18 februari 2026
Een natuurlijke geschiedenis van straf en het strafrecht (deel 2)
We lichtten eerder toe dat onze neiging tot straffen geen moderne uitvinding is, maar een krachtig sociaal mechanisme, gevormd door miljoenen jaren evolutie. De geschiedenis van straf en strafrecht heeft diepe evolutionaire fundamenten. In dit tweede deel hebben we het over informele vormen van bestraffing in kleinschalige gemeenschappen.
_De evolutionaire wortels van bestraffing in kleine groepen
Bestraffing is van alle tijden. Tot diep in de negentiende eeuw werd de publieke schandpaal gebruikt om normovertreders in het openbaar te vernederen en te straffen. Wie zich niet aan de groepsregels hield, werd voor het oog van de gemeenschap bespot en soms zelfs bekogeld met rotte eieren, stenen of dode katten. Zulke straffen waren niet alleen bedoeld als vergelding, maar hadden een krachtige signaalfunctie: dergelijk gedrag werd collectief afgekeurd.
Hoewel dergelijke fysieke strafpraktijken vandaag verdwenen zijn, leeft het achterliggende principe voort. Ook nu nog zijn mensen sterk gemotiveerd om anderen te straffen wanneer zij gedrag waarnemen dat als oneerlijk of grensoverschrijdend wordt ervaren. Dat mechanisme zit diep in ons verankerd.
Crosscultureel blijkt bestraffing een universeel onderdeel van sociale systemen. Mensen zijn zelfs bereid kosten te maken om overtreders te straffen. Het niet bestraffen van normschendingen roept gevoelens van verontwaardiging en onrechtvaardigheid op. Bestraffing is een mechanisme om normen te handhaven, samenwerking te beschermen en sociale orde te behouden. Maar om te begrijpen waarom dat zo is, moeten we terugkijken naar onze evolutionaire voorgeschiedenis. In vroege menselijke samenlevingen, waar individuen afhankelijk waren van samenwerking in kleine, hechte groepen, was het handhaven van sociale normen letterlijk van levensbelang. Bestraffing ontwikkelde zich als een krachtig instrument om gedrag te reguleren en antisociaal gedrag te ontmoedigen.
Darwin zocht als een van de eerste wetenschappers een natuurlijke verklaring voor samenwerking. In The Descent of Man (1871) beschreef hij hoe sociale instincten zoals empathie en de drang naar sociale goedkeuring ons gedrag beïnvloeden. De angst voor sociale afkeuring en de wens om erbij te horen, zorgen ervoor dat mensen anticiperen op de reacties van anderen. Het ervaren van schaamte maakt daar deel van uit. Darwin beschreef moralistische agressie: de neiging om groepsleden te corrigeren, niet enkel uit eigenbelang, maar uit een gevoel van verantwoordelijkheid. Sociale controle was volgens hem een voorwaarde voor groepscohesie en collectief voortbestaan.
In de twintigste eeuw kwamen evolutiebiologen tot nieuwe inzichten die deze ideeën verder onderbouwden. De Amerikaanse evolutionaire bioloog Robert Trivers (°1943) ontwikkelde de theorie van wederkerig altruïsme: mensen zijn bereid anderen te helpen, op voorwaarde dat er later iets tegenover staat. Maar dat systeem werkt enkel als er manieren zijn om bedriegers te bestraffen. De sleutel ligt in herhaalde interacties, het herkennen van groepsleden en het onthouden wie betrouwbaar is geweest. Daardoor ontstaat er een vorm van sociale boekhouding: wie geeft, krijgt terug. Maar wie alleen neemt, wordt uitgesloten.
Dat idee werd verder verfijnd door Richard Alexander (1929-2018), die aantoonde dat mensen sociaal gedrag vertonen om hun reputatie hoog te houden. Wie als hulpvaardig bekendstaat, krijgt meer kansen op samenwerking. Reputatie functioneert als een sociaal krediet en het idee van indirecte wederkerigheid, ik help jou, en een ander helpt mij, blijkt bijzonder krachtig. Alexander richtte zich niet zozeer op bestraffing, maar argumenteerde dat morele systemen ook zonder expliciete sancties kunnen functioneren. Gedeelde overtuigingen en verwachtingen, in combinatie met het streven naar goedkeuring en het vermijden van afkeuring, zorgen ervoor dat mensen zich aan sociale normen houden.
