29 januari 2026
Camus schreef mijn verhaal en Ozon verfilmde het …
Wat volgt, is geen klassieke recensie. Ik heb geprobeerd deze tekst zo te schrijven dat Meursault, het hoofdpersonage uit 'L'étranger', zelf aan het woord is. Daarbij houd ik één zin van hem in het achterhoofd, uitgesproken tijdens het proces: 'Même sur un banc d'accusé, il est toujours intéressant d'entendre parler de soi' ('L'Étranger', deuxième partie, chapitre IV – Le procès).
In wezen komt het hierop neer … Een paar dagen geleden ging degene die dit schrijft naar L'Étranger kijken, een verfilming uit 2025 door François Ozon van het boek uit 1942 van Albert Camus. Met L'Étranger waagt Ozon zich aan een roman die al meer dan tachtig jaar in de kuiten bijt. Het boek is geschreven in een taal die bijna kinderlijk eenvoudig lijkt, maar die precies daardoor elke mogelijke uitleg ondergraaft.
Camus verzette zich tijdens zijn leven tegen elke verfilming. Hij vreesde dat ik zou worden herleid tot een psychologisch gestoorde zonderling of een sociaal probleemgeval. De enige eerdere poging, door Luchino Visconti in 1967, bevestigde die vrees gedeeltelijk: te theatraal, te verklarend, te weinig trouw aan de leegte waarin ik besta. Ozon kiest een andere weg. Zijn film is een van zijn meest sobere en ingehouden kunstwerken. Hij behandelt het boek met zichtbaar respect, maar zonder zich te verschuilen achter letterlijke trouw. Wat hij bewaart, is de kern: mijn onverschilligheid, mijn weigering om emoties te veinzen, en de onmogelijkheid om het absurde moreel te verzoenen met maatschappelijke verwachtingen.
Mijn verhaal is bekend. In woon in het koloniale Algiers van die dagen en verneem op een goede dag dat mijn moeder overleden is. Het boek begint met een zin die meteen elke verwachting ondergraaft: vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet. Geen rouw, geen context, geen herinnering. Enfin. Ik reis naar het bejaardentehuis, drink er koffie, rook er wat sigaretten en slaap in tijdens de wake. Niet uit provocatie, maar omdat ik niets anders doe dan registreren wat zich hier en nu aandient.
Na de begrafenis hervat ik mijn leven. Ik ga naar het strand om te zwemmen, ontmoet er mijn vriendin Marie en ga met haar die avond naar de bioscoop. We kijken er naar Le Schpountz, een komedie met in de hoofdrol Fernandel. We lachen en vermaken ons nadien op mijn kamer. Wanneer zij mij daarop vraagt of ik van haar houd, antwoord ik dat ik het niet weet. Wanneer zij voorstelt te trouwen, zeg ik dat het mij gelijk is. Niet uit kilte, maar uit eerlijkheid. Ik verzin geen gevoelens die ik niet ervaar.
Als naamwoord heeft het woord 'étranger' twee betekenissen. Meestal verwijst het naar een buitenlander, naar degene die niet tot een groep behoort, wiens identiteit niet samenvalt met een land, een taal of een natie. A foreigner. Ein Ausländer. Maar dat is niet de betekenis die de schrijver met zijn titel bedoelde. Want ik ben geen buitenlander. Ik behoor wel degelijk tot een groep. Ik ben een Franse Algerijn, ingebed in de koloniale orde, vertrouwd met haar taal en haar gebruiken. Ik werk, ik consumeer, ik ontspan me. Kortom, ik functioneer perfect binnen de samenleving.
Mijn vreemdheid ligt elders. Ik ben niet the foreigner, maar the stranger. Niet der Ausländer, maar der Fremde. Wat mij typeert, is wat men l'étrangeté kan noemen: het onheemse, het niet-thuis-zijn in wat voor anderen vanzelf spreekt. Geen geografische afstand, maar een ervaringsafstand. Ik leef in dezelfde wereld als de anderen, maar zonder het verhaal dat die wereld betekenis geeft.
