20 april 2026
Panorama van Aotearoa #12: Wie mag een land verbeelden? Hundertwasser in Whangārei, tussen ecologie, migratie en Māori-kunst
In Whangārei vertraagde mijn blik nog voor ik goed en wel besefte waarom.
Dat is misschien het eerste wat ik over het Hundertwasser Art Centre with Wairau Māori Art Gallery moet zeggen. Niet alleen dat het opvallend, kleurrijk of eigenzinnig is. Wel dat het mijn manier van kijken veranderde. Ik liep er niet binnen zoals men een museum bezoekt dat zich netjes laat afwerken, zaal na zaal. Ik begon te dwalen. Mijn notitieboek in de hand, mijn camera losjes klaar. Omhoog kijken, opzij, terug. Alsof het gebouw zelf vroeg om mijn behoefte aan orde, overzicht en onmiddellijke betekenis even op te schorten.
Sommige gebouwen doen dat. Zij willen niet alleen bekeken worden, maar leggen een ander ritme op. Ze dwingen vertraging af. Ze maken de rechte lijn ineens verdacht. Zo verging het mij daar. Ik aarzelde, keerde terug, bleef staan, keek opnieuw. Het gebouw liet zich niet samenvatten in één keurige eerste indruk. Gelukkig maar.
Men stapt hier geen brave museumdoos binnen. Men betreedt een ruimte met overtuigingen. Lijnen buigen af. Een dak wordt tuin. Goud licht op waar Europa wellicht weer voor grijs beton had gekozen, alsof ernst alleen in soberheid zou wonen. Een muur gedraagt zich niet helemaal zoals een muur zich volgens de architecturale catechismus hoort te gedragen. Men kan dat speels noemen. Of excentriek. Maar dat zijn te kleine woorden. Wat hier zichtbaar wordt, is geen stijlgril, maar een wereldbeeld.
In Europa wordt Friedensreich Hundertwasser nog te vaak herleid tot een kleurrijke zonderling: de man van golvende gevels, rare ramen, ecologisch aura en dat toilet in Kawakawa dat bijna bekender werd dan zijn ideeën. Dat is niet helemaal onjuist, maar wel beschamend beperkt. Alsof men een componist alleen nog kent van een reclamedeuntje. In Whangārei verschijnt hij niet als curiosum, maar als iemand voor wie vorm altijd ook ethiek, levenshouding en verzet was.
Hundertwasser werd in 1928 in Wenen geboren als Friedrich Stowasser. Hij groeide op in het beschadigde hart van Europa, in de schaduw van oorlog, vervolging en verlies. Langs moederskant werd een groot deel van zijn familie door het naziregime vermoord. Dat verklaart niet alles, maar helpt wel begrijpen waarom hij later zo wantrouwig stond tegenover een beschaving die orde, rationaliteit en vooruitgang graag voorstelt alsof die moreel neutraal zouden zijn. Na de oorlog studeerde hij kort aan de academie in Wenen, maar het academische model hield hem niet vast. Hij koos zijn eigen traject: schilder, denker, architecturaal rebel, ecologisch pleitbezorger, ontwerper van vlaggen en publieke ruimte, reiziger tussen continenten. Hij werd veel meer dan een schilder. Hij werd iemand die het leven zelf als vormprobleem begon te zien.
Dat voelde ik hier scherp. Hundertwasser wilde niet alleen andere beelden maken, maar anders wonen, anders bouwen, anders leven. Hij wantrouwde de rechte lijn niet omdat die enkel een vorm was, maar omdat zij voor hem een beschaving belichaamde die te veel wil beheersen, standaardiseren en gladstrijken. Daartegenover zette hij verschil, vegetatie, onregelmatigheid en groei. Geen huis als machine, maar als organisme. Geen dak als afsluiting, maar als aarde. Geen boom als decoratie, maar als medebewoner. Voor Europese oren klinkt dat misschien licht utopisch. Maar na een continent dat zichzelf heeft volgebouwd met dozen, parkeerterreinen en beleidsjargon, lijkt mij dat wantrouwen niet ongezond.
Misschien raakte mij dat ook omdat ik daar liep als Europeaan, als Vlaming. Met mijn eigen bagage van rotondes, verkavelingen, afgelijnde percelen, goedgekeurde plannen en efficiëntie als norm. Daardoor tekenden Nieuw-Zeeland en Vlaanderen zich in mijn hoofd bijna vanzelf tegen elkaar af.
Hier voelt ruimte anders aan. Niet leeg, maar open. Niet onschuldig, maar geladen. Land is hier zelden alleen grond. Het draagt geschiedenis, genealogie, verlies en verantwoordelijkheid. Men loopt hier niet zomaar over een oppervlak. Men betreedt lagen van betekenis. Misschien is dat een van de grote verschillen met Vlaanderen, waar wij ruimte grotendeels hebben herleid tot perceel, bestemming, rendement en compromis. Onze landschappen zijn niet alleen fysiek vol geraakt, maar ook mentaal. Alles moet ergens toe dienen. Alles moet verantwoord zijn. Alles moet passen. Wij beheren ruimte voortreffelijk, maar verbeelden haar nog zelden.
En dan dringt zich ook zijn oorsprong op. Hundertwasser bleef, zelfs hier, een man van Wenen. Ik heb die stad altijd ervaren als een plek van schittering en nervositeit tegelijk: Secession, Freud, Adolf Loos, en die Weense gevoeligheid die ook Stefan Zweig zo trefzeker heeft beschreven, waarin elegantie altijd iets broos behoudt. Terwijl ik door het centrum liep, kreeg ik steeds sterker het gevoel dat ik hier niet zozeer een kunstenaar ontdekte die Wenen achter zich had gelaten, maar iemand die zijn hele Weense bagage had meegenomen naar Aotearoa en haar daar had omgesmeed tot een ander bestaan. Ook het bredere Oostenrijkse kunstklimaat, van de Weense avant-garde tot de latere fotografische en theoretische platforms errond, lijkt daarin nog na te resoneren. Dat maakt hem rijker dan zijn imago. Zijn kunstenaarschap beperkte zich niet tot het atelier. Het waaierde uit naar wonen, ecologie, burgerschap en samenleven.
Ook de ontstaansgeschiedenis van dit centrum doet ertoe. Het kwam er niet vanzelf. Achter de huidige vanzelfsprekendheid schuilen jaren van discussie, weerstand, financiële twijfel en politieke aarzeling. Dat verhoogt net de geloofwaardigheid van de plek. Grote publieke kunstprojecten worden zelden geboren in consensus. Ze worden eerst te duur, te vreemd, te elitair of te lastig gevonden. Pas later noemt men ze onmisbaar. Cultuur die zonder wrijving tot stand komt, is soms ook cultuur die niemand echt nodig had.
Gaandeweg begon ik Hundertwasser ook sterker als mens te zien. Niet alleen als kunstenaar, maar als iemand met een bijna ontembare behoefte om het leven zelf vorm te geven. Huizen mochten voor hem geen machines zijn om in te wonen, maar organismen. Ramen waren zones van vrijheid. Daken geen deksel, maar tuin. Bomen geen decor, maar bewoners. Men kan dat excentriek noemen. Ik vond het vooral ernstig, in de beste zin: als een principiële weigering om mee te werken aan een ontzielde beschaving.
Dat kreeg nog meer gewicht toen ik aan zijn leven in Nieuw-Zeeland dacht. Hij kwam hier niet zomaar kijken. Hij koos dit land niet als pittoresk decor voor een tweede leven in de marge van zijn Europese roem. Hij wilde hier zijn. Hier wonen, werken, wortelen, uiteindelijk ook begraven worden. Dat is geen voetnoot bij een kunstenaarsbiografie. Dat is een existentieel gebaar. Een vorm van afscheid nemen van Europa, of minstens van dat deel van Europa dat leven al te vaak verwart met orde.
Ook zijn ideeën over begraven worden bleven hangen. Niet in steen of marmer. Niet in een monument van status. Maar in de aarde, onder een boom, als humus. Voor een vrijzinnige gevoeligheid heeft dat iets waardigs: geen bovennatuurlijke troost, geen decor van onsterfelijkheid, maar terugkeer in materie, kringloop en aarde. Tegelijk wordt zo'n gedachte in Aotearoa nooit helemaal abstract, omdat land hier zelden neutraal is. Juist dat maakt Hundertwasser interessant: hij roept niet alleen bewondering op, maar ook vragen. En dat is meestal waardevoller.
Panorama van Aotearoa #12: Wie mag een land verbeelden? Hundertwasser in Whangārei, tussen ecologie, migratie en Māori-kunst
Misschien kreeg dat alles nog het scherpste reliëf bij wat men als zijn laatste schilderij beschouwt. Als de foto die ik hier gebruik inderdaad dat werk toont, dan gaat het om Rauch in Grün, Smoke in Green, begonnen aan boord van de Queen Elizabeth 2, enkele dagen voor zijn dood. Alleen al die titel is raak. Geen triomfantelijk slotakkoord. Geen programmatische eindverklaring. Eerder iets vluchtigs, dampends, ongrijpbaars. Rook in groen. Alsof vorm hier opnieuw natuur wil worden: nevel, vegetatie, opstijgende materie. Het werk raakt niet omdat het sentimenteel is, maar omdat het toont hoe consequent Hundertwasser bleef tot het einde. Ook hier geen rechte orde, geen koel afscheid, geen berustende stilte. Wel beweging, kleur, organische onrust. Het oogt niet als een slot, maar als een overgang.
