunst, maar ik las ook de Griekse en Romeinse klassieken en vanzelfsprekend ook Vlaamse en Nederlandse auteurs. Dankzij een leraar Nederlands leerde ik het werk van onder meer Louis-Paul Boon, Hugo Claus, Gerard Walschap en Ivo Michiels kennen. Wie ook een grote rol speelde in mijn belangstelling voor literatuur, is schrijver en dichter Luuk Gruwez. We zaten op dezelfde school en werden vanaf het eerste middelbaar vrienden voor het leven. Door Luuk leerde ik veel andere schrijvers kennen, van Anaïs Nin en Henry Miller tot de Beat Generation met Allen Ginsberg, Jack Kerouac en anderen ... Ook het werk van de Engelse filosoof en mysticus Alan Watts boeide me sterk. Het liet me kennis maken met oosterse spiritualiteit en later met Aziatische en Japanse kunst.'
Johan praat met liefde over zijn tijd op een katholiek college en zijn lectuur over oosterse mystiek. Het roept onvermijdelijk de vraag op hoe hij tegenover godsdienst en religie staat.
'Toen ik acht of negen jaar was, werd ik misdienaar uit een soort nieuwsgierigheid naar de religieuze praktijk. Maar omstreeks mijn twaalfde of dertiende had ik dat achter de rug. Toen ik aan het middelbaar begon in, het mag gezegd, dat progressieve college, had ik geen band meer met het katholicisme. Ik had er mij van ontdaan en was als tiener al vrijzinnig, zonder mij er rekenschap van te geven. Op mijn dertiende zei ik aan mijn ouders dat ik niet meer gelovig was. Ze aanvaardden dat, misschien omdat ze zelf ook al wegdreven van het geloof dat ze van huize uit hadden meegekregen. Het waren toen, wat godsdienst betreft, heel andere tijden, zeker in het katholieke West-Vlaanderen. Mijn moeder was lange tijd diepgelovig, maar op een bepaald moment is ook zij gestopt met het wekelijkse kerkbezoek. In haar laatste jaar wou ze zelfs het boeddhisme beter leren kennen. Ze vroeg me toen om boeken daarover. Zoals zovelen zocht ze naar iets wat zich boven de realiteit zou bevinden en religie bevredigde dat na verloop van tijd niet meer.'
We gaan dieper in op de evolutie van Johans kunstenaarschap. Hoe ontwikkelde hij zich verder, na zijn collegetijd in Kortrijk?
© Gwenny Cooman
'Ik verhuisde naar Gent, om aan Sint-Lucas de opleiding beeldende kunst te volgen, meer bepaald het atelier beeldhouwkunst bij Pol Spilliaert. Ik werkte toen al graag met materie, die je met je handen kan voelen, betasten en bewerken, wat een zeer ruimtelijk gevoel geeft. Ook belangrijk is dat ik me al grondig had verdiept in het werk van enkele beeldhouwers, dankzij boeken en musea. Als eerste denk ik aan Ossip Zadkine, de Russisch-Franse beeldhouwer, en dan waren er Brancusi, Moore, Marini, Arp, Chillida, Giacometti en anderen. Ik klikte met de opleiding in Gent en smeedde er goede banden met mijn docenten en medestudenten. Ook de stedelijke mentaliteit ervoer ik als zeer positief. De wereld ging open en was er om te ontdekken. Ik werd meer open minded en leerde ook via de Studio Scoop de recente film als kunstvorm kennen. Ook de reizen, voornamelijk naar Italië en Frankrijk in die tijd, brachten me veel bij. Let op, niet alles was positief. Er waren ook docenten waar ik nauwelijks iets aan had, maar ik ben niet iemand die daar dan over klaagt. Ik waardeer vooral wat ik meekreeg van docenten die een vonk overbrachten, zoals Dan Van Severen (1927-2009), die schilderkunst gaf. Hij zette me op het pad dat ik nu nog verder bewandel. Misschien moet ik het anders formuleren: hij toonde me de bron waaruit ik nog steeds put. Zijn plastische en filosofische visie op kunst is me altijd bijgebleven en boeken en een aantal werken van en over hem zijn nooit ver van me verwijderd. Hij is me ook verder blijven volgen en steunen na mijn studies, ik ben hem daar zeer dankbaar voor. Mijn persoonlijke visie op kunst ontwikkelde zich tijdens mijn opleiding dankzij mensen zoals hij, maar de technische aspecten van het kunst maken, leerde ik maar gaandeweg zelf, na mijn studies, als een taal die je je eigen maakt en verder ontwikkelt door ze te spreken en door hard te werken.
