21 augustus 2026
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
Mei 78
(Zoals je weet hanteer ik mijn alternatieve jaartelling in een moreel Esperanto die voor iedereen geldt, ongeacht geloof of afkomst. Deze jaartelling begint met de ondertekening van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de Verenigde Naties. Volgens de christelijke jaartelling is dat het jaar 1948. Mijn voorgestelde jaartelling staat vermeld op Wiki. Navolging ontbreekt. Althans voor nu).
_Lieve Johan
‘Education is not preparation for life; education is life itself.’
John Dewey
John Dewey
De zomer is zoel begonnen. Op weg naar podcastopnames in de Balie stap ik op Amsterdam Amstel uit. Ik verheug me op de wandeling langs de Amstel en door de stad, waarbij Carmiggelt in gedachten meewandelt. Al wandelend kijk ik met de blik van Carmiggelt en bedenk me dat hij van de scènes op straat levendige columns maakte. Hij was een meester in het optekenen van het alledaagse leven in Amsterdam – het echte leven. Ik koop bij de Albert Heijn een vegan falafelwrap en een grote groene verse sap – met enige wroeging vanwege het plastic. Een van de eerste zomerse dagen. Een staalblauwe lucht. Bootjes in de Amstel. De terrassen vol. Vooruitgang is: de Amstel is weer zo schoon dat erin gezwommen kan worden. Er is langs de kade een zwemgedeelte afgezet. Onder de bomen in de schaduw zet ik me op een houten bankje om ongegeneerd te genieten en gelukkig te zijn. Er zijn van die momenten dat alles goed is. Dat alles goed voelt. Dat het niet beter kan. Ik eet van mijn vegan falafelwrap. Ik drink het koele verse sap. Ik zet de fles naast mij op het bankje. Gedachteloos pak ik de fles weer op en schud flink. Het groene sap gutst over mij heen. Mijn hoofd groen als een alien. Ik zie niks door mijn bekliederde brilleglazen. Mijn shirt zit onder de vlekken. Mijn broek ziet er goor uit. Ik ben autonoom en wat anderen denken doet me niets. Zo denk ik doorgaans over mijzelf. Maar ja, om als een druipende groene hulk op een bankje te zitten waarlangs mensen flaneren, doet me toch wel iets. Gelukkig heb ik papieren zakdoeken bij en ik begin een moeizame schoonmaakactie. Met mijn telefooncamera check ik of mijn hoofd vrij is van de groene klieders. Mijn shirt kan ik deppen, maar het is net als mijn broek vreselijk gevlekt. Ik schrijf ‘gedachteloos pak ik’, maar het zou kunnen dat ik enigszins afgeleid was door de dames die zich vlak voor mij aan de waterkant ontkleden, hun minibikini’s aandoen die veel bloot laat – de mode onder bikini’s is dat er geen textiel op de billen zit – en hun slanke blanke lijven met zonnebrand insmeren. Beschaamd hannes ik met zakdoekjes. Ik begeef me door Amsterdam met mijn gevlekte shirt en broek en zie mensen naar mij kijken of denk dat ik mensen naar mij zie kijken. Op de markt op de Albert Cuyp waar ik doorgaans met antropologische blik loop, verander ik in een consument op zoek naar een shirt. Als ik voor 10 euro een helroze shirt wil kopen, krijg ik te horen dat ik voor 2,50 euro extra er nog eentje bij krijg. Nog op tijd stap ik met twee nieuwe shirts de Balie binnen.
Tijdens hardlopen kan ik vrij denken. Ik loop zonder muziek. In een tempo zodat er nog enigszins ruimte overblijft voor freischwebende Intelligenz. Heerlijk vind ik het om al lopend mijn gedachtekronkels ruim baan te geven. Vaak denk ik aan een van de schrijfprojecten waar ik aan werk of aan een event, een college dat ik voorbereid, over de wereldproblematiek, over hoe de wereld beter te maken. Als gevolg van een gedachte die ik laatst had tijdens een 20-km-loop wijzig ik ‘beste’ in de aanhef van deze brief in ‘lieve’. Collega’s en kennissen spreek ik aan met ‘beste’. Ik ken jou al zo’n 25 jaar en al hebben we elkaar niet heel veel gezien, we hebben toch een flinke hoeveelheid gedeelde ervaringen, zoals het Center for Inquiry Low Countries, symposia, lezingen bij elkaars evenementen, interviews, we bespraken elkaars boeken, je zat in de leescommissie van mijn dissertatie en ik schreef een laudatio voor jou als atheïst van het jaar. Ik schreef dit al eerder, er is niemand met wie ik zoveel inhoudelijk overeenstemming en instemming heb. Ik voel me door jou geïnspireerd. Ik heb meerdere keren bij jou gelogeerd. Enfin, dat alles bij elkaar maakte dat ik de aanhef wijzig. Dat dit niet spontaan gebeurde, maar pas na een denkproces, komt denk ik omdat wij lichtelijk afstandelijk zijn jegens elkaar.
Deze brief had ik aan mijn studenten willen richten. Maar ik vermoed niet dat dat gepast is. (Ik schrijf hen op het digitale platform Teams: ‘Ik werk aan een filosofische brief over ons utopiaproject. Ik weet niet of ik het jullie durf te laten lezen …’. Een student riposteert: ‘Wat heb je nodig om het met ons te delen?’). Denkend aan wie ik deze brief zou kunnen richten, kom ik uit bij jou. Ik voel de behoefte om te schrijven over deze intense, mooie ervaring van goed leven. Ik zou dit in mijn dagboek kunnen schrijven en dat heb ik ook wel enigszins gedaan, maar ik voel behoefte om me tot een persoon te richten. Schrijven heeft een motivatie nodig. Zoals de column voor Simon Carmiggelt. Je hoeft er niks mee. Je hoeft niet te antwoorden. Ik gebruik je instrumenteel – als schrijfadressant. Dat ik me tot jou richt, is niet gek omdat jij qua filosofie het dichtst bij mij staat – of ik bij jou, of wij bij elkaar. Alleen ben jij de aardige, aimabele, eloquente filosoof en ik de hakkelende drammer die hamert op het aambeeld van ieders geweten. Waar ik je over wil schrijven, is over een ander soort filosofie dan de academische en theoretische invulling daarvan. Het gaat om geleefde filosofie. Om ervaring. Om meer dan alleen denken. Het gaat me om belichaamd denken. En om een gedeelde ervaring. Ik schrijf over het filosofische bootcamp met studenten van de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) onlangs. Bij mijn aantreden als lector aan de HTF had ik een wenslijst. Bovenaan staat het filosofische bootcamp. Dat is gelukt. En het was, in de woorden van een van de deelnemende studenten, weergaloos. Zo kan filosoferen dus ook zijn. Niet in een leslokaal, niet als monoloog, niet als vraag en antwoord, niet als studeren in een boek, niet als het schrijven van een tekst. Buiten, in een groep, intensief met elkaar creatief denken en doen. Helemaal nieuw is dit niet voor mij, want ik ga al jaren met mijn masterstudenten van de Universiteit Utrecht een weekend naar het bos in het kader van mijn cursus Environmental Ethics and Sustainable Development. Ik organiseer het kamp als raamwerk. Bij een introductiebijeenkomst heb ik een lijst met rollen en taken waarop studenten zich intekenen. Degenen die zich intekenen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de betreffende taak, zoals koken, locatiescout of vuurmeester.