Die vragen werden nog scherper bij zijn koru-vlag voor Nieuw-Zeeland. Want zodra een kunstenaar een vlag ontwerpt, verlaat hij het veilige terrein van de esthetiek. Dan raakt hij aan identiteit, legitimiteit en representatie. Wat mag een symbool dragen? Wie mag het aanreiken? Vanuit welke geschiedenis?
Wat Hundertwasser hier deed, was niet gering. Hij stelde een alternatief visueel model voor een land voor. Minder Britse schaduw, minder heraldiek, meer groei, ritme en organische wording. Visueel is dat sterk. Maar tegelijk dringt de vraag zich op wat het betekent wanneer een in Wenen geboren kunstenaar in zijn nieuwe land een bijna tegen-nationaal symbool ontwerpt. Daar zit spanning op. Tussen liefde en projectie. Tussen identificatie en toe-eigening. Precies daar wordt het interessant. Kunst die alleen maar bevestigt, doet zelden meer dan netjes knikken.
Onvermijdelijk dacht ik daarbij ook aan Vlaanderen. Niet om goedkoop te provoceren, maar om de kwestie scherper te stellen. Wij behandelen de Vlaamse vlag vaak alsof zij buiten elke discussie staat, terwijl zij al lang meegezogen is in partijpolitieke toe-eigening, identitaire borstklopperij en cultureel simplisme. Alsof één zwarte leeuw op geel doek nog moeiteloos de complexiteit van een regio kan dragen: haar steden, havens, meertaligheid, natte landschappen, compromiscultuur en rafelige geschiedenis. En toch is Vlaanderen altijd groter geweest dan zo'n eenduidig symbool. Alleen al zijn kunst en cultuur bewijzen dat. Van Bruegel tot Borremans loopt geen rechte lijn, maar een lange geschiedenis van verbeelding, twijfel, inventiviteit en tegenspraak. Hier ontstonden de werelden van Bruegel, Rubens en Van Dyck, later ook de ontregeling van Ensor, de aardse monumentaliteit van Permeke, de droomachtige vervreemding van Delvaux, de dwarse verbeeldingskracht van Panamarenko, de kritische scherpte van Broodthaers, de theatrale intensiteit van Jan Fabre, de donkere fotografische stilte van Dirk Braeckman, en in onze tijd de geladen beelden van Tuymans en Borremans. Maar Vlaanderen klinkt ook anders: in het theater van FC Bergman, in de muzikale discipline en verfijning van Brussels Philharmonic. Dat alles samen toont geen gesloten identiteit, maar een cultuur van nuance, spanning, metamorfose en gelaagdheid. Misschien heeft een samenleving er soms belang bij dat iemand haar symbolisch meubilair door elkaar schudt. Niet om geschiedenis uit te wissen, maar om haar weer ademruimte te geven. Niet om traditie te bespotten, maar om te verhinderen dat zij verhardt tot een vaandel voor verkleining.
En toch ligt daar ook een grens. Precies daarom is deze plek meer dan een monument voor een Europese kunstenaar die Nieuw-Zeeland liefhad. Zij is ook verbonden met de Wairau Māori Art Gallery. Dat is geen detail. Het verandert de betekenis van het hele gebouw. Zonder die levende Māori-aanwezigheid zou dit centrum altijd het risico lopen een Europese projectie op Aotearoa te blijven. Met die aanwezigheid wordt het een ruimte van gesprek, correctie en wederwoord.
Dat is uiteindelijk wat mij in Whangārei het meest bijbleef. Niet alleen de kleuren of de gouden koepel. Ook niet alleen de charme van een kunstenaar die tot het einde koppig zijn eigen wereld bleef ontwerpen. Wat bleef hangen, was de vraag wie een land mag verbeelden, en onder welke voorwaarden.
Precies daarin ligt de kracht van dit centrum. Niet dat het een oplossing biedt, maar dat het schoonheid en spanning samen durft te tonen. Dat het een Europese migrant-kunstenaar eert zonder de Māori-aanwezigheid tot folklore te reduceren. Dat het ecologie, architectuur, identiteit en geschiedenis in één ruimte samenbrengt.
Ik liep er buiten met een blik die iets minder op orde en daardoor misschien iets ontvankelijker was geworden. Misschien is dat de echte verdienste van deze plek: dat zij niet alleen toont hoe Hundertwasser de wereld zag, maar ook even vraagt of wij bereid zijn anders te kijken.