Nadat ik afstudeerde was ik, zoals velen in die periode met een diploma in de kunsten, meteen werkloos. Ik kon stempelen en een klein atelier huren in Gent. Dat duurde ongeveer anderhalf jaar, het was een zeer intense periode in mijn leven. Ik was volkomen vrij en kon de klok rond werken. Mijn focus lag toen al op sculpturen en studies die ik maakte uit klei, gips, steen, en hout. Ik zocht volop naar een eigen taal in het omgaan met materie.'
We onderbreken een poosje het gesprek. De lichtinval is ondertussen perfect om foto's te nemen. Johan blijkt, zoals zijn beeldhouwwerken, een gewillig model. We nemen makkelijk de draad weer op, te beginnen met het aanbod – een geschenk uit de hemel – van de toenmalige directeur van Sint-Lucas om de cursus beeldhouwkunst te geven.
'Ik ging daar spontaan op in. Beeldhouwen was ondertussen mijn ding en er les over geven, in de kunsthumaniora, afdeling plastische kunsten, vond ik ook bijzonder boeiend en uitdagend. Het tweede jaar dat ik lesgaf, mocht ik het al voltijds doen, achttien uur per week. Het bezorgde me de zekerheid van een inkomen en er was daarnaast nog ruim voldoende tijd om me aan mijn eigen kunst te wijden. Het lesgeven deed me ook meer reflecteren over het hoe en waarom van kunst, en over het belang van vorm en ruimte. Ik ging daardoor ook meer lezen over het werk van andere beeldhouwers en ik bekeek hun werk nog grondiger dan voorheen. Iets moeten uitleggen, dwingt je om je eigen opvattingen en gedachten over het onderwerp helderder te begrijpen. Sint-Lucas stelde zich ook zeer soepel op tegenover mij. Zo gaf ik in de periodes dat ik zelf tentoonstelde of een project had, soms minder les. Ik doceerde tot mijn 57ste.
Een eerste echte tentoonstelling had ik in Aalst, in de ondertussen ter ziele gegane galerie S65. Ik toonde er zowel tekeningen als beeldhouwwerk. Er stelden Engelse en Amerikaanse kunstenaars tentoon, zoals David Nash, Joseph Marioni, Marcia Hafif, Jene Highstein en David Tremlett, evenals Belgische kunstenaars zoals Dan Van Severen, Luc Claus en Paul Gees. De eigenaar en drijvende kracht van de galerie was vooral op zoek naar kunstenaars die eerder minimalistisch werkten en naar soberheid en eenvoud streefden. Mijn werk paste daarin, we hadden iets gemeenschappelijks als één familie en daardoor leerde ik ook gelijkgezinde kunstenaars kennen. Mijn horizon als kunstenaar verbreedde zich snel. Ik nam deel aan tentoonstellingen in Brussel, Namen en allerlei andere plaatsen in België. Later kwam daar ook Nederland bij, ik denk aan galerieën in Eindhoven, Nijmegen en Tilburg. Niet onbelangrijk: de verkoop van mijn werk nam toe, zowel dankzij de tentoonstellingen, maar ook doordat ik opdrachten kreeg van privépersonen en van de overheid. Ik mocht werken maken op openbare plaatsen, zoals in Kortrijk, Ieper, Kalken, Doornik en dit in een architecturale context. Door enkele grote opdrachten was het mogelijk mijn persoonlijke taal en inhoud verder uit te diepen en nieuwe sculpturale mogelijkheden te ontdekken.'
© Gwenny Cooman
Ik bekijk samen met Johan de werken in zijn atelier en in de tuin. Ze stralen een onverstoorbare robuustheid uit, maar komen op mij ook over als ondoorgrondelijk, als moeilijk te bevatten. Alsof ze oeroude geheimen bevatten die ze nooit zullen prijsgeven, ook al kijk je er je hele leven naar. Ik vraag hem waarom hij zo graag werkt met steen en wat hij ermee tot uitdrukking wil brengen.
'Thematisch is mijn directe omgeving van groot belang. De Vlaamse Ardennen, de ruimte hier waarin ik leef, de natuur, de dieren en de vegetatie, dat alles samen is mijn belangrijkste inspiratiebron. Ik ben dagelijks meerdere uren buiten in die omgeving aan het werk, ik heb dat contact met de natuurlijke realiteit nodig om de creatie van mijn werk spontaan tot stand te laten komen.
Met steen als materiaal, werk je rechtstreeks met de natuur. Je connecteert meteen met de natuur en met een diep, geologisch en prehistorisch verleden. Steen staat los van de tijd, en heeft als het ware alle tijd in zich. In de steengroeven vind ik die organische structuur van steen, de sporen van de wording en ontstaansgeschiedenis ervan. In Doornik en Balegem bijvoorbeeld, en voor graniet zelfs in India. Eens het materiaal bij mij thuis, kost het wel enige tijd om te weten wat ermee te doen. Ik maak schetsen en ontwerptekeningen die me helpen om daarin klaarheid te verwerven. Pas daarna begin ik de materie te bewerken, zowel manueel, met handwerktuigen, als machinaal, zoals met slijpschijven. Voor grote beelden en projecten werk ik soms ook samen met firma’s met gespecialiseerd materiaal om het naar gewenste dimensies te brengen.'
Ik dring wat aan om te weten wat hem drijft om een steenblok op precies die wijze te bewerken, en niet op een andere. Welke ideeën of concepten liggen eraan ten grondslag? Dat blijkt de verkeerde vraag te zijn.
'Ik heb geen duidelijke voorafgaande ideeën over het einddoel van een werk, geen voorafgaand concept. Er is wel iets wat me drijft, maar dat staat los van mijn subject. Het gaat me niet over het domineren van de materie, het betreft eerder een transformatie vanuit de energie en structuur van de materie. Ik probeer de natuurlijke kracht van de steen, zoals ik die ervaar, om te zetten in een sculptuur die haar eigen taal spreekt door mijn bemiddeling. Het gaat dus niet over mijn persoon, noch over het subjectieve in de relatie tussen kunstenaar en kunstwerk. Ik ben veel meer geïnteresseerd in het universele in de natuur, in wat erachter schuilgaat, zoals de Franse schilder George Braque het formuleerde: "J'aime la règle qui corrige l'émotion". Zo kijk ik ook naar de natuur, bijvoorbeeld naar een boom. Ik wil daar de essentie van vatten, dat wat de boom als archetype gemeenschappelijk heeft met alle bomen; die vegetale kracht en niet de anekdotiek van het moment. Wat in essentie over de hele wereld voorkomt, dat boeit mij en daagt mij uit. Er is natuurlijk een enorme variatie aan kunstvormen verspreid over culturen en de menselijke geschiedenis, maar wat mij het meeste verrast zijn de gemeenschappelijke wetmatigheden die al die kunst vertoont. Dit is een bron van verwondering die mij blijft voeden. Echt goede kunst spreekt mensen universeel aan en in alle tijden, omdat ze de vonk laat overslaan met het essentiële van onze humaniteit.'
© Gwenny Cooman
Ik breng het gesprek op de prehistorische kunst, die ons nog steeds verbluft. We begrijpen ze niet of nauwelijks, maar we connecteren en resoneren ermee omdat ze een onmiskenbaar menselijke uitstraling heeft. Johan is het er mee eens, en verwijst naar menhirs.
