19 februari 2026
Een natuurlijke geschiedenis van straf en het strafrecht (deel 3)
In dit derde deel van ons essay over de evolutionaire en culturele geschiedenis van bestraffing en het strafrecht, gaan we dieper in op de cultureel-institutionele verankering van het strafrecht. In een eerste deel bespraken we de evolutionaire fundamenten van bestraffing, en in een tweede deel de informele vormen van bestraffing in kleinschalige gemeenschappen.
_Van informele praktijken naar culturele-institutionele structuren
Doorheen de menselijke geschiedenis maakte het idee van straf een opvallende evolutie door. Wat begon als een spontane en informele manier om het samenleven mogelijk te maken, groeide uit tot uitgewerkte strafsystemen die stevig verankerd raakten in culturele, religieuze en uiteindelijk ook wetenschappelijke kaders. In zijn bioculturele visie op menselijk gedrag onderscheidt professor emeritus Robert Cliquet drie grote fases in die ontwikkeling: een biosociale, een cultureel-religieuze en een cultureel-wetenschappelijke fase.
De eerste fase begon meer dan zeven à acht miljoen jaar geleden, bij de overgang van prehominine primaten naar de moderne mens. In die periode functioneerden sociale normen vooral op informele wijze. Binnen kleine groepen van jager-verzamelaars, waarin samenwerking en onderlinge afhankelijkheid essentieel waren voor overleving, werden overtredingen bestraft met spontane reacties zoals roddel, uitsluiting of het weigeren van samenwerking. Het schrift bestond nog niet, maar er was wel een gedeeld sociaal inzicht en een sterke groepsdruk die gedragingen binnen aanvaardbare grenzen hield. In die context evolueerde ook het menselijk brein verder in grootte en complexiteit. Terwijl gedrag bij dieren grotendeels genetisch gestuurd blijft, ontwikkelden mensen culturele patronen die bepalend werden voor hoe samenlevingen functioneerden. Steeds meer steunden menselijke groepen op gedeelde symboliek, waarden en rituelen. Straf had hierin een duidelijke functie: het hielp om de sociale orde te behouden, nog lang voor er sprake was van formele instellingen, wetgeving of rechtspraak.
De tweede fase begon met de ontwikkeling van de landbouw en de overgang naar vaste nederzettingen, zo'n 10.000 jaar geleden tijdens het neolithicum. Een periode die gekenmerkt wordt door een aantal ingrijpende veranderingen in het menselijke leven. Naarmate gemeenschappen groeiden en de samenleving complexer werd, volstond informele normhandhaving niet meer. Er ontstond behoefte aan stabielere structuren om orde te bewaren. In deze fase, die Cliquet cultureel-religieus noemt, werden sociale regels vaak ingebed in religieuze kaders. Morele voorschriften kregen een bovennatuurlijke legitimatie en werden verbonden aan goddelijke geboden. Straf kreeg daarmee niet alleen een sociale, maar ook een spirituele dimensie. Dankzij de uitvinding van het schrift konden deze regels voor het eerst formeel worden vastgelegd, vaak vermengd met religieuze autoriteit. Denk aan de Codex Hammurabi of de Tien Geboden, waarin normen van bovenaf werden opgelegd en bekrachtigd met sancties. Het geloof in zogeheten moraliserende goden, bovennatuurlijke wezens die het gedrag van mensen doorlopend observeerden en oordeelden, versterkte deze ontwikkeling. Volgens onderzoekers als Ara Norenzayan droegen zulke overtuigingen bij aan de sociale samenhang binnen steeds groter wordende en anoniemere samenlevingen. Socioloog Max Weber wees er eerder op hoe religieuze ideeën ook een ethiek van discipline, orde en plichtsbesef vormden, die vervolgens doordrong tot zowel religieuze instituties als vroege rechtssystemen.
Vanaf de achttiende eeuw begon, onder invloed van de Verlichting en de opkomst van de empirische wetenschap, een nieuwe fase waarin rede en rationeel denken het dominante denkkader gingen vormen. Straf moest voortaan niet langer worden verantwoord vanuit religieuze openbaring, maar moest logisch en maatschappelijk te onderbouwen zijn. Verlichte denkers als Cesare Beccaria, Jeremy Bentham en John Stuart Mill legden de basis voor een humaner en meer preventief georiënteerd strafrecht. Beccaria verzette zich tegen willekeur en wreedheid, en beschouwde straf als een middel om het maatschappelijk welzijn te bevorderen. Bentham introduceerde het utilitarisme als principe om straf af te meten aan het algemeen nut: straf moet niet vergeldend zijn, maar bijdragen aan het grotere goed. Mill beklemtoonde het belang van individuele vrijheid, zolang die geen schade toebrengt aan anderen. In deze benadering werd straf een onderdeel van een breder cultureel-wetenschappelijk project: het moest onderbouwd zijn met argumenten, toepasbaar zijn op iedereen en gebaseerd zijn op het principe van rechtvaardigheid.
