3 november 2026
Het recht op verwijdering uit het doopregister
De beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit
De Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) oordeelde in 2023 dat het bisdom Gent moest ingaan op het verzoek van een gedoopte persoon om zijn persoonsgegevens uit het doopregister te verwijderen. Volgens de GBA kan de katholieke Kerk een gerechtvaardigd belang hebben bij het bijhouden van doopgegevens, maar dat belang weegt niet zwaarder dan het recht van een individu op gegevensbescherming.
De zaak draait dus om de vraag of iemand die als kind werd gedoopt, later als volwassene het recht heeft om zijn persoonsgegevens uit het doopregister te laten wissen wanneer hij uitdrukkelijk afstand neemt van zijn geloof.
_Het standpunt van de Kerk tegenover dat van de betrokkene
De rooms-katholieke Kerk (Kerk) weigert doorgaans doopgegevens te verwijderen. In plaats daarvan noteert ze in de kantlijn van het doopregister dat de betrokkene de Kerk heeft verlaten.
De Kerk verdedigt haar werkwijze met twee argumenten:
- Voorkomen van fraude: volgens de katholieke leer kan iemand slechts één keer worden gedoopt. Een register moet daarom kunnen aantonen of een doopsel heeft plaatsgevonden.
- Historische en archiefwaarde: doopregisters hebben volgens de Kerk een blijvende historische betekenis en moeten daarom bewaard blijven.
De GBA erkende dat de Kerk een gerechtvaardigd belang heeft bij het registreren van doopsels. Toch stelde ze vast dat de bestaande registers, die op papier en per parochie worden bijgehouden, niet noodzakelijk doeltreffend zijn om dubbele doopsels te voorkomen. Bovendien is het levenslang bewaren van alle persoonsgegevens niet evenredig wanneer iemand uitdrukkelijk vraagt om uit de Kerk te treden.
Volgens de GBA woog in dit concrete dossier het belang van de betrokkene zwaarder. De gegevensverwerking werd daarom als onrechtmatig beschouwd en het bisdom moest de gegevens wissen. Ook vond de GBA dat de Kerk onvoldoende duidelijk informeerde over de bewaartermijn van de persoonsgegevens.
_De zaak voor het Hof van Justitie van de Europese Unie
Het bisdom Gent ging tegen de beslissing in beroep. Op 11 december 2024 besloot het Marktenhof (die de zaken van o.a. de GBA behandelt) om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU).
De vragen betreffen de verhouding tussen twee fundamentele rechten: de vrijheid van godsdienst en het recht op bescherming en verwijdering van persoonsgegevens.
Het Hof moet onder meer onderzoeken:
- Of iemand die als minderjarige werd gedoopt, als volwassene verwijdering uit het doopregister kan eisen.
- Of de vrijheid van godsdienst van de Kerk een weigering kan rechtvaardigen.
- Of de papieren vorm en de historische waarde van het register een verschil maken.
- Of een kanttekening waarin staat dat iemand de Kerk heeft verlaten, gelijkwaardig is aan het daadwerkelijk wissen van diens gegevens.
De zaak gaat dus niet alleen over de administratieve praktijk van de Kerk, maar ook over de grenzen van haar autonomie wanneer individuele grondrechten in het gedrang komen.
_De conclusie van de advocaat-generaal van 1 oktober 2026
Op 1 oktober 2026 formuleerde advocaat-generaal Laila Medina haar conclusie in de zaak tussen de GBA en het bisdom Gent. Zij volgde de interpretatie van de GBA op verschillende belangrijke punten.
Volgens haar is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing op doopregisters. Wie formeel bezwaar maakt tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens, kan in beginsel om verwijdering verzoeken. De Kerk mag de gegevens alleen blijven verwerken wanneer zij daarvoor dwingende gerechtvaardigde gronden kan aantonen en de verwerking noodzakelijk is.
Daarbij moet telkens een afweging worden gemaakt tussen de institutionele autonomie van de Kerk en de rechten van de betrokken persoon. Ook de gevolgen van een weigering moeten worden meegewogen. Het bewaren van persoonsgegevens door een religieuze gemeenschap waarvan iemand zich wil distantiëren, kan immers het recht op zelfbeschikking aantasten en onder bepaalde omstandigheden emotionele schade veroorzaken.
Ook een beroep op archivering of historisch onderzoek volstaat niet automatisch. Archivering moet aan bepaalde voorwaarden voldoen en moet onder meer het maatschappelijke belang dienen.
Indien verwijdering in deze zaak vereist is, moeten de gegevens volgens de advocaat-generaal onleesbaar worden gemaakt, zodat de betrokkene niet langer of niet gemakkelijk identificeerbaar is. Een eenvoudige kanttekening dat iemand de Kerk heeft verlaten, volstaat dan niet.
_Wat betekent dit voor de betrokkenen?
De conclusie van de advocaat-generaal is niet bindend. Het Hof van Justitie moet zich nog definitief over de zaak uitspreken. Te volgen dus.
Dit probleem focust ondubbelzinnig op de verhouding tussen de vrijheid van godsdienst, de autonomie en historische verworvenheden van religieuze instellingen en het recht van individuen om zelf te bepalen tot welke levensbeschouwelijke gemeenschap zij willen behoren.
De uitkomst in dit dossier kan belangrijke gevolgen hebben voor de manier waarop religieuze instellingen persoonsgegevens bewaren en omgaan met mensen die uitdrukkelijk afstand nemen van hun geloofsgemeenschap.