Kwintessens
Geschreven door François Levrau
  • 66 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

25 augustus 2026 Kennen we wel nog de morele grammatica van het samenleven?
Mag het nog stil zijn?
Onlangs zat ik in de stiltewagon van de trein Oostende-Antwerpen. Tenminste, dat dacht ik. Kinderen riepen en huilden, klommen over zetels, volwassenen voerden gesprekken op normaal volume en anderen luisterden naar muziek zonder de oortjes in. Niemand leek zich ongemakkelijk te voelen bij het feit dat hij zich in een ruimte bevond die expliciet voor stilte bedoeld is. Om mij niet al te veel te ergeren aan het kabaal, zag ik mij genoodzaakt mijn boek even terzijde te leggen en mijn oortjes in te doen. Ik moest mij in een stiltewagon afsluiten met geluid om het geluid van anderen te overstemmen. Wat een paradox. Hoe komt dat eigenlijk? De stilte die er niet was, gebruikte ik alvast om er wat over na te denken.
_Explicitering
De voor de hand liggende verklaring dat sommige mensen gewoon onbeleefd zijn, houdt steek, maar is tegelijk te eenvoudig. De stiltewagon is een klein sociologisch laboratorium die enkele fundamentele kenmerken van onze tijd zichtbaar maakt.Interessanter dan het verwijt over de onbeleefdheid van mensen, is de vraag waarom sommigen zich kennelijk niet langer geroepen voelen om een norm na te leven die nochtans voor iedereen zichtbaar aanwezig is. De verwachting van stilte is immers geen verborgen regel, maar wordt expliciet gecommuniceerd. Zo hangt de stiltewagon vol pictogrammen die duidelijk maken dat dit een bijzondere wagon is. 
Dat die stiltewagon vol pictogrammen hangt, is op zich al een opvallende vaststelling. Het illustreert dat gedragsverwachtingen vandaag steeds vaker expliciet moeten zijn.  Denk bijvoorbeeld ook aan de gedragscodes en taalrichtlijnen over ‘respectvolle communicatie’ op de werkvloer, of denk aan hoe er in relaties vandaag expliciet gesproken wordt over ‘consent’ en ‘boundaries’. Of aan hoe nieuwkomers via inburgeringstrajecten leren wat als normaal gedrag geldt, of hoe universiteiten vandaag discussiëren over ‘safe spaces’ en dus over wat er wel en niet gezegd mag worden in een aula en wie er wel of niet kan worden uitgenodigd om een lezing te geven. Conflicten worden ook niet langer sociaal bijgestuurd, maar juridisch geformaliseerd via procedures, meldpunten en protocollen. Ook onze digitale omgangsvormen vereisen expliciete verduidelijking. Zo fungeren emoticons en emoji’s als hulpmiddelen om toon, ironie of intentie te markeren. De betekenis van een woord, situatie of grap is klaarblijkelijk niet langer vanzelfsprekend. 
_Crisis van cultuur
De vermelde voorbeelden tonen aan dat het gedeelde culturele kompas dat quasi als vanzelf sturing gaf aan hoe je te gedragen, vandaag steeds nadrukkelijker verschijnt onder de vorm van pictogrammen, richtlijnen en expliciete instructies. De Franse denker Olivier Roy spreekt in dat verband over een ‘crisis van cultuur’. Cultuur is voor Roy een geheel van impliciete, gedeelde betekenissen die mensen intuïtief begrijpen zonder dat ze uitgesproken moeten worden. Ze vormt de stille grammatica van het samenleven. Net zoals iemand een taal spreekt vooraleer hij de regels ervan kent, handelen mensen volgens gewoontes en intuïties die nooit expliciet benoemd hoeven te worden. Het is precies deze vanzelfsprekendheid die is afgebrokkeld. Waar een cultuur sterk is, hoeft men weinig uit te leggen; waar ze verzwakt, moeten de betekenissen die vroeger impliciet waren, vertaald worden in voorschriften. Omdat het gedeelde referentiekader verzwakt is, worden expliciete normen, regels en codes vandaag steeds vaker ingezet om gedrag te sturen.
Dat betekent voor alle duidelijkheid niet dat cultuur eertijds homogeen, conflictvrij of voor iedereen even toegankelijk was, maar wel dat ze sterker als vanzelfsprekend kader functioneerde. Explicitering was vroeger toch vooral een aanvulling op een gedeeld normbesef. Vandaag lijkt ze eerder de vervanging ervan.
_Diepgaande culturele verschuivingen
De ‘crisis van de cultuur’ waar Roy op wijst – of, milder geformuleerd, de transformatie ervan – komt natuurlijk niet uit het niets. Ze is het resultaat van diepgaande verschuivingen die sinds de tweede helft van de twintigste eeuw aan kracht wonnen. Zo heeft de toegenomen individualisering traditionele verbanden geërodeerd. Identiteit, gedrag, aanspreekvormen en levensstijl zijn niet langer sociaal verankerd, maar verworden tot individuele keuzes. Globalisering en migratie hebben daarbovenop uiteenlopende normen samengebracht in één en dezelfde samenleving, waardoor het moeilijker wordt om te werken met één gemeenschappelijk en gedeeld referentiekader. De digitalisering versterkte dit verder. Immers, door voortdurende, selectieve onlinecommunicatie bewegen we ons in gesegmenteerde omgevingen die weinig gemeenschappelijke achtergrond veronderstellen. In een mobiele, neoliberale samenleving zijn sociale verbanden diverser, vluchtiger en minder duurzaam. Men kiest de groepen waartoe men wil behoren.
Tel al deze ontwikkelingen bij elkaar op, en het wordt begrijpelijk dat een gedeeld, impliciet cultureel kompas onder druk komt te staan. Sociale verbanden waarin cultuur vroeger (via langdurige, stabiele en fysieke gemeenschappen) impliciet werd doorgegeven, zijn minder sterk geworden. Het samenleven verliest daardoor langzaam zijn stilzwijgende evidentie. Door omgangsvormen uit te leggen, betekenissen vast te leggen, verwachtingen te verwoorden en te visualiseren, regels aan te scherpen en te legitimeren, compenseert men dan voor het verdwijnen van een onderliggende cultuur. 
_Het hoepelwezen
Om die culturele verandering verder te duiden, gebruik ik graag de metafoor van het ‘hoepelwezen’: daarmee bedoel ik een individu dat als het ware een denkbeeldige hoepel rond zichzelf trekt en de wereld voornamelijk benadert vanuit zijn eigen behoeften, gevoelens en voorkeuren. Het eigen perspectief wordt het centrale referentiepunt. De vraag ‘Wat wordt hier van mij verwacht?’ kantelt in ‘Waarom zou ik dit niet mogen doen?’ of ‘Ik ervaar hier toch geen probleem mee?’ De reiziger die in de stiltewagon bijvoorbeeld een gesprek voert en de kinderen laat roepen, denkt wellicht niet bewust: ‘Ik trek me niets aan van anderen’. De impliciete redenering luidt allicht: ‘Wij praten toch niet zo luid?’ of ‘Kinderen mogen toch zichzelf zijn?’ De norm wordt dus niet langer beoordeeld vanuit haar intrinsieke betekenis, maar vanuit een persoonlijke en utilitaristische kosten-batenanalyse. Zolang de negatieve gevolgen niet onmiddellijk zichtbaar zijn, voelt de overtreding gerechtvaardigd. De collectieve afspraak moet dus wijken voor de subjectieve beleving. Het vermogen om het eigen gedrag door de ogen van een ander te bekijken, verliest aan kracht. Ik heb het daarom over ‘ik-bedwelming’ en ‘ander-ontkenning’. De aandacht voor de eigen ervaring groeit, terwijl de gevoeligheid voor de verwachtingen, noden en belangen van anderen geleidelijk naar de achtergrond verdwijnt.