Tegelijkertijd verschoof ook het morele kader. Niet alleen het collectieve belang, maar ook het individuele perspectief kwam centraal te staan. Cliquet noemt dit 'moreel individualisme': het idee dat elke mens drager is van onvervreemdbare rechten. Dat werd gecombineerd met een groeiend 'moreel universalisme', waarbij het moreel bewustzijn zich niet langer beperkte tot de eigen groep, maar zich uitstrekte tot de mensheid als geheel, en zelfs tot de planeet. Straf werd zo steeds vaker bekeken vanuit meerdere invalshoeken: die van de dader, het slachtoffer, de gemeenschap, de rechtsstaat en bredere ethische principes.
De industrialisering bracht een verdere formalisering en professionalisering van strafsystemen met zich mee. Strafrecht werd systematisch vastgelegd, juridisch onderbouwd en ondersteund door technologie. Socioloog Jonathan Turner spreekt hier van de symbolische legitimiteit van het recht: een systeem dat zijn gezag niet langer ontleent aan religie of familietraditie, maar aan abstracte en gedeelde waarden zoals rechtvaardigheid, democratie en mensenrechten. Tegelijk zorgde die institutionalisering ook voor een grotere afstand tussen het rechtssysteem en de burger. Wat ooit een direct en sociaal proces was, werd steeds formeler, technocratischer en minder spontaan.
Vandaag staat het strafrecht opnieuw voor grote uitdagingen. Technologische innovaties zoals algoritmische besluitvorming, grootschalige surveillance, predictive policing en artificiële intelligentie brengen fundamentele vragen met zich mee over de legitimiteit van straf. Wie bepaalt wat rechtvaardig is in een wereld waarin steeds meer beslissingen aan machines worden overgelaten? Wat blijft er over van menselijke autonomie en morele verantwoordelijkheid wanneer gedrag via data voorspelbaar, en zelfs beïnvloedbaar, wordt?
De geschiedenis van het strafrecht laat zien dat culturele systemen zich niet in een vacuüm ontwikkelen. Ze bouwen voort op voorkeuren en neigingen die gedurende tienduizenden jaren van leven in kleine, op verwantschap gebaseerde jagers-verzamelaarssamenlevingen zijn gevormd. In die context waren samenwerking, loyaliteit en wederkerigheid cruciaal voor overleving. Gedrag dat de groepscohesie versterkte werd gewaardeerd, terwijl normafwijkend gedrag werd afgekeurd of bestraft. Culturele normen, morele overtuigingen en zelfs formele rechtsregels zijn later op deze diepgewortelde menselijke preferenties gaan voortbouwen. Zo is het strafrecht, ondanks zijn formele en rationele verschijningsvorm, in veel opzichten nog steeds geworteld in die evolutionaire erfenis. Sommige straffen voelen vanzelfsprekend 'juist' aan, zoals wanneer een groepslid dat zich als een freerider gedraagt – voortdurend profiteert van de inspanningen van anderen en de samenwerking ondermijnt – door de groep wordt terechtgewezen. Andere straffen kunnen juist als onrechtvaardig aanvoelen, bijvoorbeeld wanneer iemand relatief licht bestraft wordt voor een ernstige overtreding, of verantwoordelijk wordt gehouden voor gevolgen die hij niet direct heeft veroorzaakt. Zoals Morris B. Hoffman (2014) in The Punisher's Brain aangeeft, ontstaan zulke spanningen omdat onze intuïtieve gevoelens over schuld en vergelding diep in ons brein zijn verankerd door tienduizenden jaren van samenleven in kleine, samenwerkende groepen. Het laat zien dat onze morele intuïties nog steeds een rol spelen in hoe we moderne wetten en straffen beoordelen. Wie straf echt wil begrijpen, moet ook inzien in welke samenleving die straf tot stand komt en hoe die samenleving verandert. Want naarmate technologie en digitalisering onze wereld steeds ingrijpender vormgeven, dringt zich een nieuwe vraag op: hoe zal bestraffing eruitzien in een hoogtechnologische toekomst? Dit bespreken we in het slotdeel van dit essay.
(Wordt vervolgd.)