8 juli 2026
Over propaganda in tijden van deepfakes
Er scrolt een filmpje voorbij. Iemand huilt. Een politicus zegt iets schokkends. Een bekende stem bevestigt precies wat je al vermoedde. Onderaan het beeld staat, klein en bijna beleefd, dat het om AI-gegenereerde inhoud gaat. Niet verborgen, niet eens bijzonder sluw verstopt. En toch blijft het hangen.
Niet omdat het beeld zo overtuigend is. Soms is het dat helemaal niet. De mond beweegt net iets te glad, de ogen lijken wat leeg, de handen doen iets vreemds. Er zit een oneffenheid in het geheel, een soort digitale mist die je zou moeten waarschuwen. Maar op dat moment is er al iets anders gebeurd. Het filmpje heeft zich niet eerst tot je verstand gericht, maar tot je verwachting.
Het vraagt niet: geloof je mij? Het fluistert: dit dacht je toch al?
Daar begint de moeilijkheid.
We spreken vaak over deepfakes alsof hun gevaar vooral ligt in technische perfectie. Alsof we pas echt moeten opletten wanneer een video zo realistisch wordt dat niemand nog het verschil ziet tussen echt en vals. Dat gevaar bestaat, uiteraard. Maar misschien kijken we daardoor te lang naar het spectaculaire, naar de hyperrealistische imitatie, terwijl de alledaagse vorm van vervalsing veel minder indrukwekkend en net daardoor gevaarlijker is.
Propaganda hoeft niet mooi te zijn. Ze hoeft zelfs niet volledig te overtuigen. Soms volstaat het dat ze genoeg twijfel zaait, genoeg herkenning oproept, genoeg vermoeidheid veroorzaakt. Een slordig filmpje kan al werken wanneer het op het juiste moment bij de juiste verwachting aankomt. Niet omdat het de werkelijkheid vervangt, maar omdat het zich nestelt in het verhaal dat we al met ons meedragen.
_Het bruikbare beeld + onze eigen overtuigingen
Een deepfake doet meer dan een gezicht of stem imiteren. Ze maakt een gebeurtenis zichtbaar die nooit plaatsvond. Dat is op zich al problematisch, maar het wordt gevaarlijker wanneer zo’n beeld aansluit bij een gevoel dat al klaarstond.
Wie al denkt dat een bepaalde politicus corrupt is, heeft minder bewijs nodig wanneer een vals fragment dat beeld bevestigt. Wie al gelooft dat een bepaalde groep profiteert, zal sneller meegaan in een video die dat suggereert. Wie al boos is, hoeft niet overtuigd te worden. Die hoeft enkel een aanleiding te krijgen om die boosheid opnieuw te voelen.
Daarom is het te simpel om te zeggen dat mensen dom zijn wanneer ze in fake beelden trappen. Natuurlijk bestaat goedgelovigheid. Natuurlijk bestaat onoplettendheid. Maar het probleem zit dieper. Deepfakes werken niet alleen omdat ze ons misleiden, maar omdat ze ons soms precies geven wat we willen zien.
Dat is ongemakkelijk. Want het verplaatst de vraag van technologie naar menselijkheid. Niet alleen naar de vraag hoe we betere detectiesoftware zouden maken, maar ook: waarom zijn we soms zo bereid om een beeld te geloven wanneer het ons innerlijk narratief bevestigt?
In een eerdere tekst over de illusie van een goed gesprek met AI schreef ik al over onze neiging om menselijkheid te zien waar taal, respons en herkenning verschijnen. Ook daar ging het uiteindelijk niet alleen over de machine, maar over ons. Over wat wij invullen. Over de sprong die we maken van patroon naar betekenis.
Bij deepfakes gebeurt iets gelijkaardigs. We zien geen gesprekspartner, maar een gebeurtenis. Geen Samantha die terugpraat, maar een beeld dat lijkt te tonen wat wij al vermoedden. En zodra iets zichtbaar wordt, krijgt het een ander gewicht. Een gerucht is vluchtig. Een beeld blijft kleven.
Dat beeld hoeft zelfs niet volledig waarheidsgetrouw te zijn om bruikbaar te worden. Wanneer iemand later hoort dat een filmpje nep is, verdwijnt de overtuiging niet altijd. Vaak verschuift ze. Dan klinkt het: ja, deze video is misschien fake, maar zoiets gebeurt toch in de wereld. Of: het is misschien niet letterlijk waar, maar het draagt wel waarheid. Of: het is satire, een meme, een grap.
