28 januari 2026
Panorama van Aotearoa #2: De collectieve flits (Ed Sheeran): bewijsdrang als nieuwe religie
Johan Swinnen is onafhankelijk kunstexpert, curator en fotograaf, en een drijvende kracht achter diverse kunst- en cultuurinitiatieven binnen het Humanistisch Verbond. Tijdens een verblijf van drie maanden in Aotearoa/Nieuw-Zeeland trekt hij op roadtrip met een camper, op zoek naar hedendaagse vormen van humanisering en zingeving, in dialoog met Māori-wereldbeelden en de lokale cultuurpraktijk. Hij was er eerder in 1999, 2017 en 2022; zijn zoon woont en werkt er al meer dan tien jaar. In deze wekelijkse reeks brengt Swinnen geen reisverhaal, maar een scherpe kijk: wat een diverse samenleving zichtbaar maakt, hoe kunst en gemeenschap elkaar kneden, en welke vragen dat terugkaatst naar Vlaanderen.
Auckland, 16 januari 2026. De stad ligt er niet bij alsof er 'een concert' is, maar alsof er een tijdelijke republiek wordt uitgerold met eigen wetten, eigen wachtrijen en een staatsgreep van licht. Hekken, mensenstromen, QR-scanners, drankstanden: alles functioneert als een tijdelijke infrastructuur met één doel.
Opvallend is de discipline van het publiek. Kiwi's met een gezamenlijke missie: op tijd binnen, vlot langs het fastfood, en zich daarna zonder veel weerstand laten meenemen door de show. Het Go Media Stadium is geen tempel, en al zeker geen processie. Eerder een gigantische publieke ruimte waar één stem straks, voor een paar uur, de regels van de avond mag schrijven.
Voor het vrijzinnig humanisme is dat op zichzelf interessant: dat muziek vandaag nog altijd mensen samenbrengt zonder ideologie, zonder vaandel, zonder moraal. Puur op basis van gedeelde aandacht.
Dit is ook niet zomaar een avond. Dit is de start van Ed Sheeran's Loop Tour in Oceanië, hier in Auckland. Een begin aan de rand van de wereld, waar de oceaan nog doet alsof hij alles kan uitwissen – zelfs uw Europese agenda.
En ja, de ironie is onweerstaanbaar: ik sta hier in Nieuw-Zeeland, met een verhaal in mijn hoofd dat telkens terugschuift naar 8 augustus 2025 in Antwerpen. Was ik daar toen bij? Ik zie mezelf al staan als iemand die achteraf zegt: 'ik was erbij'. Tegelijk weet ik dat ik die dag vastzat op de opening van Knokke Art Fair: professioneel correct, menselijk twijfelachtig.
Misschien heb ik dat concert op Linkeroever meegemaakt zoals we tegenwoordig zóveel meemaken: via flarden. Via een filmpje dat iemand doorstuurt. Via de suggestie van aanwezigheid, zonder dat het lichaam het kan staven. Alsof je ergens geweest bent, maar vooral omdat het beeld het zegt – en niet omdat je voeten er echt op de grond hebben gestaan.
Nieuw-Zeeland heropvoedt je blik. Het licht is hier niet beleefd, maar eerlijk: het snijdt dingen uit en het flatteert niet. Onder die helderheid zit nog een tweede laag: plaats is hier minder vrijblijvend. Je voelt, zelfs als buitenstaander, hoe Māori-cultuur niet in een folklorehoekje wordt gezet, maar mee resoneert in het openbare leven: in namen, in ritme, in dat stille besef dat respect geen etiquette is, maar een manier om met geschiedenis en met elkaar om te gaan.
Dat maakt je vanzelf voorzichtiger met je fotolens. Niet bang, wel bewust. Alsof Aotearoa zachtjes zegt: kijk gerust, maar kijk netjes.
Het is eigenlijk geestig: op zo'n tourstart blijf ik niet haken aan de stadionknallers als Sapphire en Perfect, maar aan twee nummers die stiekem fototheorie meebrengen: Photograph en Camera. Ze doen zich voor als eenvoudige liefdesliedjes, licht en vanzelfsprekend, maar intussen draaien ze rond iets wat je niet echt kunt vastzetten: tijd die wegglijdt, herinneringen die terugkomen, en dat ene bewijs dat niet op je scherm staat, maar in je lichaam blijft zitten.