Hier raakt de schrijver aan wat Sigmund Freud het Unheimliche noemt: niet het vreemde dat van buitenaf komt, maar het vertrouwde dat plots zijn vertrouwdheid verliest. Ik ben unheimisch omdat ik doe wat iedereen doet, maar ogenschijnlijk zonder de juiste emotionele en morele verpakking. Ik rouw klaarblijkelijk niet zoals men gewoonlijk rouwt. Ik bemin zo te zien zonder de taal van de liefde te spreken. Ik verdedig mij niet zoals men zich blijkbaar hoort te verdedigen.
Cruciaal hierbij is dat ik mezelf niet als vreemdeling ervaar. Ik voel mij niet uitgesloten, niet miskend, niet anders. Ik problematiseer mijn bestaan niet. De vreemdheid ontstaat pas in de blik van de anderen: in de blikken van de buren, van de rechters, van de gevangenisaalmoezenier. Zij maken mij tot vreemdeling omdat ik weiger deel te nemen aan het gedeelde toneel van zingeving.
De moord die ik pleeg vormt het scharnierpunt van het verhaal. Op een verzengend hete dag op het strand schiet ik een Arabier dood. Niet na een conflict, niet uit haat, niet uit berekening. Ik zeg later dat het door de zon was. Dat is geen verzinnebeelding. Ik zie de zon als een fysieke macht. Zij verblindt, verlamt en overweldigt het lichaam. Ik los de vier extra schoten die volgen op het eerste, niet uit woede, maar als bevestiging van die verstoring.
Tijdens het proces blijkt dat niet de misdaad centraal staat, maar mijn houding. Ik word niet veroordeeld om wat ik deed, maar om wat ik niet deed: niet huilen bij de begrafenis van mijn moeder, geen spijt veinzen, geen beroep doen op God. Soms lijkt het alsof er meer over mij wordt gesproken dan over mijn misdaad. Wanneer ik zeg dat het door de zon was, lacht men. Niet omdat het onwaar is, maar omdat het voor hen onaanvaardbaar is. Waar zij God als middelpunt nemen, plaats ik de zon. Niet figuurlijk, maar letterlijk. Mijns inziens is de mens niet alleen geest, maar eveneens lichaam.
In de dodencel weigert de aalmoezenier mijn zwijgen te aanvaarden. Hij biedt troost aan, maar ik wijs die af. Niet uit rebellie, maar omdat ik niets beloof wat ik niet ken. Wat ik kan waarmaken. Wanneer hij blijft aandringen, barst ik voor het eerst uit. Daarna blijft alleen de wereld over. De wereld en haar tedere onverschilligheid. En ik aanvaard volmondig haar zinloosheid.
Ozon begrijpt dit. Hij begrijp mij ten volle. Zijn film verklaart niets, moraliseert niet en corrigeert niet. Hij toont en zwijgt. Door zwart-wit, door een vaste camera, door het ontbreken van uitleg. Mijn aanwezigheid blijft wat zij is. Geen psychologie. Geen verlossing. De koloniale context wordt zichtbaar gemaakt, maar niet verklaard. De slachtoffers krijgen een naam, maar geen verklaring.
Zo wordt L'Étranger geen illustratie van een filosofie, maar – net als het boek – een wedervaren. Een ervaring van vreemdheid, eerlijkheid en een bestaan dat zich niet laat opdirken. Camus weet dat niet de zon, niet de moord en niet de dood voor mij het diepstgaande probleem vormen, maar de leugen. Ik weiger die. Ik houd nu eenmaal vast aan wat ik gezien, gevoeld en beleefd heb, ook wanneer dat mij alles kan kosten.
Dat maakt mij tot een vreemdeling.
Niet omdat ik buiten de wereld sta, maar omdat ik weiger haar mooier voor te stellen dan zij is. Niets meer, niets minder.
Niet omdat ik buiten de wereld sta, maar omdat ik weiger haar mooier voor te stellen dan zij is. Niets meer, niets minder.