Michael Tomasello (°1950) voegde daar een nieuw perspectief aan toe door te kijken naar de evolutionaire oorsprong van menselijke samenwerking. Hij stelt dat rond 400.000 jaar geleden, als gevolg van klimaatverandering, onze voorouders gedwongen werden om nauwer samen te werken. Individuele voedselverzameling maakte plaats voor gemeenschappelijke jacht en verdediging. In deze context ontstond, volgens Tomasello, een interdependente sociale structuur, waarin samenwerking essentieel werd voor overleving. Individuen die coöperatief en betrouwbaar waren, kregen de voorkeur. Tomasello introduceerde twee mechanismen: partnerkeuze (selectief samenwerken met wie betrouwbaar is) en partnercontrole (bestraffen van wie zelfzuchtig of dominant is).
Maar deze mechanismen bleven kwetsbaar voor ondermijning door dominante individuen. In primatensamenlevingen is fysieke kracht vaak bepalend voor wie toegang krijgt tot middelen. De Amerikaanse primatoloog-antropoloog Christopher Boehm (1931-2021) stelde dat de mens zich daar radicaal van onderscheidt. In egalitaire jager-verzamelaarsgroepen ontstonden, volgens Boehm, geleidelijk coalities van ondergeschikten die zich gezamenlijk verzetten tegen dominante, asociale groepsleden. Groepsbestraffing, zoals roddel, publieke vernedering, uitsluiting of in extreme gevallen zelfs executie, functioneerde als een collectieve rem op agressie en egoïsme. Dit fenomeen noemt Boehm 'omgekeerde dominantie': niet het sterkste individu beslist, maar de groep.
Volgens Boehm waren de evolutionaire gevolgen van dit mechanisme ingrijpend. Gedrag dat leidt tot uitsluiting vermindert kansen op samenwerking en voortplanting. Over duizenden generaties ontstond er een selectiedruk tegen reactieve agressie en vóór eigenschappen als zelfcontrole, altruïsme en normconformiteit. Groepsbestraffing stimuleerde de ontwikkeling van morele emoties zoals schuld en schaamte, waardoor mensen zich ook zonder externe sanctie gingen reguleren. Boehm ziet het geweten daarom als een product van sociale selectie.
De Britse primatoloog-antropoloog Richard Wrangham (°1948) breidde deze inzichten uit met zijn zelfdomesticatiehypothese. Volgens hem werden mensen via collectieve bestraffing van gewelddadige individuen evolutionair minder impulsief-agressief. Wanneer uitsluiting van antisociale individuen niet volstond, konden groepen overgaan tot executie, een drastische maar effectieve manier om dominante en agressieve individuen te neutraliseren.
Op deze manier ontstond over meerdere generaties heen selectiedruk tegen impulsieve agressie: individuen met betere emotieregulatie en zelfbeheersing hadden hogere overlevings- en voortplantingskansen. Dit leidde tot biologische en gedragsmatige veranderingen in onze soort: mensen werden toleranter, socialer en beter afgestemd op samenwerking. Wrangham beschouwt de moderne mens als een gedomesticeerde soort, vergelijkbaar met tamme dieren, waarin reactieve agressie is onderdrukt ten voordele van sociaal gedrag.
De overgang naar landbouw, tussen 13.000 en 10.000 jaar geleden, markeerde een cruciale verandering. Gemeenschappen groeiden en mensen leefden steeds vaker samen met onbekenden. De nood aan bredere coördinatie van gedrag groeide. Informele bestraffing volstond niet meer: normen werden gecodificeerd, en sociale controle kreeg een institutionele dimensie.
Sommige onderzoekers wijzen op het ontstaan van alziende godheden, Big moralizing Gods, die het gedrag van groepsleden moesten reguleren in grotere, minder hechte gemeenschappen. Of het nu via religie, rechtssystemen of gedeelde rituelen gebeurde, het doel bleef hetzelfde: het stimuleren van normconformiteit, het afstraffen van normoverschrijding en het waarborgen van sociale orde.
Deze evolutionaire inzichten tonen dat bestraffing in kleine groepen niet enkel een reactie was op normovertreding, maar een fundamenteel mechanisme dat samenwerking mogelijk maakte en het sociale weefsel versterkte, een mechanisme dat zich uiteindelijk zou ontwikkelen tot meer georganiseerde, culturele en institutionele structuren. Daarover meer in het derde blogdeel.
(Wordt vervolgd.)
Lees hier deel 1 van dit essay.