Zo wordt de waarheid niet verdedigd, maar omzeild. De feitelijke onjuistheid doet er minder toe dan de bruikbaarheid van het beeld. De deepfake wordt geen bewijs, maar een sfeer. Geen document, maar munitie.
Dat maakt het problematisch, ook wanneer de boodschap aansluit bij reële zorgen. Een verzonnen huilende burger kan niet dienen als bewijs dat burgers echt verdriet hebben, zoals bij beelden van Venezolanen die zouden wenen en juichen omdat Maduro opgepakt was. Zulke scènes kunnen aansluiten bij echte gevoelens, maar een nagebootste video is geen bewijs dat die gebeurtenis werkelijk zo plaatsvond. Een nepvideo van feestende mensen kan niet dienen als bewijs dat er werkelijk een breed draagvlak is. Een AI-beeld van een gewelddadige arrestatie kan niet zomaar een symbool worden voor een geweldcultuur, ook al bestaan er echte voorbeelden van geweld.
Wie dat onderscheid laat vallen, beschadigt de waarheid die hij wil beschermen.
_Een oud mechanisme met nieuwe snelheid
Desinformatie is niet geboren met AI. Propaganda had nooit deepfakes nodig om mensen te misleiden, te verwarren of tegen elkaar op te zetten. Ze bestond al in pamfletten, geruchten, gefabriceerde documenten, selectieve krantenkoppen, radiotoespraken, foto’s zonder context en statistieken die meer suggereerden dan ze konden bewijzen.
Een concreet voorbeeld hiervan vinden we in de beruchte ‘Data Driven’-stunt uit het VRT-programma Basta, waarbij een fictief onderzoeksbureau erin slaagde om met een verzonnen studie tal van nieuwsredacties en zelfs partijvoorzitters te misleiden. De claim dat Open VLD-kiezers het meeste en de beste seks zouden hebben, haalde de media alsof het om een ernstig onderzoek ging.
Dat werkte niet alleen omdat de grafieken van de programmamakers overtuigend leken, maar vooral omdat het aansloot bij een bestaand narratief: de partij had zich in het verleden immers al vaker hardgemaakt voor seksuele vrijheid. De verzonnen claim kwam niet uit het niets, maar hechtte zich vast aan een sfeer die al circuleerde. En zelfs wanneer zo’n studie later wordt ontkracht, blijft het onderliggende beeld vaak hangen of keert het in een andere vorm terug.
‘The Protocols of the Elders of Zion’ is een beruchter historisch voorbeeld: een antisemitische vervalsing die al meer dan een eeuw blijft opduiken. Dat document werd herhaaldelijk ontmaskerd als vals, en toch bleef het circuleren. Niet omdat het overtuigend was voor wie zorgvuldig keek, maar omdat het een eenvoudig verhaal bood aan wie in chaos een schuldige zocht. Het was een sleutel die op elk slot leek te passen: economische onzekerheid, sociale verandering, politieke angst, morele verwarring. Alles kon erin verdwijnen.
Dat is de sluwe kracht van propaganda. Ze hoeft de wereld niet correct te verklaren. Ze hoeft vooral een verhaal te geven dat bruikbaar voelt. Net zoals de deepfakebeelden doen, of de uitleg die we er zelf aan geven ...
_Herhaling, uitputting, cynisme en afhaken
Propaganda werkt vaak niet als één grote leugen die iedereen plots gelooft. Ze werkt als herhaling, als atmosfeer, als vermoeidheid. In hedendaagse analyses van Russische propaganda wordt vaak gewezen op dat patroon: veel kanalen, veel boodschappen, veel herhaling, en niet noodzakelijk een zorg om consistentie.
De bedoeling is dan niet altijd om één versie van de waarheid te laten winnen, maar om het onderscheid tussen waarheid en leugen uit te putten. Vandaag zegt men dit. Morgen zegt men iets anders. Het ene kanaal spreekt over bewijs, het andere over twijfel, het derde over een complot, het vierde over hypocrisie bij de tegenstander. Het hoeft niet allemaal samen te passen.