Er is doorgaans een hard verschil tussen onderwijs en leven, een verschil tussen filosofie en het echte leven. Ik wil dat verschil – in de voetsporen van John Dewey – opheffen. Filosofie gaat over de vraag: hoe goed te leven? En de act van het filosoferen moet in zichzelf goed leven zijn – in alle aspecten, dus ook in de details. De studie filosofie zou niet alleen een voorbereiding moeten zijn om goed (en liefst beter) te leven, maar ook in zichzelf al goed leven moeten zijn. Om vorm te geven aan filosoferen als goed leven organiseer ik onder andere het bootcamp filosoferen. Dat bootcamp is een poging om met elkaar goed te leven – in zoveel mogelijk aspecten – met aandacht voor details. Het bootcamp is een kalibratiesessie om goed te leven.
Het is eind mei en de hitte is begonnen in Nederland; voor jou in Spanje startte die allicht al eerder en is ze van een heel andere aard. Lukt het je naar believen te studeren en schrijven zoals je op het oog had?
Ik hoop – want bidden doe ik niet en als ik het wel zou doen, zou het toch niks uitmaken – dat het aanstaande zondag wanneer ik mijn eerste marathon loop, minder warm is. Ik loop de marathon van Utrecht, die start op de Uithof – waar ik lesgeef, het is 10 minuten fietsen van mijn huis. Ik loop samen met mijn zoons Julius (23) en Hugo (22). Voor ons alle drie is het de eerste marathon. We liepen eerder halve marathons en wandelden de 80-kilometer-Kennedymarsen. De aanleiding om ons dit jaar eindelijk voor een hele marathon in te schrijven en daar voor te gaan trainen is het overlijden van mijn zwager Johnny die bezweken is onder ALS. Hij was ooit een gepassioneerd marathonloper en liep zijn snelste tijd in Utrecht. Deze marathon met ons drieën is een tribuut aan hem. Mijn schoonzus Yvonne komt ons aanmoedigen. Ik heb redelijk getraind, maar toch niet geheel naar tevredenheid. Ik heb in de aanloop naar de marathon meerdere halve marathons gelopen en twee keer 30 km. Daarnaast veel calisthenics en yoga. Ik ben benieuwd. De boys zijn in zeer goede conditie. Ze zijn sneller dan ik. Ik probeer allround te trainen en niet alleen duursporthardlopen. Ik kan nu gemakkelijk 4 minuten planken, 50 push-ups, 12 pull-ups en 2 minuten deadhang en diepe hurkzit. Dat zegt je vermoedelijk niks. Maar ik ben er trots op. Ik kan nu dingen (als de diepe hurkzit) die ik nog niet eerder heb gekund. Ik word weliswaar ouder, maar dankzij levensstijl en training, fitter. Ik ben trots dat ik met gericht trainen van mijn minizwembandje af ben en dat mijn buikspieren zich beginnen af te tekenen. Platoon betekent breedgeschouderde. Plato begon als worstelaar. (Terwijl ik dit schrijf besef ik dat deze dingen jou niet interesseren. Ik ben wel benieuwd hoe jij als filosoof, als wijsgerig antropoloog, naar het lichaam kijkt en de relatie van filosofie en het lichaam ziet).
Ik wil goed leven in de breedste betekenis van het woord, daar hoort het lichaam bij, cultuur, familie, vrienden, goede ervaringen, natuur.
Mijn schilder-, whisky- en wandelvriend Niek schrijft vol enthousiasme over een boek dat boempats (dat schrijft hij) in zijn top vijf Nederlandse literatuur is geploft: De goede zoon van Rob van Essen. ‘Dit gaat over mij! De ik heeft mijn kijk op dingen, mijn twijfels, mijn humor, mijn haat-liefde voor moderne kunst, mijn voorkeur voor eenvoudige baantjes, mijn smaak naar een tegendraadse vorm, mijn gecompliceerde relatie met mijn moeder … Wat dit een goed boek maakt, is dat het zo dichtbij komt. Met niets te vergelijken en merkwaardig vertrouwd.’ Zoiets maakt Niek tot een vriend. Ik heb het boek gelijk besteld. Ik wil lezen of ik Niek herken en er dan met hem, tijdens een volgende hike, in het bos met een beker whisky over praten. Ik heb geen toplijstjes. Ik loop naar mijn boekenkast met de afdeling Nederlandse literatuur. Ik kan maar een gedeelte ervan zien, de rest staat verstopt achter een opgestapelde muur van boeken. Ik kom tot een volgend lijstje, dat ik aan Niek stuur: Hotel Nooteboom, de columns (Kronkels) van Simon Carmiggelt, Geheim dagboek van Hans Warren, de Zeer Korte Verhalen (ZKV) van A.L. Snijders, het jaardagboek Een koord boven de afgrond van Cyrille Offermans, De uitvreter & Titaantjes van Nescio, De boeken der kleine zielen van Louis Couperus en Opgespoorde wonderen van Rudy Kousbroek (gekregen van Niek & Ellen bij mijn promotie in Leiden in 2011 – waar jij in de leescommissie zat en waar jij bij was).
Ik lees deze brief voor aan Annemarieke. Ze raadt me met klem aan om de lange larmoyante passages te verwijderen. Jij ziet dus een emotioneel gekuiste versie. Ook raadt ze me aan een academisch essay te schrijven over mijn onderwijsexperimenten nu ik in mijn onderwijsvrije periode zit en tijd heb om te publiceren. Ik ga dat doen. Eerst deze brief aan jou afronden.
_Prelude van een misantroop
Niet schrikken, hier komt een heftige passage. Ik schrok er zelf van toen ik het bedacht. De waarheid is maar al te vaak bikkelhard. Het zijn passages als de onderstaande waarom ik altijd een buitenstaander zal blijven en waarom ik huiverig ben deze brief direct aan mijn studenten te richten.
De film The Zone of Interest (2023) van Jonathan Glazer gaat over het gezin van Rudolf Höss, de commandant van Auschwitz. Terwijl achter de muren van het concentratiekamp onvoorstelbare gruwelen plaatsvinden, probeert de familie een ogenschijnlijk normaal en luxe gezinsleven te leiden. De film laat op beklemmende wijze zien hoe dichtbij het kwaad kan zijn, zonder het expliciet in beeld te brengen. Glazer creëert daarmee een confronterende kijk op onverschilligheid en onmenselijkheid. Die film hakt er bij mensen in. Maar zien mensen dan niet dat ook wij nazi’s zijn en dat de concentratiekampen volgepropt met niet-menselijke slachtoffers niet ver weg in Polen staan, maar gewoon tussen ons in?
Ik kom aan op de kampeerplek. Vlak ervoor staat een enorme raamloze kippenstal. De stank is niet te harden. Zonder die stank zou ik er waarschijnlijk langs gelopen zijn zonder het op te merken. Je ziet en hoort geen kip. Ik zoek op hoeveel kippen er in zo’n stal zitten: tot wel 120.000. 20 tot 24 kippen per vierkante meter. Deze kippen zitten hun hele leven – dat niet heel lang is – in een stal, als ze geluk hebben, met vrije uitloop. Die zie ik hier niet. Of het nu legkippen of vleeskippen zijn: ze worden met ijzeren zekerheid op transport gesteld naar vernietigingsplekken die wij slachthuizen noemen. Mijn hoofd spint als ik het kampterrein op loop. Mijn maag draait om. Ik ben misselijk van afkeer, walging en vooral ook medelijden met het onnodige en onnoemelijke leed van deze wezens. Ook voel ik een ontzaglijke woede, een ziedende razernij. We zitten in Lunteren – nabij de Muur van de Nederlandse collaborateur Anton Mussert waar hij hagepreken hield tijdens de NSB partijbijeenkomsten met ceremonieel vertoon – bij Barneveld, hart van de Nederlandse pluimveeholocaust. (Op die NSB-bijeenkomst flink meer mensen dan het handjevol mensen voor een ecohumanistisch filosofisch bootcamp). Dit is de Bijbelgordel. Religie is geen garantie voor een moreel kompas of zelfs maar een greintje mededogen. Het bootkamp is – op mijn nadrukkelijke instigatie – geheel veganistisch (filosoferen leidt immers noodzakelijk tot en begint met veganisme). Bij de voorbereiding was dat verwaterd tot vegetarisme, maar ik heb voet bij stuk gehouden: als ik het kamp organiseer, dan is veganisme een randvoorwaarde. Ik bedacht me, tot mijn schrik en ontzetting, dat ik de enige veganist ben. Er zijn wat vegetariërs onder de deelnemers, maar de meesten niet. Vegetarisme is een valse morele positie: de bio-industrie blijft immers intact om eieren, wol, zuivel, leer en gelatine te kunnen produceren. Vegetariërs zijn net als omnivoren schuldig aan de dierenholocaust. Het is een morele miscategorisering om vegetariërs in te delen bij veganisten. Het zou zoiets zijn als verkrachters en niet-verkrachters in de categorie goede mensen te zetten en pedofielen in de andere categorie van verderfelijke mensen. Dat tijdens het kamp helemaal niemand ook maar 1 seconde heeft gedacht aan het onnoemelijke leed dat op steenworp afstand, voor het zicht afgeschermd, plaatsvindt, vind ik onmogelijk te verkroppen. Ik lig er wakker van.
Ik wilde bovenstaande aan mijn studenten schrijven, maar durf niet. Ik weet zelfs niet hoe het bij jou – als vegetariër – overkomt. Toch heb ik hierover gezwegen tijdens het kamp. Daarmee heb ik datgene wat het belangrijkst was verzwegen. Kan je gelukkig zijn naast een concentratiekamp? Kan je gelukkig zijn met mensen die niet alleen geen bezwaar hebben tegen dit leed, maar er volkomen onverschillig tegenover staan én er zelfs, als carnist, aan participeren? Tuurlijk, als je het hun vraagt zullen ze politiek correcte antwoorden geven en wat aan virtue signaling doen – maar, at the end of the day, schieten de slachtsoffers daar niks mee op. Het gaat erom wat je doet, niet om wat je denkt. Denken wordt zwaar overgewaardeerd. Liever een domme veganist dan een slimme carnist (al is dat laatste mijns inziens een contradictio in terminis, en dat eerste bij nader inzien ook).
Ik ben meerdere keren in therapie geweest (coachingtraject heet het dan eufemistisch) om op een sociaal acceptabele manier met mijn woede om te gaan. Toch voelt dat vreemd. Alsof een verzetsstrijder die zich boos maakt over de vernietigingskampen op cursus wordt gestuurd om zich wat meer sociaal aangepast te gedragen. De holistisch massagetherapeute hielp me tenminste, door te luisteren naar mijn vulkanische woede en mijn lichaam door weldadige massage te ontspannen.
Wat mij helpt is dat ik kort van memorie bent. De dynamiek van het kamp deed me de horreur vergeten en ik kon mij laven aan de oprechte aardigheid van de deelnemers (en daders).
Ik noem ook maar gelijk dat andere moment van woede en verontwaardiging, waar ik door sociale conventies ingebonden, niets mee kon aanvangen en waarom ik het dan, in godsnaam, maar hier schrijf en ik ongehinderd door afleiding van woede en verontwaardiging mij kan wijden en laven aan de diepe verbondenheid en empathie die ik tijdens het weekend heb mogen ervaren en waardoor ik ondanks alles, ondanks deze misantropische prelude, mogelijkheden zie voor goed leven en goed samenleven. Dat moment van verontwaardiging kwam toen mij verweten werd intolerant en sektarisch te zijn door te eisen dat het kamp geheel veganistisch is en dat dat ook gold voor wat mensen zelf meebrengen. Volgens hen botst dat met liberale vrijheid. Mijn studenten kennen mij niet. Dat wil zeggen, ze kennen mij alleen als docent. Ze zien het topje van de ijsberg. Ze lezen mijn boeken niet (die leest immers, behalve jij en Dirk die er dan aardige stukken over schrijven, bijna niemand). In Groen Liberalisme (en in tal van andere essays) leg ik uit dat een liberaal verbod op dierlijke producten een paradox is maar geen tegenstelling. Als het liberalisme, zoals ik promoot, wordt uitgebreid naar alle voelende wezens, dan leidt liberalisme automatisch en noodzakelijk tot een morele plicht van veganisme. Dat ik word weggezet als illiberaal en intolerant ergert me. Tijdens conversaties ben ik echter zwak. Toon ik geen ruggengraat. Als ik alles zou zeggen wat ik vind, zou ik nog onzichtbaarder en eenzamer zijn. Ik hoop dat dit filosofisch bootcamp de deelnemers een boost heeft gegeven richting veganisme en veganistisch activisme. Geïndoctrineerd in carnisme valt het individuen haast (en ik zeg haast) niet kwalijk te nemen – mij heeft het goddomme twintig jaar gekost om de stap van immoreel vegetarisme naar moreel minimaal veganisme te maken. Ik zie om mij heen veganisten die het niet zo nauw nemen met veganisme. Alsof het een morele optie is. Niet-verkrachten is ook geen optie waar je je alleen aan houdt als het je toch al uitkomt. (Met een zin als de voorgaande loop ik het risico de mensen die mij lief zijn te kwetsen en van mij te vervreemden. Ik ben echter zo gevormd door de Verlichting en rationeel denken dat ik geen uitzondering maak voor mijn vrienden en geliefden in het verwoorden van morele waarheden, zeker niet wanneer er slachtoffers zijn.)
_Utopia
Utopia bestaat. Of bestond. Deze drie dagen samen zijn met deze groep mensen was utopia. Het kan! Vreedzaam, zorgeloos, inspirerend, warm, gezond, gezellig, intens samen zijn en samenwerken. Wat er ook gebeurt, dit is gebeurd. Utopia was er en het was er op Terschelling tijdens Oerol waar ik over schrijf in Ode aan Oerol. Spelen in het paradijs. De molensteen van woede van de entree viel van mijn schouders door de vrolijke, opgewekte sfeer op het kamp. Het was een heus indianenkamp die mijn door Karl May gevormde jeugd vol indianenverhalen deed heropleven. Een kamp met een grote groepstipi, yurds en safaritenten. Een omzoomd grasveld achter een boerderij in een woestijn van grasfalt. Net zo nep als de verhalen van Karl May. Er was een cucina in een pipowagen, een barak met toiletten en douches en een hottub. Wat ik fascinerend vind, is dat het gelukt is om drie dagen lang met een groep mensen die elkaar nauwelijks of niet kenden vreedzaam, innig, inspirerend en soepel te leven.
Als filosoof heb ik een fascinatie voor utopieën. Ik ben afgestudeerd op utopieën (en een van de boeken die ik heb samengesteld gaat hierover: Het raadsel van Utopia (2006)). Ik heb een haat-liefde-verhouding met utopieën. Utopische projecten ontaardden altijd in ruzie en/of misstanden. Zelden houden die projecten lang stand. Een probleem bij utopieën is het gebrek aan individuele vrijheid, er is groepsdwang. Ook het (utopische) idee om bij alle beslissingen consensus te bereiken is tot mislukken gedoemd. Anderzijds is er in utopieën het gevaar van misbruik en misleiding door charismatische en autoritaire leiders. Dat zijn nadelen. Wat me aanspreekt aan utopische projecten is het streven naar perfectie of althans zo goed mogelijk leven en samenleven en het streven naar uitbannen van lelijke karaktertrekken en de nadruk op empathie, solidariteit, samenwerken. Ik weet dat ik zelf flirt met het idee van charismatisch leiderschap, maar ik probeer dat te onderdrukken door de manier waarop deze kamputopie is georganiseerd. Ik probeer mijn neiging tot theatraal charismatische leiderschap om te vormen tot inspirerend en motiverend autoritatief leiderschap. Ik ben er duidelijk over dat ik niet de baas ben, maar dat we het samen doen en samen organiseren. Ik heb het format ontworpen en neem het voortouw, maar niet alleen. Het format is een voorbeeld van social design: duidelijke taken, mensen verantwoordelijk maken, bottom-uporganisatie, inbreng van deelnemers, ruimte voor improvisatie, samenwerken, altijd een cirkelopstelling (en geen schoolopstelling). Duidelijkheid is belangrijk. Zoals melden dat deelnemers te allen tijde een stapje terug kunnen doen en even niet meedoen, zonder daarvoor tekst en uitleg te hoeven geven. We respecteren het van elkaar als iemand even niet meedoet. Er is geen aparte corveelijst: afwas en opruimen gaat organisch. Iedereen laat de handen wapperen. Ik bedenk me dat ik zelf weinig heb gedaan aan corvee – een paar keer afgedroogd.
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
Wat van belang is, is het creëren van positive vibes, een goede groepsdynamica. Daarvoor zijn veel dingen van belang en het kringgesprek is daarbij essentieel. De kring moet mooi rond zijn, dat lijkt triviaal maar dat is het niet. Eerst zorgen dat de kring een goede cirkel is (een platonische cirkel liefst) en dat mensen binnen gehoorafstand staan. In de loop van het weekend gaat het steeds makkelijker om een goede cirkel te vormen. Een cirkel laat ook in de vorm zien dat we met elkaar samen zijn: we zijn gelijk. Daarnaast duidelijkheid en rituelen. Ik gebruik mijn klankschaal en tingshabellen om een activiteit aan te kondigen. En het vele aanraken: elkaars handen vasthouden, samen dansen. Later in het kamp komen spontaan de hugs.
Vandaag – gewoon een doordeweekse werkdag – was ik weer eens op de universiteit voor een twee uur lange groepsvergadering. Dat is zo hemeltergend saai dat ik mezelf hard knijpen moet om niet in slaap te vallen. Er is op de universiteit weinig oog voor actieve groepsdynamica. Zo’n groepsvergadering roept bij mij weerzin op als een kringverjaardag. Wat studenten bij mijn actieve onderwijsvormen aanspreekt is dat ze diepe gesprekken en diepe connectie hebben met elkaar. De sociale structuur slaat het lege geblaat over en gaat gelijk de diepte in. Het is niet moeilijk, maar wel uitzonderlijk. Ik heb jarenlang geëxperimenteerd om dit zo goed mogelijk te faciliteren. Ik zie mijzelf als facilitator van utopia. Ik zie dat het – op kleine schaal – mogelijk is en ik hoop dat utopia via deze weg emaneert en zich uitbreidt, dat de deelnemers geïnspireerd raken en zelf katalysator zijn voor beter leven en beter samen leven.
Buiten zijn, samen zijn, veel bewegen, veganistisch eten, cirkelgesprekken, duodialogen, geen alcohol. Dat zijn de basiscondities. Door het kamp alcoholvrij te maken, wil ik laten zien dat het mogelijk is om zonder alcohol gezelligheid te hebben, met muziek, kampvuur, poëzie, gesprekken. En zonder kater. In essentie gaat het kamp over goed leren leven in de breedste zin des woords. Leven zonder slechte gewoontes en met positieve activiteiten voor positiviteit en creativiteit. Als ik streng ben, had het eten nog gezonder gekund, zonder chips en zonder wit brood. Maar het was al ontstellend veel beter dan een standaard jongerenkamp vol drank, chips, dierlijke producten, snoep en frisdranken. ‘Het zijn de makkelijkste dingen die het moeilijkst zijn’ is de mantra die voor op mijn boek De vrolijke misantroop staat. Filosofen richten zich vaak op zogenaamd diepzinnige problemen (zoals Bestaat er een vrije wil? Of: Is de mens van nature goed?), maar goed leven gaat over ogenschijnlijk triviale zaken als groepscirkels, veganistisch (en biologisch) eten, volkorenproducten, alcoholvrij drinken. We hebben dan ook niet gefeest tot diep in de nacht. Wel rond het kampvuur gezeten met muziek van Johan op zijn meegebrachte elektrische piano. Soms zongen we halfslachtig mee.
Voor de eerste dag staat een hike gepland. Zo’n filosofische wandeling noem ik een walkshop. Ik organiseer vaker walkshops waarbij ik mensen het bos in meeneem en we zo’n 15-20 kilometer wandelen en filosoferen. Het basisformat is: kringgesprek – wandelen in duo’s en samen filosoferen over bepaald onderwerp – kringgesprek – weer dialoog maar met telkens nieuwe dialoogpartner. Voor de onderwerpen van de dialoog gebruik ik filosofiekaarten, zoals van The School of Life en Het Blote Billenspel. Ook las ik een stilte-etappe in. En, een onderdeel dat de deelnemers altijd zeer aanspreekt: geblinddoekt lopen waarbij de ene helft geblinddoekt is en de andere helft begeleider. De geblinddoekte mensen mogen vrij praten; de begeleiders zeggen alleen hmm-hmm. Dit doen we zo’n twintig minuten. Daarna kringgesprek en daarna wissel. Zelf vind ik het heerlijk om geblinddoekt te lopen en om aan de arm meegevoerd te worden. Opvallend is dat het wandeltempo van de geblinddoekten enorm uiteenloopt. Nieuw heb ik deze keer geëxperimenteerd met oefening in aandachtscoachen. Wat alternatieve ‘geneeskunde’ voor heeft op de reguliere geneeskunde is aandacht voor jou als persoon en bereidheid te luisteren naar jouw verhaal. Die aandacht voor aandacht kan ook zonder charlatanerie. Experts in toegepaste filosofie-filosofen en humanistische raadslieden zouden het voortouw kunnen nemen. Aldus deden we een concrete oefening in duo: een gever en een ontvanger van aandacht (en daarna wissel). Bij het reflectiegesprek in de kring bleek dat aandacht vragen wanneer dat expliciet wordt niet zo makkelijk is. Toch gingen mensen praten en werd er aandachtig geluisterd. Er was een oneven aantal deelnemers en dus bleef ik alleen. Ik merkte dat ik het deze keer jammer vond (FOMO) om niet mee te kunnen doen. In het kringgesprek merkte ik op dat niemand gevraagd had om aangeraakt de worden. Ik zei dat als ik ontvanger was, ik zou hebben gevraagd om aangeraakt te worden en bij de arm genomen.
Een van de aspecten die dit kamp filosofisch maakt, zijn de talloze momenten van reflectie. Na elke activiteit is er een kringgesprek met reflectie. Soms doen we een check-in: iedereen kan één woord of één zin (wel kiezen welk van de twee) zeggen, zodat iedereen aan bod komt (‘weet niet’ is ook oké). Die reflectie kan op verschillende niveaus: over de inhoud, over hoe je het ervaren hebt. De vaardigheid om niveaus van reflectie te onderscheiden is een belangrijke filosofische vaardigheid. Een van de vaardigheden die centraal staan tijdens kamp utopia is aandachtig luisteren. In de academische filosofie is dat niet iets dat wordt aangeleerd. Filosofen hebben de neiging tot zenden (lullen) en niet luisteren. NIVEA is belangrijk om te oefenen: Niet Invullen Voor Een Ander. Door structuur te bieden voor de dialogen gaat die makkelijker.
Ik probeer steeds nieuwe oefeningen te vinden. Op een heuveltop gingen we in een kring liggen op onze meegebrachte dekentjes en luisterden naar Porz Goret van Yann Tierssen: een liggende muziekmeditatie in de natuur. De muziek leent zich daar goed voor, want Yann Tierssen speelt het stuk op locatie (Porz Goret) op zijn piano aan de kust. Na de meditatie een korte dans in de cirkel (een wals van Jóhann Jóhannsson, Domestic Pressures van de film The Theory of Everything over Steven Hawking). Dat dansen vonden mensen moeilijker, vreemder, ongemakkelijker dan het liggen luisteren in het gras. Ik vond het contrast mooi tussen liggen en dansen. Mijn opzet is niet dat mensen elke oefening leuk vinden. De oefeningen zijn bedoeld als aanzet tot reflectie en zelfkennis. Het gaat om aanzetten over wat normaal is, wat goed voelt en waarom. We zitten als mens vast in een dwangbuis van culturele praktijken die we normaal vinden. Antropologen zijn zich bewust hoe groot de verschillen tussen culturen zijn. Vanuit humanistisch perspectief kunnen we experimenteren met culturele praktijken en kijken welke er bijdragen aan beter leven, aan ontplooiing en ontwikkeling. Voor filosoferen is lef nodig. Met de studenten een boeiende reflectie over in welke zin dit kamp filosofie is. Bij de dialogen over filosofische onderwerpen is dat helder. Maar bij dansen, mediteren, geblinddoekt lopen is dat niet voor iedereen duidelijk. Mijn antwoord zou zijn dat filosoferen gaat over goed leven en dat oefeningen daarbij kunnen helpen, zowel het doen van die oefeningen als het reflecteren daarover. Bovendien vind ik het bezwaarlijk dat filosofie – in de westerse traditie – is ingeperkt tot het bovenste stukje van het lichaam, de hersenen, en dat de rest van het lichaam is veronachtzaamd. De meeste mensen zullen bij filosoferen denken aan zitten in een stoel, een orerende persoon, een bibliotheek. Ik wil holistisch filosoferen, zowel inhoudelijk (over alle onderwerpen filosoferen) als met het hele lichaam. Filosoferen wordt gezien als een soloactiviteit, hooguit een leraar met leerlingen, maar niet als een activiteit die je gelijkwaardig samen doet. Het is niet zo dat iedere activiteit van het kamp – zeg het handen vasthouden in een cirkel – op zichzelf filosofie is, maar het kan wel degelijk deel uitmaken van filosoferen.
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
Ik sta telkens verbaasd hoe goed het koken van de kookploeg gaat. Er is altijd wel iemand die het voortouw neemt. Er worden handen uit de mouwen gestoken. En dan is er opeens een uitgebreide maaltijd: curry met verse groenten. Gevarieerd, smakelijk, gezond en versbereid. Geweldig! Voor een aantal mensen is dit hun allereerste ervaring met een geheel plantaardige maaltijd. Dat is een van de aspecten die ik wil laten zien: je kunt gezond, smakelijk en voedzaam eten op een plantaardig dieet. Het koken en wat er gekookt wordt en hoe, is geen bijzaak maar essentie. Eten en koken krijgen in de filosofie weinig aandacht. Zoals zoveel zaken die essentieel zijn voor goed leven in de filosofie nauwelijks aandacht krijgen. Als ik zo nadenk over de filosofie, dan is het best bedroevend hoe weinig de filosofie heeft bijgedragen aan goed leven. De uitgave van de Encyclopédie vol praktische wijsheid voor een betere wereld is daar een uitzondering op, maar dat encyclopedisch project is dikwijls maar een zijdelingse opmerking in historische overzichten van de filosofie. Neem Copplestons monumentale geschiedenis van de wijsbegeerte: als je al die delen en duizenden pagina’s hebt doorgeploegd, heb je dan concrete handvatten om goed te leven? Hoe kun je beter leren goed te leven? Een heel weekend Coppleston lezen of een weekend op filosofisch bootcamp?
De studenten studeren toegepaste filosofie. Ik probeer toch zoveel mogelijk filosofie en filosofologie (kennis over geschiedenis van de filosofie) mee te geven. Zo kiezen alle studenten zowel een favoriete filosoof en een filosofisch concept dat ze op hun nametag dragen. Ik kies voor Peter Singer en als concept de uitbreidende morele cirkel. Ik zie dat de nametag twee zijden heeft. Op de andere kant schrijf ik mijn deep ecology-naam sequoia mountain, als filosoof schrijf ik Arne Næss en als concept deep ecology. Er is ook een bibliotheek in een van de tenten: iedere student neemt twee filosofieboeken mee. Dat brengt me tot de meest traditioneel filosofische oefening: felix studium. Er is tijd voor een filosofisch café. Ik geef kort instructie over de OPIR-methode, over hoe je een boek kunt bestuderen in korte tijd zonder het boek van kaft tot kaft te lezen. De studenten kiezen vervolgens een boek uit de bibliotheek (niet hun eigen boeken) en gaan dan 45 minuten geconcentreerd dat boek bestuderen om te kijken hoeveel ze van het boek kunnen begrijpen. Daarna gaan ze 20 minuten in groepjes van drie hun boeken bespreken. Daarna een korte pauze met beweging en dan ronde twee (met een 30 minuten leestijd). In een tijd van ontlezing wil ik studenten aanmoedigen te lezen. Lezen moet je oefenen en leren (OPIR). Ik wil studenten aanmoedigen een huisbibliotheek op te zetten en dat ze goed nadenken over welke boeken ze willen lezen. Reflectie over lezen, over kiezen wat te lezen, reflectie over hoe te studeren en hoe te motiveren. Bildung is een van de kernconcepten van dit pedagogisch kamp. Bildung gaat niet alleen over jezelf breed ontwikkelen, maar ook om te leren anderen te helpen bij hun Bildung. Dus om mensen te motiveren, te inspireren en op weg te helpen. Het geven van goede leesadviezen is een goede eigenschap, maar vergt oefening. Ook in het aandachtig luisteren naar waar iemand naar op zoek is of naar welk boek iemand kan helpen. Een boek moet aansluiten bij de belevingswereld van de lezer. Te moeilijk leidt tot desinteresse en demotivatie. Te makkelijk helpt de persoon niet bij de ontwikkeling. Ik heb me zelf deze vaardigheid met moeite eigen gemaakt omdat ik geneigd was om boeken en dingen die ik zelf geweldig vind bij anderen aan te raden. Maar het heeft geen zin om een beginnend lezer enthousiast Thomas Manns De Toverberg of Jonathan Rauchs The Constitution of Knowledge aan te bevelen.
Terwijl de studenten lezen, ga ik hardlopen. Ik moet kilometers maken voor de marathon. Ik loop door het schuldige landschap. Ik zie een beboste heuvel waar ik me bevrijd van de gruwelijkheden van de dierenholocaust. Rondje van 12 kilometer.
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
We doen een praktische retoricasessie. We beginnen met de complimentencirkel. Iedereen schrijft op een post-it een compliment aan zichzelf in de jij-vorm. Alle post-its gaan in de klankschaal. Iemand haalt een post-it uit de schaal en staat op en iemand aan de overzijde van de cirkel staat ook op en ontvangt het compliment. Hoewel dat compliment lang niet altijd van toepassing is, geeft het de ontvanger toch een goed gevoel om een compliment te ontvangen. Dit is een oefening in complimenten geven. Fascinerend hoe verschillend de complimenten zijn. Als ik de kring rondkijk zie ik blije mensen. Op school wordt er geoefend met teksten, maar complimenten geven zijn ondervertegenwoordigd. Oefenen dus. Bij goed leven hoort het vermogen complimenten te kunnen geven en dat ook te doen en op passende wijze te doen.
De tweede oefening in toegepaste retorica is een oefening in tweetallen. Iedereen pakt een willekeurig boek en slaat het open op een willekeurige zin en leest die zin om beurten aan de ander voor, telkens op een andere manier en dat tien minuten lang. Mooi om te zien hoe extremer de voordrachten worden en ongelofelijk op wat voor manieren er gevarieerd wordt: schreeuwen, fluisteren, liggend, rennend, dansend. Het kampterrein ziet eruit als absurdistisch theater of als een psychiatrische instelling. Ik zie speelplezier. Deze oefening rekt de bandbreedte van communicatiemogelijkheden op. Natuurlijk zal het in de praktijk minder extreem zijn, maar het laat mensen zien dat er meer mogelijk is met communicatie en hoe je stem, lichaam en gebaren kunt gebruiken. Het is ook een oefening in zelfvertrouwen.
Ook nieuw is het idee van een filosofiefestival. Geïnspireerd op Oerol maken we ons eigen festival. In de weken voor het kamp puzzelde en peinsde ik over hoe dit in praktijk te organiseren. Duidelijke instructies en helderheid in wie wat moet doen en dat iedereen ook enthousiast aan de slag gaat zijn fundamenteel voor het succes. (Ik heb veel zogenaamde praktische filosofiesessie meegemaakt waarbij een sessie begint met een ellenlange en vaak onduidelijke monologische inleiding waardoor er te weinig tijd overblijft voor de geplande oefening, laat staan voor reflectie.) Ik kwam op met dit. De groep in tweeën delen. Beide groepen krijgen een half uur om activiteiten en posten te maken (ze moeten zichzelf dan onderverdelen in subgroepen). Ik had er een hard hoofd in of dit zou werken. Het is zoeken naar een format dat ruimte biedt voor creativiteit, maar dat mensen wel gelijk aan het werk zet zonder tijdsverlies met overleg over het hoe. Met Rob, met wie ik onlangs de 11 km Survival Run in Utrecht had gedaan, bereidde ik een survivalrun voor waarbij in twee rondes eerst een bak water en vervolgens een mand hout via een parcours met obstakels naar de hottub gebracht moest worden.
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
Er was enthousiasme om de hottub in orde te maken. Dat viel niet mee. Eerst de bak schoonmaken. Dan lange waterslang uitrollen en vullen, wat een uur of zo duurt en dan hout stoken in de kachel. Zo’n bak opwarmen duurt uren. Zaterdagmiddag, na het filosofiefestival was het zover: de hottub was warm. Heerlijk om erin te zitten, vooral toen het ook nog ging regenen. Met vijf in een heerlijk hete hottub. Ook in de hottub werd het filosoferen voortgezet waarbij we naar elkaar luisterden en verhalen vertelden. Leuke vraag die rondging: vertel eens iets over jezelf wat we niet zouden kunnen raden. R. vertelde dat hij ooit een nacht in een cel had gezeten omdat hij betrapt was op het stelen van een fiets. En andere R. vertelde dat hij op zijn 17e met een motor reed en door de politie was achtervolgd. S. vertelde een ademstokkend verhaal over zijn parazeilkamp. Dat hij na twee dagen al alleen van een berg afsprong. Er was verbinding met een eenzijdige walkietalkie (hij kon alleen horen en niet terugpraten). Er was een wijziging in de line-up van vliegers en toen hij aan de beurt was hoorde hij instructies voor ene Frank. Hij zag de landingsplek beneden in het dal nergens. De instructies voor Frank werden steeds nijpender: Frank! Frank! Naar links! Naar links!’ Toen hij even iets naar links stuurde en hoorde: MEER LINKS! drong het tot hem door dat hij weleens voor Frank aangezien kon worden. In de hottub voelde ik desalniettemin het koude angstzweet. Af en toe kwamen er mensen kijken hoe wij het hadden in de hottub (en een foto maken). Ze brachten ons drankjes. Bij het eruit uitstappen en mijn slippers aandoen, raakte ik met mijn hand even de kachelpijp aan. Dom. Stom. (Een paar dagen later vervellen mijn vingers. Dankzij de survivalrun en trainen op het hangboard heb ik eelt op mijn vingers, wat nu van pas kwam).
Dit kamp gaat niet alleen over het leven; het is ook het leven. Er komen aangrijpende persoonlijke verhalen langs. Er is ruimte om dit te delen. Mensen voelen zich op hun gemak om dit te doen. In een klaslokaal is daar geen ruimte voor. Als onderwijs zich beperkt tot eenzijdige kennisoverdracht is dat een verschraling van onderwijs en vooral van filosofie.
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
Zondagochtend ochtendgymnastiek en yoga. Na ontbijt met auto’s naar het bos voor walkshop. De groep is uitgedund. Met negen mensen het intens lentegroene bos in. Bij een heideveld aangekomen doen we de landart-oefening. In groepjes van drie maken we landart én bereiden een interactieve activiteit (groepsritueel) voor. Na een minuut of twintig heerlijk spelen, bezoeken we elkaars kunst en voeren we de bijbehorende rituelen uit. Na afloop weer een kringgesprek. We eindigen het gesprek met een complimentenronde waarbij we de persoon naast ons een compliment maken. Ik hoor prachtige, intense, originele complimenten langskomen. A., die naast mij staat, schiet vol wanneer zij haar compliment ontvangt. Met betraande ogen draait ze zich naar mij toe om mij een compliment te geven. Ze bedankt me voor het organiseren van dit kamp en ze zegt dat ze mij bewondert en inspirerend vindt. Ik had niet willen huilen. Ik probeer me groot te maken, maar het lukt niet. Ik schiet vol en snik. We huggen. Ik draai me om naar J. om hem een compliment te maken, maar ik ben nog steeds hevig geëmotioneerd. Het lukt me niet om wat te zeggen. Iemand zegt: Groeps-hug! Ik word omsloten door lieve mensen die mij en elkaar huggen. Iemand aait me over mijn hoofd.
Een zondagochtend. Midden op de hei. Mijn hele jeugd ben ik naar de kerk gegaan en heb rituelen gezien. Maar ze lieten mij koud. Dit moment van een spontane groeps-hug op de hei raakt me diep. Zo mooi. Ik herpak mijzelf en maak J. een compliment. De complimentenkring is ook een hug-kring (voor wie wil). Een emotioneel hoogtepunt. Om dit moment te koesteren stel ik voor om samen in stilte terug te lopen. Stil en vol emotie. Stil en gelukkig. Stil en vreedzaam. Stil en met een hoofd vol positiviteit lopen we terug.
Dan is het tijd voor opruimen. Praktisch aanpakken. Mooi om te zien hoe organisch dat gaat. Zonder vaste taken is iedereen bezig en helpt waar er behoefte aan is. In een mum van tijd zijn we klaar. In het kanariegele hippiebusje word ik samen met R. door de andere R. afgezet op station.
Wat ik niet verwacht had, is dat ik de volgende dag hondsmoe ben. Het is niet zozeer dat het kamp fysiek uitdagend was, maar emotioneel heeft het veel energie gekocht. Het was mooi maar intens. Ook was ik steeds bezig met het programma en het behouden van de juiste spanningsboog en iedereen erbij te betrekken. Ik zie het kamp utopia als een kunstwerk. Een weekend van levenskunst. Alle deelnemers hebben een intense ervaring opgedaan. Dat is die betere wereld. De betere wereld hoeft niet in de toekomst te liggen. Soms lukt het om het paradijs op aarde te maken. Wat daarvoor nodig is, is een goede structuur. Het is de structuur die het beste in mensen los maakt en waardoor we samen een prachtige emotionele symfonie kunnen orkestreren. Ik hoop dat de deelnemers dit zullen koesteren en deze ervaring gebruiken als steppingstone naar een ecohumanistische levenskunst voor zichzelf en voor anderen.
Student K. schrijft in een verslag over het bootcamp: ‘Vanaf het eerste moment werd ik verrast door de open sfeer, de mensen en de manier waarop iedereen met elkaar omging. […] Er hing een rustige en warme sfeer waarin iedereen zichzelf leek te kunnen zijn. Er was ruimte voor ieders ideeën, talenten en verhalen, zonder dat iemand zich hoefde te bewijzen. Daardoor voelde het al snel vertrouwd, terwijl sommigen elkaar nog maar net kenden. Wat mij opviel, was hoe vanzelfsprekend het voelde om met elkaar in gesprek te gaan, zelfs over persoonlijke of ingewikkelde onderwerpen. Een deel van het weekend brachten we samen door in het bos, waar we filosofeerden, wandelden en opdrachten deden. Dat zorgde voor een bijzondere combinatie van nadenken, creativiteit en samenzijn. Filosofie bleef daardoor niet iets abstracts of zwaars, maar werd juist iets levends en speels. Er was veel ruimte voor verbeelding en spontaniteit. […] Door samen te lopen, spellen te doen en actief bezig te zijn, kwam contact veel natuurlijker op gang. […] Filosofie werd daardoor niet alleen iets om over na te denken, maar ook iets om samen te ervaren. Juist die combinatie van denken, voelen en bewegen gaf het weekend voor mij zoveel betekenis.’
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
Ik had vooraf 15 filosofische concepten geponeerd als leidraad voor reflectie op het kamp: vertrouwen, zelfvertrouwen, gemeenschap, solidariteit, Bildung, weerbaarheid, samenwerking, reflectie, luisteren, aandacht, creativiteit, aardig, warmte, zingeving en beter leven. De studenten deden meerdere schrijfsessies waarbij ze volgens het format van écriture automatique hun gedachten op papier stellen. Om te stimuleren dat er niet alleen staat ‘het was leuk/gezellig’ konden de 15 concepten als ijkpunten worden gebruikt. Ik had gevraagd of ze voor in hun schrift per pagina 1 concept konden schrijven en dan zo concreet mogelijk aangeven hoe dat concept tot uiting is gekomen. De concepten overdenkend, lijkt het me dat ze allemaal aan bod zijn gekomen. De metareflectie zit hem erin dat ik studenten wil aanzetten na te denken over 1) wat ze in hun onderwijs leren en geleerd hebben, 2) wat ze zouden willen leren, 3) hoe te bepalen wat belangrijk is om te leren, 4) hoe ze zichzelf dingen kunnen leren, 5) gaat onderwijs alleen over kennisoverdracht of ook om morele waarden en persoonlijke ontwikkeling? Dat laatste is een loaded question: ik vind dat onderwijs moet bijdragen aan beter leven, dat mensen zich ten volle kunnen ontplooien, dat ze autonomie krijgen over hun eigen leerproces, dat ze zichzelf kunnen motiveren om te leren en te ontwikkelen en dat onderwijs deze metavaardigheden bij moet brengen. Dat onderwijs moet helpen om morele blinde vlekken op te sporen en daar wat aan te doen. Dit bootcamp is onderwijs in beter leven. Dat dit vragenderwijs gaat en mensen motiveert en inspireert met een constante loop van (zelf)reflectie maakt dit onderwijs filosofisch. Gaat onderwijs om ervaring en/of over kennis? Gaat leven over kennis en/of over ervaring?
Effectief altruïsme heeft tot gevolg dat als je kritisch nadenkt over je eigen inzet voor een betere wereld, het vaak niet de meest effectieve manier blijkt om een zo groot mogelijke impact te hebben om leed te verminderen en geluk te bevorderen. Filosoof Stijn Bruers, waarmee we beiden zijn bevriend, neemt het effectief altruïsme bloedserieus en brengt de contra-intuïtieve gevolgen ervan in kaart. Ik lig wakker van de vraag of mijn inzet voor een betere wereld wel de meest effectieve is – ik denk namelijk van niet. Die diagnose is gemakkelijk gesteld, maar moeilijker is het uit te vinden wat ik anders en beter moet doen. Ik prioriteer het grootste leed in de lage landen: het leed van de niet-menselijke dieren in de bio-industrie. Mijn activisme gaat voornamelijk over dieractivisme. In al mijn boeken en voordrachten en onderwijs besteed ik daar aandacht aan. Ik probeer een stem te geven aan de onmondige dieren. De vraag is of ik niet beter bij een ngo kan werken of de politiek ingaan. Ik laat de last van continue reflectie op mijn handelen vanuit het perspectief van effectief altruïsme wat vieren. Het bootcamp is niet effectief voor een betere wereld want de outreach is gering. Maar, aan de andere kant, het is wel gelijk een manier van goed leven. Wie weet worden mensen ertoe bewogen richting veganisme op te schuiven, wie weet beïnvloeden deze mensen weer andere mensen. Ik hoop dat ik een teachers’ teacher kan zijn. Of nog beter een teachers’ teachers’ teacher. Te veel zelfreflectie op je eigen handelen kan verlammend werken.
Wat mij het meest treft van mijn onderwijsexperimenten zijn de diepmenselijke contacten. Het is gek om deze diepe en intense ervaringen te hebben met mensen die ik vaak niet goed ken. Het is dat gevoel dat ook mij raakt – de intermenselijke connectie – dat mij motiveert en inspireert steeds weer zulke extra curriculaire activiteiten te organiseren. (Dat het meestal gaat om extra curriculaire activiteiten, spreekt boekdelen).
Mocht deze brief het begin zijn van een correspondentie, dan is het wellicht een idee om elkaar telkens een vraag voor te leggen. Hier mijn vraag aan jou (ik heb trouwens al een lijst gemaakt met vragen om jou te stellen ;-)): Wat zie jij als de essentie van goed onderwijs? En: in hoeverre vind je dat het huidige onderwijs bij jouw ideaal van onderwijs komt?
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman
Deze brief is lang geworden terwijl ik nog lang niet alles geschreven heb waar ik over had willen schrijven, over museumbezoek aan Singer Museum Laren, theatervoorstellingen, een concert in Rotterdam van de Australische zangeres Sarah Blasko met de hese stem, de 20 km urban walk in Deventer die ik met Annemarieke liep en waar we tal van gebouwen bezochten waaronder de spectaculaire universitaire bibliotheek, over dat ik mij door een groot deel van de werken van Thomas Mann heen lees en ik net Dr. Faustus uit heb, over de magistrale beknopte recente roman Things We Never Say (2026) van Elizabeth Strout, over de Marokkaanse kookkunst van mijn zoon Julius en zijn vrienden, over dat Annemarieke met een app de flora op onze dagelijkse wandelingen langs de Kromme Rijn duidt. Ik ben op zoek naar een genre waarin ik zowel kan filosoferen als ook het echte leven kwijt kan en waarbij het schrijven tegelijkertijd deel is van mijn leven. Vaak schrijf ik essays, of dagboeknotities. Maar een brief heeft een directe adressant. Een brief is een monoloog gericht aan iemand. Ik schrijf met jou in gedachte. Ik hoop dat jij in je Spaanse refugium kunt aarden en de vrijheid hebt om te schrijven wat je wilt schrijven. Ik ben heel benieuwd naar wat dat zal zijn. Het laatste woord is aan John Dewey: Education, therefore, is a process of living and not a preparation for future living.
Hugs
Floris
Eerste brief van Floris van den Berg aan Johan Braeckman