_Regelvermoeidheid
Het probleem is dus niet zozeer dat de normen onbekend zijn (ze worden nu eenmaal steeds nadrukkelijker gecommuniceerd), maar dat die hun vanzelfsprekende gezag hebben verloren. De regels verdwijnen dus niet, maar ze verliezen hun normatieve kracht. Ze bestaan nog wel, maar worden steeds vaker behandeld als vrijblijvende aanbevelingen in plaats van als collectieve afspraken. De boodschap in de stiltewagon wordt bijvoorbeeld niet geïnterpreteerd als ‘Hier hoort men stil te zijn’, maar wel als ‘Het zou fijn zijn indien u stil bent’. Dit accent op de explicitatie van de codes, is zeker niet altijd problematisch (het creëert duidelijkheid en veiligheid), maar het kan wel leiden tot ‘regelvermoeidheid’. Waar cultuur werkt via internalisering (‘Zo doen we dat nu eenmaal’), werken expliciete codes via naleving en worden ze dus als iets externs ervaren. De codes zijn iets dat opgelegd wordt, eerder dan dat ze spontaan worden aangevoeld. Dat maakt ze minder stabiel en meer conflictgevoelig. Dit is goed merkbaar in twee veelgehoorde hedendaagse credo’s.
‘Ik bepaal het zelf.’ Regels lijken onderhandelbaar, zelfs daar waar die ooit tot de meest ondubbelzinnige behoorden, zoals in het verkeer. Overtredingen zoals door het rood rijden, spookfietsen, zonder licht rijden worden steeds vaker als persoonlijke inschattingen gezien in plaats van als overtredingen van een gedeelde norm. ‘Kan het hier, nu, in deze situatie?’ De regel over verkeersveiligheid wordt een utilitaire richtlijn die men al dan niet toepast, zeker in een context van beperkte handhaving. ‘Elke weggebruiker hoort altijd voor het rood licht te stoppen’ is ingeruild voor ‘Kan ik zonder schade aan te richten het rood licht negeren?’. Het bredere evidente en gedeelde culturele/morele kompas dat de norm ooit evident maakte, is te ver naar de achtergrond verschoven en dus vervangen door een individuele kosten-batenanalyse. 
‘We mogen bijna niks meer!’ Deze verzuchting is in wezen een nostalgische uitdrukking naar een tijd waarin omgangsvormen door een impliciete cultuur gedragen werden. Het probleem, zoals reeds aangegeven, is echter niet dat er vandaag te veel regels zijn of dat er minder mag; het probleem is dat de regels hun vanzelfsprekendheid verloren hebben. We leven met andere woorden niet zonder waarden of normen, maar met een cultuur die ze intuïtief minder overdraagt. Niet de proliferatie van regels vormt dus de kern van de crisis, maar het verlies van gedeelde intuïties. Wanneer die culturele bedding verzwakt, is het samenleven sterker aangewezen op expliciete handleidingen, protocollen en instructies. Dat gaat samen met het onbehagen van iemand die zich niet meer werkelijk thuis voelt in de samenleving waarin hij leeft.
_Cultuurverschuiving
De geboorte van het ‘hoepelwezen’ gaat samen met een bredere cultuurverschuiving. Gedurende de voorbije decennia zijn begrippen zoals autonomie, authenticiteit, zelfexpressie en negatieve vrijheid (de vrijheid van interferentie) terecht belangrijker geworden. Niemand verlangt terug naar een samenleving die verstikt wordt door conformisme of blinde gehoorzaamheid. Het probleem ontstaat echter wanneer vrijheid systematisch wordt losgekoppeld van verantwoordelijkheid. Op dat moment komen we immers terecht in een cultuur waarin rechten voortdurend worden benadrukt, terwijl plichten steeds minder aandacht krijgen. De vraag wat goed voelt voor mij verdringt dan steeds vaker de vraag wat ik tegenover anderen verschuldigd ben. 
Het hoepelwezen, zoals ik me de moderne mens voorstel, komt voor in vier modaliteiten. Wanneer ‘autonomie’ wordt losgemaakt van wederzijdse afhankelijkheid en sociale verantwoordelijkheid, ontstaat de figuur van de ‘meester’ die geen externe autoriteit meer erkent en overtuigd is van het primaat van zijn eigen oordeel. Wanneer ‘authenticiteit’ verwordt tot zelfverheerlijking, verschijnt de figuur van de ‘zonnekoning’. Hij stelt zichzelf centraal en verwacht dat de wereld zich aan zijn verlangens aanpast. Wanneer ‘negatieve vrijheid’ wordt opgevat als de afwezigheid van elke beperking, ontstaat de ‘rebel’. Hij doorbreekt regels en normen om er persoonlijk voordeel mee te realiseren. Wanneer ‘maatschappelijke erkenning’ steeds sterker gekoppeld wordt aan ervaren kwetsbaarheid, ontstaat de ‘slachtofferfiguur’ die eigen kwetsbaarheid en gevoelens tot norm verheft en voortdurend uit is op erkenning, bescherming of compensatie. Deze vier figuren zijn ideaaltypische uitvergrotingen van culturele tendensen die zichtbaar worden wanneer bepaalde waarden eenzijdig worden geïnterpreteerd. Ik wil hiermee niet suggereren dat iedereen zich vroeger voorbeeldig gedroeg. De vraag is niet of luidruchtigheid, normovertreding en onaangepast gedrag vroeger afwezig waren, maar wel hoe we dit soort gedrag vandaag kunnen begrijpen en corrigeren. 
_‘Wie ben jij?’
Wat in de stiltewagon gebeurde, illustreert bovendien het onderscheid tussen ‘injunctieve’ en ‘descriptieve’ normen. De ‘injunctieve’ norm verwijst naar wat volgens mensen zou moeten gebeuren, bijvoorbeeld stil zijn in een stiltewagon. De ‘descriptieve’ norm zegt wat mensen feitelijk doen (ze praten, lachen, luisteren naar muziek en laten de kinderen over de banken kruipen). Zodra de beide normen uit elkaar groeien, blijkt de ‘descriptieve’ norm vaak sterker te worden. Wie een stiltewagon binnenstapt waarin al verschillende mensen praten, voelt zich minder verplicht om zelf stil te blijven. Normoverschrijding werkt in die zin besmettelijk. Dit proces wordt verder versterkt door een afnemende bereidheid tot sociale correctie. Een afkeurende blik, een kuchje of een vriendelijke opmerking om ongewenst gedrag bij te sturen, werkt niet altijd omdat dergelijke interventies worden gezien als ongepaste bemoeizucht. Wie iemand aanspreekt op zijn gedrag loopt het risico zelf als de storende factor te worden beschouwd. ‘Wie ben jij om mij te zeggen wat ik zou moeten doen?!’ Uiteraard speelt ook de institutionele context een rol. Zo zag ik tijdens mijn heen- en terugreis van samen bijna vier uur geen enkele conducteur. Regels die niet worden gehandhaafd, verliezen gemakkelijker hun gezag. Maar dat verklaart niet alles. De paradox blijft dat de norm wel gedeeld wordt, terwijl de verantwoordelijkheid om haar te verdedigen langzaam wegebt. 
_Morele taal
Wat kunnen we daaraan doen? De oplossing lijkt me alvast niet het produceren van nog meer regels. Eerder dient er gewerkt te worden aan de opbouw van een impliciet gedeelde morele praktijk van met elkaar omgaan. Het gaat om het rehabiliteren van de voorwaarden van het ‘goede samenleven’. Dat vergt onder andere een oefening in gemeenschappelijkheid, sociaal-culturele geletterdheid, empathie en het vermogen om sociale ambiguïteit te verdragen. Dat veronderstelt ook het durven hanteren van een andere taal om over het samenleven na te denken. Taal beschrijft de werkelijkheid immers niet alleen, zij geeft er ook vorm aan. Vandaag domineren begrippen als rechten, vrijheid, zelfexpressie en kwetsbaarheid het publieke debat. Dat zijn belangrijke verworvenheden, maar wanneer ze los komen te staan van andere morele begrippen, ontstaat er een onevenwicht. Misschien moeten we dus opnieuw wat vaker spreken over normen en waarden, over deugden zoals respect, zelfbeheersing en discipline, en over plichten tegenover anderen. Wat mijn treinreis mij alvast leerde, is dat een vrije samenleving niet alleen rechten en vrijheden nodig heeft, maar ook burgers die bereid zijn zichzelf beperkingen op te leggen. Samenleven veronderstelt heel wat kleine dingen zoals geen voeten op de zetel, afval in de vuilnisbak gooien en ja, gewoon stil zijn in een stiltewagon … 
Kwintessens
François Levrau is als sociaal filosoof verbonden aan de Universiteit Antwerpen.
_François Levrau -
Meer van François Levrau

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws