11 mei 2026
De last van het inzicht. Leopold Flam en Sigmund Freud over innerlijkheid en verantwoordelijkheid
Wie vandaag over innerlijkheid schrijft, doet dat in een landschap dat Sigmund Freud (1856-1939) grondig en blijvend heeft veranderd. Zijn psychoanalyse heeft het klassieke beeld van de mens als een wezen dat zichzelf kent en beheerst, voorgoed verstoord. Sindsdien is het moeilijk geworden om over menselijk handelen, schuld of verantwoordelijkheid te spreken alsof de mens volledig samenvalt met zichzelf, alsof wat hij doet eenvoudig herleidbaar is tot wat hij weet of wil. Er werkt in hem meer dan hij kan overzien, en dat besef heeft het moderne zelfbegrip blijvend doorbroken.
Ook Leopold Flam vertrekt van dit ongemak, maar wie zijn boek De innerlijke mens (Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1953) leest, merkt al snel dat hij er een wezenlijk andere richting mee uitgaat. Hij maakt van innerlijkheid geen theorie en geen methode, en hij beschouwt haar allerminst als een probleem dat door inzicht kan worden opgelost.
Bij Flam is innerlijkheid niet een laag onder het bewustzijn die men kan onderzoeken en geleidelijk in kaart brengen. Zij is de onrust die de mens kenmerkt zolang hij eerlijk tegenover zichzelf staat: het besef dat hij nooit helemaal samenvalt met wie hij denkt te zijn, dat hij altijd meer en minder is dan zijn eigen zelfbeeld, en dat dit een spanning geeft die niet door begrip wordt weggenomen.
Freud heeft het klassieke beeld van het autonome subject grondig ondermijnd met zijn nuchtere vaststelling dat ‘das Ich nicht Herr in seinem eigenen Hause ist’ (Sigmund Freud, Eine Schwierigkeit der Psychoanalyse, in: Gesammelte Werke, Band XII, Frankfurt am Main: S. Fischer, 1947, p. 11). Daarmee verdwijnt het idee van een transparant ik dat zichzelf volledig zou beheersen, en wordt zichtbaar hoe menselijk handelen voortdurend wordt doorkruist door driften, verlangens en verdrongen ervaringen die zich niet aan de bewuste wil onderwerpen.
Flam vertrekt van dezelfde ervaring van niet-samenvallen, maar weigert haar te behandelen als een klinisch vraagstuk dat om een diagnostische oplossing vraagt. In De innerlijke mens is het innerlijke niet een verborgen ruimte die geduldig kan worden ontsloten, maar een constitutieve verdeeldheid waarmee de mens nu eenmaal leeft. Die verdeeldheid is voor Flam geen symptoom en geen gebrek: zij is de voorwaarde waaronder de mens überhaupt een moreel wezen kan zijn. Wie die spanning wil wegwerken, wil in feite iets fundamenteels aan het mens-zijn ontnemen.
Waar Freud het innerlijke benadert als een structuur die nauwkeurig onderzocht kan worden, beschouwt Flam dat gegeven als een fundamentele conditie van het bestaan. Het gaat hem niet om de vraag hoe die verdeeldheid functioneert, maar om wat het vraagt om er eerlijk mee te leven. Want bij Flam vergezelt de innerlijke spanning het bestaan niet als iets wat men uiteindelijk kan leren beheersen of milderen: zij scherpt zich aan naarmate men haar serieuzer neemt. Die tegenstelling wordt het scherpst zichtbaar in hun respectievelijke omgang met innerlijk conflict, met de pijnlijke tegenstelling tussen wat de mens weet dat hij moet doen en wat hij feitelijk doet, tussen zijn aanspraken op zichzelf en de werkelijkheid van zijn handelen.
Bij Freud blijft dat conflict weliswaar reëel maar fundamenteel beweeglijk: driften, verlangens en morele geboden botsen, maar die botsing heeft geen definitief karakter. Zij kan van intensiteit veranderen, verschuiven naar andere vormen, en door analyse gedeeltelijk worden verlicht. Analyse belooft geen rust of overeenstemming met zichzelf, maar wel een grotere speelruimte: de mens wordt minder overgeleverd aan wat hem van binnenuit drijft, zodra hij begrijpt waarvandaan het komt.
Bij Flam ontbreekt precies die bewegingsruimte. Innerlijk conflict is bij hem geen fase die kan worden verwerkt of verlicht, maar een structureel gegeven dat bij het bestaan hoort en dat niet verdwijnt wanneer men het begrijpt. Integendeel, inzicht maakt het scherper en onontkoombaarder, omdat het de mens confronteert met wat niet kan worden weggenomen.
Op dit punt staat Flam eerder naast Camus dan naast Sartre. Net als Camus gelooft hij niet dat bewustzijn het onbehagen van het bestaan kan oplossen: het maakt er de mens alleen verantwoordelijker voor. Het existentiële conflict is bij Flam niet de aanleiding tot een project van zelfbevrijding in de Sartriaanse zin, maar de onafwijsbare conditie van wie weigert zichzelf te bedotten. Iemand die zijn innerlijke gespletenheid volledig begrijpt en haar toch niet kan opheffen, staat voor Flam moreel sterker dan iemand die haar heeft weggeredeneerd.
Freud vertrouwt op zelfkennis als een weg die, hoe moeizaam ook, iets van de innerlijke drang kan losmaken. Wat verborgen is, kan zichtbaar worden, en wat zichtbaar wordt, verliest geleidelijk iets van zijn greep op het handelen. Vandaar ook dat de psychoanalyse zich als therapie aanbiedt: niet als verlossing, maar als een manier om met de eigen innerlijkheid minder bekneld te raken. Bij Flam werkt deze logica niet en zou zij ook niet mogen werken.
In De innerlijke mens leidt dieper zelfbegrip niet tot bevrijding maar tot verzwaring van de verantwoordelijkheid. Wie zichzelf beter begrijpt, heeft minder excuses voor wat hij doet en nalaat; kennis verplaatst de last, zij neemt haar niet weg. Dat wordt concreet waar Flam schrijft dat ‘de innerlijkheid van de mens geen toevlucht is, maar een onrust die niet kan worden afgelegd’ (De innerlijke mens, p. 61). Zelfkennis is hier geen rustpunt maar een aanhoudende confrontatie met wat men niet kan veranderen maar wel moet dragen.
Ook in hun opvatting van spreken loopt dit verschil verder door. Voor Freud is spreken een manier om vastgezette innerlijke spanning los te maken: wat tot woorden wordt gebracht, verliest iets van zijn beknelling en opent de mogelijkheid tot verschuiving. Taal is in de psychoanalyse het eigenlijke instrument van de therapie, de weg waarlangs het verdrongene zichtbaar en daarmee hanteerbaar wordt. Flam staat daar sceptisch tegenover, niet omdat hij taal onbelangrijk acht maar om de tegengestelde reden: hij neemt haar te serieus om haar als techniek te beschouwen.
In De innerlijke mens bindt spreken de spreker aan wat hij zegt: het maakt het innerlijke niet lichter maar concreter en dwingender, omdat het hem vastlegt op een uitgesproken positie en hem wegtrekt uit de beschutting van het nog-niet-gezegde. Woorden zijn bij Flam geen ontlading maar een daad die de spreker onherroepelijk verplicht tot wat hij heeft gezegd.
Het is in dit verband ook de moeite waard te vermelden dat Flam zich elders in zijn werk, met name in De gekwetste existentie (1983), expliciet kritisch over Freud uitlaat. Hij stelt daar dat Freud eigenlijk niet het ‘wij’ kent, alleen het ego, superego en ideaal-ego, en dat de psychoanalyse daardoor terechtkomt in een versnipperde en uiteenvallende mensvisie die de werkelijke intersubjectiviteit van het bestaan mist. Die kritiek verdiept het verschil dat hier wordt beschreven: voor Flam is innerlijkheid nooit uitsluitend een kwestie van de enkeling, maar altijd ook een morele verhouding tot anderen.
Freud beseft dat vrijheid een zware last is, omdat zij de mens confronteert met verantwoordelijkheid die hij liever zou ontwijken. Het onbehagen dat bij beschaving hoort, heeft voor hem te maken met de prijs die de mens betaalt voor het samenleven: hij moet driften bedwingen, verlangens uitstellen en zich aan regels houden die hem op andere vlakken beperken.
Flam legt de nadruk anders. Voor hem is verantwoordelijkheid niet een gevolg van vrijheid, iets wat er als een last bij komt, maar haar innerlijke kern, het punt waarop vrijheid pas werkelijk wordt. Zij kan niet worden verzacht door verklaring, inzicht of therapie. Waar Freud zoekt naar wat het leven met de eigen gespletenheid draaglijker maakt, wijst Flam die vraag principieel af: wie naar draaglijkheid zoekt, stelt al de verkeerde vraag.
Freud heeft de moderne mens geleerd dat hij niet samenvalt met zichzelf, maar hij blijft zoeken naar wat die ontdekking werkzaam maakt, naar hoe het inzicht in de eigen gespletenheid kan worden omgezet in een iets minder gebonden bestaan. Flam weigert die omzetting. De ontdekking blijft wat zij is: ze wordt niet vertaald in methode, niet verlicht door een perspectief op verbetering, niet verzacht door de belofte dat begrip iets zal veranderen. Innerlijkheid blijft haar volle gewicht behouden, en precies dat volledige gewicht erkennen is bij Flam de eigenlijke morele opgave.
Waar Freud zoekt naar wat inzicht mogelijk maakt, laat Flam zien wat inzicht onverbiddelijk eist.