• |
Kwintessens
Geschreven door Stijn Bruers
  • 264 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

13 mei 2020 Het meest verwaarloosde leed
Het is een mooie lenteavond; tijd voor een filosofische wandeling in het bos. Onderweg stellen we ons de vraag: wat zijn nu de allerbelangrijkste humanistische waarden? We komen uit op een shortlist, met bovenaan: het vermijden van ongewenst, onnodig, extreem leed. Goed, als dat belangrijk is, dan volgt een tweede, uitdagendere vraag: wat is de meest verwaarloosde vorm van leed, waar we te weinig aandacht voor hebben? Bij zo’n aangename lentewandeling in de natuur is het natuurlijk niet eenvoudig om na te gaan welk leed we het meest over het hoofd zien, want het leed in de wereld lijkt dan ver weg. Of net niet?
We genieten van een fluitende vogel. De vogels in dit bos lijken wel tevreden, net als wij. Maar we zijn misleid. We weten dat de moeder van die vogel pakweg een tiental eieren heeft gelegd. Die vogel heeft dus tien broertjes en zusjes. Waar zijn die dan? Die zijn gestorven, want als alle vogels zouden overleven en zich voortplanten, dan hebben we elke generatie tien keer meer vogels. Dus voor elke fluitende vogel zijn er tientallen kuikentjes die we niet te zien krijgen omdat ze op jonge leeftijd gestorven zijn. Verreweg de meeste pasgeboren dieren in de natuur hebben korte levens met veel negatieve ervaringen, gevolgd door een pijnlijke doodstrijd. Als jij zou reïncarneren tot een willekeurig dier, zul je zeer waarschijnlijk een kort en naar leven hebben, met honger, dorst, vrieskou, gevechten, ziektes, ongevallen, parasieten, roofdieraanvallen enzovoort. De dieren die we in dit bos zien, zijn de geluksvogels, en we maken een denkfout als we daaruit concluderen dat de meeste dieren wel gelukkig en gezond zijn. De vele pechvogels zagen we niet, want die zijn gestorven en opgegeten.
In extreme armoede sterft ongeveer een kind op zes. Hoe erg moet het leed van dieren in de natuur dan niet zijn, waar meer dan negen op de tien pasgeborenen vroegtijdig sterft? Sommigen zijn bezorgd over menselijke overbevolking: een sterke stijging van de bevolking die leidt tot milieuproblemen en een plotse populatiecrash. Maar de menselijke populatie is waarschijnlijk de eerste en tot nu enige dierenpopulatie die overbevolking net vermijdt: zowat elk geboren kind heeft een lange levensverwachting en krijgt gemiddeld een eigen kind dat ook weer volwassen kan worden. In de natuur zien we daarentegen elk jaar een overpopulatiecrisis. De bevolking van wilde dieren groeit plots met meer dan een factor tien, en omdat de natuur dat niet aankan, sterven meer dan 90% van de pasgeborenen. Een factor tien daling, dat is pas een populatiecrash. Je zou kunnen zeggen dat de natuur een failed state is: ze slaagt er niet in het welzijn van haar inwoners te bevorderen.
Het terrein van het wildedierenleed is ideaal voor een filosofische lentewandeling, omdat het een mijnenveld is van denkfouten. Waarom is dat probleem zo sterk verwaarloosd, zelfs door dierenactivisten?
Misschien twijfel je dat wilde dieren leedervaringen hebben? We zien een bij op een bloem; heeft die een bewustzijn? Er zijn aanwijzingen dat bijen gemoedstoestanden hebben. Een bij kan leren dat een waterdruppel op een verticale markering lekkere suiker bevat, en een waterdruppel op een horizontaal streepje wansmakelijke, bittere quinine bevat. Hoe zal ze reageren op een twijfelgeval: een schuin streepje? Gaat ze proeven van het water, in de optimistische overtuiging dat het suiker bevat? Nadat een bij wordt geschud (wat de aanval van een honingdas simuleert), is ze minder snel geneigd om het water op die schuine markering te proeven. Dit is een pessimismeneiging. Die angstige bij heeft lagere niveaus van de gelukshormonen dopamine en serotonine, en ze wordt optimistischer als ze antidepressiva krijgt. Als wij depressief of angstig zijn, dan worden wij ook pessimistischer in onzekere situaties, en we worden optimistisch als we gelukkig zijn. Deze judgment bias hebben we ook al waargenomen bij onder andere honden, ratten, kippen, koeien, varkens, schapen en spreeuwen.
Bijen kunnen ook rekening houden met hun mate van onzekerheid. Als de proef met het schuine streepje te moeilijk is, kan de bij leren om naar eenvoudigere situaties te vliegen, waar de streepjes duidelijk horizontaal of verticaal zijn. Dit vereist metacognitie, wat je kunt interpreteren als een soort zelfbewustzijn van het eigen gevoel van onzekerheid. En bijen hebben net zoals onder meer mensen en kippen zelfcontrole en een tijdsbesef: ze verkiezen een grotere, maar uitgestelde beloning boven een onmiddellijke, maar kleine beloning.
Ontkennen dat wilde dieren leed ervaren, heeft dus geen zin. En we lijden hier aan omvangverwaarlozing (scope neglect): doordat het probleem zo groot is, met triljarden lijdende wilde dieren, wordt ons brein overbelast. We kunnen geen empathie meer voelen met zo veel slachtoffers. Als het bos afbrandt en je moet snel kiezen tussen het redden van één egel of twee egels, kies je waarschijnlijk voor het grootste aantal. Maar tussen het redden van 537 523 en 537 524 dieren ben je onverschillig geworden.
Op onze wandeling hebben we nog even tijd voor hardnekkigere denkfouten. We zien een roofvogel. Ik zeg je dat al die roofdieren veel leed veroorzaken en dat er dus beter minder roofdieren zijn. Jij antwoordt dat dat leidt tot andere problemen, zoals overpopulaties van prooidieren die dan sterven van de honger. Minder roofdieren is meer leed? Goed dan, laten we dan het aantal roofdieren verhogen. Laten we in dit bos extra vossen vrijlaten, en tijgers, slangen, genetisch gemanipuleerde superarenden, tyrannosaurussen. Die verhoogde predatie zou dan toch het leed in het bos moeten verminderen? Of geloof je dat het huidige niveau van predatie toevallig optimaal is voor het dierenwelzijn? Nee, de natuur is blind en is niet begaan met dierenwelzijn, dus is er geen reden om te geloven dat het aantal roofdieren in een natuurlijk evenwicht toevallig overeenkomt met het optimum welzijn. Als je op een landkaart een willekeurige plek aanduidt, is de kans ook klein dat je een bergtop hebt gekozen. Als je denkt dat het leed in dit bos minimaal is wanneer het een natuurlijk evenwicht kent van dierenpopulaties, dan maak je een status quo denkfout.
Verwant hiermee is de naturalistische denkfout. Dat dierenleed is natuurlijk, want niet veroorzaakt door mensen. Is het daarom minder erg? Dat is een vorm van ongewenste willekeur, een soort van discriminatie op basis van soort, dus speciesisme. Wat maakt het uit of een mens al dan niet de oorzaak is van leed? Waarom zou enkel het leed veroorzaakt door mensen onverantwoord zijn, en niet bijvoorbeeld enkel het leed veroorzaakt door vrouwen, door zwarten, door primaten, door zoogdieren? Voor het slachtoffer, het wilde dier, maakt het niet uit of diens leed veroorzaakt werd door een mens of iets anders. Dat slachtoffer wil gewoon geen leed.
Een heel oneerbiedige denkfout is de rechtvaardige-wereld-denkfout (just-world hypothesis): het geloof dat de wereld goed is en dat de slachtoffers in feite zelf schuldig zijn, alsof de wereld een onzichtbare morele kracht heeft die het morele evenwicht herstelt. Een dader van geweld gelooft al snel dat het slachtoffer het verdient heeft, het zelf gezocht heeft. Iemand die bezorgd is over overbevolking, gelooft al snel dat een nieuw pandemisch virus de eigen schuld van de mensheid is. Hetzelfde zagen we bij de prooidieren. We begonnen te denken dat die prooien zelf schuldig zijn aan hun eigen leed: ze moesten zich maar niet zo snel voortplanten. Zebra's zouden de savanne overbegrazen en dus zelf leed door hongersnoden veroorzaken, als er geen leeuwen waren.
Als afsluiter is er de autonomiedenkfout. Natuurgezinde mensen beweren dat we de natuur zo veel mogelijk haar gang moeten laten gaan en wilde dieren dus niet veel mogen helpen. Ze geloven in een soort van autonomie, natuurlijkheid, integriteit of ongereptheid van de natuur. Maar in feite schenden ze zo de autonomie van anderen. Ze leggen namelijk hun eigen waarden (dat ongereptheid goed is, dat we niet voor God mogen spelen) op aan de slachtoffers, de wilde dieren, op een manier die de slachtoffers niet willen. Ik kan waarde toekennen aan de integriteit of ongereptheid van een natuurgebied, maar de natuur heeft geen enkel besef van haar eigen integriteit en interesseert zich niet in zulke ambigue abstracte waarden. De slachtoffers interesseren zich daarentegen wel in hulp.
Als ik dan waarde toeken aan het welzijn van een wild dier, respecteer ik diens autonomie, want dat dier waardeert zelf zijn eigen welzijn. Ik speel niet voor God als ik hulp aanbied en dus doe wat de ander, het dier, wil. Ik speel wel voor God als ik mijn eigen waardering voor ongereptheid, of mijn eigen esthetische voorkeur voor natuurlijke schoonheid, opleg aan alle wezens in de natuur, terwijl noch de natuur, noch een dier deze waarden en voorkeuren deelt. De eigen esthetische voorkeur laten primeren boven de voorkeur van een ander om geholpen te worden, is egocentrisch.
Het is nog niet duidelijk hoe we veilig en doeltreffend de natuur kunnen helpen bij het bevorderen van het welzijn van wilde dieren. Maar daar komt verandering in. Nieuwe organisaties zoals Wild Animal Initiative en Animal Ethics zijn volop actief in het oprichten van de kersverse wetenschappelijke onderzoeksdiscipline 'welzijnsbiologie', de studie naar het welzijn van dieren in de natuur. Zo krijgt het wildedierenleed iets meer de aandacht die het verdient.
Kwintessens
Auteur van de boeken 'Morele Illusies' (Houtekiet) en 'Beter Worden in Goed Doen, Vergroot je Impact met Effectief Altruïsme' (Lannoo)
_Stijn Bruers Moraalfilosoof
Meer van Stijn Bruers

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws