27 juli 2026
Mensenrechten en de strijd om reputatie
De afgelopen jaren heeft Rusland de repressie van de lgbtq-gemeenschap aanzienlijk aangescherpt.
Zo werd de verspreiding van lgbtq-materiaal verboden en werd gendertransitie illegaal gemaakt. In 2024 bestempelde het Russische Hooggerechtshof de lgbtq-beweging zelfs als een extremistische organisatie. Ook de vervolging van en het geweld tegen lgbtq-personen nemen toe. Westerse regeringen, mensenrechtenorganisaties en activisten hebben deze ontwikkelingen krachtig veroordeeld, maar hun protesten hebben nauwelijks effect. Integendeel, Rusland voerde zijn mensenrechtenschendingen alleen maar verder op.
Rusland is niet alleen. Veel landen reageren op publieke veroordelingen door vast te houden aan mensenrechtenschendingen – of ze zelfs te intensifiëren. Daarmee ondergraven ze een wijdverbreide veronderstelling binnen de studie van de internationale politiek: dat publieke veroordelingen landen – of althans hun leiders – ertoe aanzetten de mensenrechten te respecteren doordat ze inspelen op hun bezorgdheid om hun reputatie, en aldus de positie van slachtoffers verbeteren. Maar dat is lang niet altijd wat er gebeurt. Landen leggen zulke veroordelingen vaak naast zich neer en soms verslechtert de situatie zelfs. Waarom faalt de strategie van naming and shaming zo vaak? En waarom blijven staten erop vertrouwen, terwijl ze zo dikwijls ineffectief blijkt?
Volgens Rochelle Terman, politicoloog aan de Universiteit van Chicago, draait shaming veel minder om mensenrechten dan om de belangen van de betrokken staten. Zoals ze het formuleert in haar boek The Geopolitics of Shaming: ‘States are egoists’ (p. 31). Leiders veroordelen andere staten wanneer dat hun goed uitkomt en verzetten zich tegen of geven toe aan kritiek afhankelijk van welke reactie hun het meeste oplevert. Die afweging hangt in de eerste plaats af van de relatie tussen de veroordelende staat en het doelwit. Wanneer staten bevriend zijn, werkt shaming doorgaans wel, al komt het zelden voor en gebeurt het meestal in diplomatische bewoordingen. Tussen rivalen daarentegen zijn publieke veroordelingen veel waarschijnlijker en gaan ze vaak gepaard met veel bombarie. Maar juist dan werken ze meestal averechts. De sombere conclusie luidt dan ook dat ‘shaming het vaakst voorkomt in situaties waarin het het minst effectief is’ (p. 4).
Toch blijven staten hun tegenstanders publiekelijk veroordelen. Dat komt omdat ze in de eerste plaats niet geïnteresseerd zijn in de reactie van hun doelwit. Leiders veroordelen andere staten om hun eigen morele status te versterken en tegelijk die van hun rivalen te ondermijnen. Als de geviseerde staat uiteindelijk toegeeft, is dat hooguit een welkom neveneffect. Voor de veroordelende staat kan het zelfs gunstiger zijn wanneer het doelwit zich verzet en zijn mensenrechtenschendingen verder opvoert. Dat bevestigt immers alleen maar het beeld dat die staat moreel verdorven is.
Reputatie bepaalt ook hoe staten op zulke veroordelingen reageren. Wanneer een bevriende staat kritiek uit, zijn ze eerder geneigd hun gedrag bij te sturen, omdat ze een waardevolle relatie willen behouden. Komen de verwijten daarentegen van een vijandige staat, dan worden ze – vaak terecht – afgedaan als een aanval op de status van het land. Leiders die aan zulke druk toegeven, riskeren als zwak of zelfs onderdanig te worden gezien tegenover een vijandige buitenlandse mogendheid. Om dat te vermijden kunnen ze zich juist sterker vastleggen op normschendingen die ze anders misschien nauwelijks zouden hebben nagestreefd, of die zelfs verder opvoeren. Zoals Terman concludeert: ‘shaming is minder een afschrikmiddel dan een stimulans voor normschendingen.’
Zoals ze zelf aangeeft, ondersteunt het beschikbare bewijs Termans analyse. Staten zijn eerder geneigd aan een publieke veroordeling tegemoet te komen wanneer die afkomstig is van bondgenoten dan van rivalen. Amerikaanse burgers reageren defensiever wanneer kritiek op hun eigen land wordt geuit. En mensen blijken zich in het algemeen minder om mensenrechten te bekommeren wanneer ze het gevoel hebben dat hun land wordt aangevallen en zijn status wordt bedreigd.
Reputatie speelt dus wel degelijk een belangrijke rol in de internationale politiek, maar niet op de manier die de strategie van naming and shaming veronderstelt. Ze verandert dus niet zozeer het gedrag van staten, maar bepaalt vooral wanneer publieke veroordelingen worden geuit en hoe daarop wordt gereageerd.
Termans relationele benadering klinkt misschien verrassend, maar wordt een stuk vanzelfsprekender zodra we beseffen dat internationale politiek uiteindelijk draait om de interacties tussen geëvolueerde wezens. Deze streven in de eerste plaats hun eigen belangen na. Als dat zo is, waarom zouden zulke individuen dan ooit samenwerken of anderen helpen? Dat kan alleen wanneer de baten van zulke investeringen opwegen tegen de kosten. Die baten kunnen voortvloeien uit verwantschap, wederkerigheid of reputatie. Reputatie is daarbij van cruciaal belang. Ze creëert nieuwe mogelijkheden tot samenwerking en helpt individuen zich te profileren als betrouwbare partners, wat op zijn beurt hun reputatie verder versterkt, enzovoort. Een goede reputatie is dan ook een onmisbaar kapitaal voor iedereen die wil floreren op de morele markt.
Deze reputatiemechanismen zijn duidelijk ook aan het werk bij internationale shaming. Shaming is immers zelf een manier om reputaties te maken en te breken. Staten die andere landen publiekelijk veroordelen, versterken hun eigen morele reputatie door zich te presenteren als verdedigers van de mensenrechten. Leiders van de geviseerde staten geven toe wanneer ze vrezen dat shaming hun reputatie zal schaden, maar bieden hardnekkig weerstand wanneer verzet hun juist helpt een reputatie op te bouwen als verdedigers van het vaderland. Ook de internationale politiek blijft uiteindelijk onderworpen aan de logica van onze geëvolueerde natuur.
Leiders kunnen oprecht verontwaardigd zijn wanneer ze andere landen veroordelen wegens mensenrechtenschendingen. Maar die oprechtheid ondermijnt een darwinistische analyse niet. Ze is er juist zelf het product van: een geëvolueerde strategie die de beoogde reputatie-effecten helpt realiseren. Juist doordat veroordelende staten zich niet bewust zijn van eventuele reputatiemotieven, kunnen ze zich des te overtuigender presenteren als moreel gedreven actoren. Hetzelfde geldt voor het publiek dat van politieke leiders eist dat zij mensenrechtenschendingen veroordelen. Mensen kunnen oprecht begaan zijn met onrecht, maar oprechtheid bevrijdt niemand van darwinistische afwegingen; ze is er juist een uitdrukking van.
Dat wordt nog duidelijker wanneer het publiek mensenrechtenschendingen niet afkeurt, maar juist steunt. In Rusland versterken mensen hun reputatie niet door op te komen voor de rechten van lgbtq-personen, maar door oprecht gekant te zijn tegen hun rechten. Dat kan verklaren waarom de negatieve houding tegenover lgbtq-personen en activisten, evenals de vijandigheid jegens hen, de voorbije jaren is toegenomen.
Zoals Daniel Dennett schrijft in Darwin’s Dangerous Idea: aan het darwinistische zuur valt niet te ontsnappen. Oprechte morele verontwaardiging is een egoïstische strategie. Ze misleidt zowel degene die veroordeelt als het publiek door hen te doen geloven dat hun handelen wordt ingegeven door onbaatzuchtige motieven, terwijl de functie van shaming erin bestaat reputaties te maken en te breken. Elke publieke veroordeling is uiteindelijk een zet op de morele markt.
Willen we mensenrechtenschendingen terugdringen, dan moeten we onze darwinistische natuur eerst onder ogen zien. Te denken dat staten vanzelf zullen zwichten voor de normatieve kracht van de mensenrechten is naïef en kan zelfs averechts uitpakken. Pas wanneer we onze evolutionaire oorsprong serieus nemen, kunnen we begrijpen onder welke ecologische omstandigheden mensen erin slagen moreel te handelen om egoïstische redenen. Een mogelijkheid, zoals Terman suggereert, is mensenrechtenschendingen niet publiekelijk aan de kaak te stellen, maar achter gesloten deuren aan te kaarten. Onder zulke omstandigheden is die aanpak waarschijnlijk veel effectiever dan het deugdpronken waar naming and shaming doorgaans toe leidt.