Photograph doet iets klassieks: het behandelt de foto als draagbaar geheugen. Geen decoratief souvenir, maar een object dat nabijheid nabootst zodra afstand en tijd hun werk doen. Fotografie verschijnt als index: geen versiering, maar afdruk en spoor – het sobere bewijs dat zegt: dit is er geweest. Het beeld wordt bijna een talisman: niet 'in een fotoalbum', maar dicht op het lichaam, in een zak, bij het hart, als draagbare aanwezigheid. Dat is de oude kracht vóór de cloud: een klein relikwie dat tegelijk troost en pijn activeert. En dan die oude droom: tijd stilzetten, licht vasthouden vóór het dooft. Alsof ogen niet sluiten, alsof het moment kan bevriezen en toch blijven ademen. Fotografie als zachte leugen, een klein nachtlampje tegen de eindigheid waar we graag even in wonen.
Camera doet het omgekeerde, en precies daardoor is het interessant. Het lied beweert, met een knipoog, dat het apparaat niet nodig is: 'I don't need a camera to capture this moment'. Meer dan een romantische zin is dat een stelling: het primaire geheugen is niet technisch, maar belichaamd. Niet de sensor, maar de blik. Niet de opname, maar het zien. In die zin is Camera bijna fenomenologisch: de ander staat niet 'op beeld', de ander staat 'in mijn ogen'. En daar zit een heel debat in verstopt dat fotografen kennen: is een foto een rijke herinnering, of een vervanging van aandacht? Versterkt een beeld de ervaring, of schuift het ertussen als een dunne glasplaat?
Het refrein trekt dat idee verder, zonder het te verzwaren: hij zal zich haar gezicht herinneren 'for all my life', zelfs 'when everything is black and white, your colour's exploding'. Dat raakt aan iets wezenlijks van fotografie: het spel tussen monochroom en kleur, tussen reductie en intensiteit. Zwart-wit als afstand, kleur als aanwezigheid. En het is tegelijk de taal van de donkere kamer: contrasten die aangescherpt worden, tot één kleur, één detail, uit het neutrale losschiet – als een punctum, dat ene element dat je niet meer kunt ontzien.
En dan gebeurde het mooiste. Precies tijdens dit refrein vroeg Sheeran het publiek om samen een foto te nemen, met flits. Geen individuele bewijsdrang – niet: 'kijk, ik was erbij' – maar een stille collectieve afspraak: hier, nu.
Het stadion opende zich als één knipperend oog: zo'n 40.000 smartphones, 40.000 flitsen, 40.000 kleine witte explosies. Een eerbetoon aan fotografie, niet als gadget, maar als gedeelde taal. Absurd mooi: technologie die even niet scheidt, maar samenbrengt; registratie die even geen ego is, maar gemeenschap.
Je voelde het door je lijf gaan: één lichtslag door de massa. Alsof iedereen tegelijk zei: dit moment mag blijven.
De ironie is dat we met z'n allen beelden maken als bewijs, terwijl het helemaal niet zeker is wat er daarna mee gebeurt. Ze verdwijnen vaak in een WhatsApp-camerarol of in een automatische back-up. En dan blijft de echte vraag: worden ze ooit nog met context en zorg bewaard, geselecteerd en opnieuw begrepen – zodat iemand later nog weet waarom ze ertoe deden?
Voor mij voelde het uitgesproken humanistisch, zonder dat je het woord moet uitspreken. In Aotearoa is humanisme vooral gedrag: ruimte geven, mild blijven, beseffen dat je medemens bent in een gedeelde ruimte. En die Māori-onderstroom van verbondenheid met plaats en verhaal leert zelfs een buitenstaander: kijk eerst, neem niet meteen. Zo werd die collectieve flits bijna een symbool: één gedeelde aandacht waar niemand slechter van wordt.
Tegelijk blijft de paradox van onze tijd scherp. In een zee van schermen lijkt een moment pas 'echt' wanneer je het later kunt terugbekijken als bewijs. Die drang om te filmen en te bewaren maskeert vaak een eenvoudige angst: dat het verdwijnt. Een foto of video voelt dan als een kleine verzekering, tegen het wegzakken van betekenis.
En dan, sensueler, omdat we ook maar mensen zijn: de mooiste opname van de avond zat niet in mijn iPhone, maar in dat korte, warme interval waarin je iemand aankijkt, even niet wegkijkt, en je voelt dat focus geen techniek is, maar spanning – alsof de wereld zelf een adem inhoudt, net voor de aanraking.