Integendeel, de tegenstrijdigheid is soms net functioneel. Ze maakt moe. Ze maakt cynisch. Ze maakt dat mensen afhaken. En dan heeft propaganda al iets gewonnen. Want wie afhaakt, laat het publieke gesprek over aan wie het luidst blijft spreken. Wie niets meer gelooft, is niet noodzakelijk vrijer. Soms is die alleen maar minder weerbaar.
Deepfakes versterken dat oude mechanisme. Ze voegen geen compleet nieuw menselijk probleem toe, maar geven oude misleiding een nieuw lichaam. Wat vroeger een gerucht was, kan nu een stem krijgen. Wat vroeger een beschuldiging was, kan nu een gezicht krijgen. Wat vroeger een insinuatie was, kan nu als scène voorbijschuiven.
Dat maakt het verleidelijker, sneller en schaalbaarder. Maar de kern blijft dezelfde: niet de technologie alleen misleidt ons, maar de combinatie van beeld, herhaling, emotie en een verhaal (dat vaak reeds onbewust in ons leeft) dat op ons ligt te wachten ...
_De meme als alibi
Een bijzonder eigentijdse ontsnappingsroute is humor. Wanneer een deepfake ons goed uitkomt, heet ze al snel een meme. Wanneer ze van de tegenpartij komt, heet ze desinformatie. Wat bij de ander gevaarlijk is, wordt bij de eigen groep relativerend verpakt. ‘Het is maar een grap.’ ‘Iedereen weet toch dat het niet echt is.’ ‘Er staat toch bij dat het AI is.’ ‘Je moet daar niet zo zwaar aan tillen.’
Maar wie bepaalt dat iedereen het weet? En waarom zou de intentie van de maker belangrijker zijn dan het effect op de kijker? Een beeld reist verder dan zijn oorspronkelijke context. Een grap wordt losgeknipt, gedeeld, hergebruikt, versneld. Tegen de tijd dat iemand uitlegt dat het satire was, heeft het beeld vaak al zijn werk gedaan.
Het probleem met zulke beelden is niet alleen dat mensen ze letterlijk kunnen geloven. Het probleem is ook dat ze het gevoel van werkelijkheid verschuiven. Ze maken bepaalde interpretaties makkelijker beschikbaar. Ze trainen ons om de ander karikaturaal te zien. Ze maken spot, verdachtmaking en morele verontwaardiging visueel beschikbaar op commando.
Dat is niet onschuldig. Niet elke grap is propaganda, maar propaganda verschuilt zich graag achter grappen. Zeker wanneer de grap altijd dezelfde richting uitgaat.
Satire kan macht bevragen. Humor kan ontwapenen. Spot kan soms iets zichtbaar maken dat anders onbespreekbaar blijft. Maar wanneer een vervalst beeld vooral dient om de ander te ontmenselijken of een narratief te voeden waarvan men weet dat het misleidend werkt, dan wordt de grap een alibi.
Dan is de vraag niet of iemand gelachen heeft. De vraag is wat er intussen genormaliseerd werd.
_De infrastructuur van twijfel
Soms staat er een label bij: AI-gegenereerd. Soms wordt expliciet vermeld dat het beeld niet echt is. Maar we overschatten de kracht van disclaimers. Een klein tekstje onderaan een emotioneel beeld komt vaak te laat. Het verstand leest achteraf wat het gevoel al verwerkt heeft. Wie geraakt is door een beeld, wie boos wordt of opgelucht, wie zich eindelijk bevestigd voelt, zal niet altijd terugkeren naar de kleine lettertjes.
Daarbij komt dat labels zelf deel kunnen worden van de ruis. Sommige mensen zien ze niet. Anderen negeren ze. Nog anderen beschouwen ze als bewijs van censuur of politieke correctheid. En wie het beeld wil geloven, vindt meestal wel een manier om het label minder belangrijk te maken.
Dat betekent niet dat labels nutteloos zijn. Ze zijn nodig. Maar ze zijn niet voldoende. Een waarschuwingsbord helpt weinig wanneer de weg zo ontworpen is dat iedereen te snel rijdt.
De vraag is dus niet alleen hoe we AI-beelden labelen. De vraag is ook waarom platformen, politieke actoren, mediakanalen en gebruikers beloond worden voor het verspreiden van beelden die vooral emotionele snelheid produceren.
Deepfakes passen perfect in een bredere digitale economie. Niet de waarheid wordt beloond, maar betrokkenheid. Niet zorgvuldigheid, maar reactie. Niet nuance, maar deelbaarheid.
Een slordige deepfake kan miljoenen mensen bereiken omdat zo’n beeld snel werkt. Ze vraagt geen lange argumentatie. Ze hoeft geen context te geven. Ze toont iets dat meteen leesbaar is binnen een bestaand kamp. De verontwaardiging zit al klaar. Het beeld hoeft alleen maar op play te drukken.
Daarmee verschuift ook onze politieke verbeelding. Politiek wordt steeds meer een strijd om beelden die affect oproepen. Wie het snelst een scène kan produceren, krijgt tijdelijk de werkelijkheid in handen.
Maar een samenleving kan niet leven op tijdelijke werkelijkheden. Ze heeft trage instituties nodig, betrouwbare journalistiek, gedeelde correctiemechanismen, onderwijs dat niet alleen leert lezen, maar ook leert kijken. Niet kijken in de passieve zin, maar kijken als morele handeling. ‘Wat zie ik?’ ‘Wie toont mij dit?’ ‘Waarom nu?’ ‘Wat ontbreekt er?’ ‘Wat voel ik, en waarom voel ik dat zo snel?’
_Trager kijken en minder snel (ver)oordelen
Het antwoord kan niet zijn dat we niets meer geloven. Dat is geen wijsheid, maar overgave. Het antwoord kan evenmin zijn dat we elk beeld blijven consumeren en achteraf hopen dat iemand anders wel factcheckt. Waarheid vraagt een andere houding.
Misschien moeten we trager worden in onze verontwaardiging. Niet minder betrokken, niet onverschillig, maar trager. Een beeld dat te goed past bij wat we al dachten, verdient net extra wantrouwen. Niet omdat het zeker vals is, maar omdat wij er te graag in willen stappen.
Dat vraagt oefening. Een kleine pauze voor we delen. Een tweede bron voor we oordelen. Een bereidheid om een beeld te laten liggen, zelfs wanneer het ons goed uitkomt. Correctie: eigenlijk zeker wanneer het ons goed uitkomt.
Ook redacties, platformen en politici dragen hierin verantwoordelijkheid. Wie bewust AI-beelden inzet om een tegenstander belachelijk te maken, kan zich niet blijven verschuilen achter satire. Wie weet dat een beeld misleidend werkt, maar het toch verspreidt omdat het mobiliseert, kiest niet voor communicatie maar voor manipulatie. En wie daarna zegt dat het maar een grap was, vraagt eigenlijk dat de samenleving de schade draagt van zijn eigen gemakzucht.
Misschien is dat het meest verontrustende aan deepfakes: ze verdwijnen niet wanneer ze ontkracht worden. Het beeld blijft kleven. De correctie is meestal trager, saaier en minder deelbaar. Ze mist het emotionele gemak van de oorspronkelijke leugen. Een vals beeld kan dus verliezen als feit en toch winnen als gevoel.
Daarom is dit niet louter een technologisch probleem. Het is een moreel, journalistiek en democratisch probleem, dat raakt aan de ondermijning van het vertrouwen waarop een democratie steunt. Het raakt aan onze bereidheid om eerlijk te blijven wanneer oneerlijkheid ons beter uitkomt. Aan onze discipline om niet elk vermoeden meteen als waarheid te behandelen.
Propaganda die niet echt hoeft te lijken, vraagt om mensen die niet alleen beter kijken, maar ook eerlijker willen kijken. Niet perfect, maar met iets meer aarzeling. Zonder te vervallen in cynisme of overgave.
Want precies dat is vaak het doel van de overvloedige ruis: dat we afhaken en ophouden te volgen.
Misschien begint daar een bescheiden vorm van inzicht en weerstand. Niet in het grote gebaar. Niet in de illusie dat we alle technologie kunnen tegenhouden. Maar in dat kleine moment waarop we voelen dat een beeld ons te snel overtuigt.
Waarop we even stoppen.
Niet omdat we niets meer geloven, maar omdat waarheid te belangrijk is om haar over te laten aan wat ons het snelst bevestigt.