'Die zijn ook zeer oud, onbekende kunstenaars maakten ze in de late steentijd, ergens tussen elfduizend tot ongeveer vijfduizend jaar geleden. Ik voel daar veel affiniteit mee. Het zijn steeds weerkerende plastische wetmatigheden. Ze hanteerden, net zoals ik verkies, een eenvoudig alfabet van eenvoudige structuren, niks gesofisticeerd of complex. Zoals ik al aangaf: ze brengen een essentie tot expressie die je over de hele wereld vindt, over de millennia heen, zowel in de grotkunst als in open ruimtes. Menhirs hebben een diep plastisch-humanistisch karakter. Ik heb het geluk gehad veel verre landen te kunnen bezoeken, van India tot Mexico, en overal nam ik de typologieën waar waarmee ik zelf werk, hier in een dorpje in de Vlaamse Ardennen. Die eenvoudige plastisch-modulaire vormen fascineerden me al in mijn jeugd. Het is een tijdloos en universeel vocabularium, waarvan je echo's terugvindt in kunstwerken uit tal van culturen.
Naast wat ik maak in steen en, belangrijk, het tekenen, is er het werk in brons en composiet. Met deze materialen verken ik wat ik via de perceptie en het tekenen en schetsen waarneem en ervaar in mijn omgeving. De natuur, het land, bomen, het landschap, de ruimte om me heen … Het resulteert in ruimtelijke structuren, studies en composities waarin de krachtlijnen van wat ik zie vervat zijn. Ook hier zijn eenvoudige basisvormen, voor ieder herkenbaar, het hoofdelement. Daarom beschouw ik mezelf niet als een abstracte beeldhouwer. Mijn werk is geworteld in de realiteit van de dingen en is er een plastische getuigenis van, een vorm van sublimatie als je wilt.'
Het begint te schemeren. Ons gesprek komt stilaan tot een einde. Johan vertelt me nog dat kunst maken zijn centrale vorm van zingeving is, al denkt hij daar vrijwel nooit zo over na. Het is eenvoudigweg iets wat hij dagelijks doet. Blijven zoeken naar de expressie van universele vormen, naar artistieke, algemeen menselijke, natuurlijke en aardse puurheid, is zijn manier van leven. Hij kan zich geen toekomst voorstellen zonder dat hij zich dagelijks in zijn atelier bevindt, met Marie-Anne dicht in zijn buurt. Hij is tevreden met de erkenning die hij kreeg, maar ligt er nooit wakker van. Hij doet wat hem drijft. Als daar appreciatie voor bestaat in de buitenwereld, zoveel te beter, maar het is geen motivatie. Als iemand zich een werk van hem aanschaft is hij blij als het op de juiste plaats terechtkomt. Een huis of een tuin waarvan hij weet dat het daar thuishoort. Alsof het zich daar, zoals een menhir, over duizenden jaren nog altijd zal bevinden, omdat het op natuurlijke plaats belandde. Bij het afscheid besef ik dat een menhir een mooie metafoor is voor Johan Parmentier zelf. Authentiek, expressief, in harmonie met de omgeving, integer en onverzettelijk.
Werk van Johan Parmentier is binnen afzienbare tijd hier te zien:
4n20 Ruimte voor kunst, 18 mei – 9 juni 2024
Jacob Van Arteveldelaan 24, 8500 Kortrijk, website: www.4n20.be
En in:
De Egelantier, 25 mei – 30 juni 2024
Zwevegemstraat 83, 8553 Otegem, website: www.egelantier.be 
Website Johan Parmentier: www.johanparmentier.be 
instagram: parmentier.johan
Interview: Johan Braeckman
Foto's: Gwenny Cooman
Het Vrije Woord
Voormalig hoogleraar wijsbegeerte, auteur en lid van de humanistische denktank Kwintessens
_Johan Braeckman -
Meer van Johan Braeckman

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws