• |
Het Vrije Woord
Geschreven door Othman El Hammouchi
  • 772 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

10 juli 2020 De argumenten tegen de hoofddoek netjes weerlegd
Repliek
Auteur Othman El Hammouchi schreef een repliek op de blogtekst van Johan Braeckman 'Ex-moslima's: de blinde vlek in het hoofddoekendebat'. Omdat deze repliek geen publicatie is van het Humanistisch Verbond, publiceren we de tekst zoals we hem ontvangen hebben. Het antwoord van Johan Braeckman op de repliek leest u hier.
Op deze website leverde professor Johan Braeckman van de UGent onlangs een bijdrage over het hoofddoekendebat naar aanleiding van het recente protest dat ertegen werd gehouden in Brussel, waar ik aan heb deelgenomen. In een bepaalde vrijzinnige laïcistische traditie heeft hij zich sterk uitgesproken tegen het doel van dat protest. Sta me toe om hem van antwoord te dienen.
Ik wil aan het begin wel even van tevoren opmerken dat ik de Belgische (en Franse) discussie rond de hoofddoek helemaal niet als legitiem beschouw, evenmin als ik dat vind van debatten in Iran of Afghanistan over de verplichting van de hoofddoek. Het merendeel van de beschaafde wereld aanvaardt dat wat mensen dragen, in welke context dan ook, hun eigen zaak is en eventueel – wanneer ze minderjarig zijn – die van hun ouders. De staat heeft er helemaal niets mee van doen.
Wanneer ik probeer uit te leggen aan vrienden of journalisten uit de vrije Angelsaksische landen dat wij een bitter nationaal debat voeren over wat vrouwen op school, in het zwembad of bij overheidsjobs mogen dragen, dan vallen ze steevast van hun stoel. Het lijkt hen (terecht) primitief en achterlijk dat we nog in dat ontwikkelingsstadium zitten. Voor hen horen zulke discussies in de 19de eeuw. Ze zijn afgesloten en liggen achter ons.
Desalniettemin wil ik hieronder toch nog eens keurig alle argumenten van professor Braeckman weerleggen. Toen de Vietnamoorlog nog woedde, schreef de academicus en antioorlogsactivist Noam Chomsky dat hij debatteren over de Vietnamoorlog van dezelfde orde vond als debatteren over Auschwitz. Door zelfs nog maar de legitimiteit van het debat erover te aanvaarden, verliest men reeds zijn menselijkheid. Desalniettemin was Chomsky bereid om het debat erover aan te gaan, omdat de kans bestond dat de publieke opinie zo gewonnen kon worden en de oorlog beëindigd. Dat is ook mijn houding ten aanzien van de hoofddoekendiscussie.
Het dragen van religieuze kentekens door rechters (en bij uitbreiding andere overheidsbeamten die een zekere autoriteit bezitten) zou volgens professor Braeckman ertoe leiden dat de burger de indruk krijgt dat er niet onpartijdig over hem wordt geoordeeld. Wie dit argument tot zijn logische conclusie volgt, moet echter volhouden dat burgers eigenlijk geen enkel rechtstreeks contact dienen te hebben met rechters. Immers, als ik als lid van een etnische minderheid voor een blanke rechter uit de middenklasse sta, zal ik ook vermoeden dat hij bepaalde vooroordelen koestert. Hij komt uit een zeer specifieke leefwereld die wellicht immens verschilt van de mijne en is totaal onbekend met mijn ervaringen en omstandigheden. Hoe kan ik dan ooit zeker zijn dat hij volgens de eisen van de rechtvaardigheid zal oordelen?
De impliciete aanname van de verdedigers van rechterlijke 'neutraliteit' is dat de blanke man van middelbare leeftijd uit de hogere middenklasse de belichaming is van onpartijdigheid. Maar dat is natuurlijk niet meer dan een uitdrukking van hun eigen vooroordelen. Dus in plaats van af te gaan op een 'gevoel' van onpartijdigheid, houden we ons beter bezig met het ontwikkelen van een rechtssysteem dat zodanig gebalanceerd is en genoeg mogelijkheden tot controle en beroep heeft dat de resultaten onpartijdig zijn.
Over scholen zegt professor Braeckman dat religieuze kentekens leerlingen van elkaar differentiëren en dat dat gelijkheid niet in de hand werkt. Dat kan allemaal wel kloppen, maar het is hier de vraag niet. De vraag is of de staat het recht heeft om mensen te vertellen wat ze horen te dragen, om welke reden dan ook. Professor Braeckman wil dat leerlingen aangeven dat ze 'in staat zijn om elkaar tegemoet te treden zonder dat men zich a priori en uitdrukkelijk differentieert van de anderen'. Laten we even een analoog scenario verzinnen. Onderstel dat een moslimland vindt dat 'leerlingen in staat moeten zijn elkaar tegemoet te treden zonder dat er a priori sprake is van seksuele spanning' en op basis daarvan hoofddoeken en losse kleren verplicht op haar scholen. Dat zouden we (terecht) aanzien als een onverdragelijke tirannie.
'Waarom zou het fout zijn om te vermijden dat er groepsdifferentiatie optreedt door religieuze of 'identitaire' kledij?', vraagt professor Braeckman zich af. Ik stel een analoge vraag: 'waarom zou het fout zijn om te vermijden dat er seksuele spanning optreedt door "uitdagende" kledij?'. We zien meteen dat zulke redeneringen elke vorm van staatsbemoeienis kunnen rechtvaardigen. Het is fout omdat het niet de zaak van de staat is om zich te bemoeien met de private levens van mensen voor een of ander 'hoger doel'. De staat is er enkel om te vermijden dat burgers elkaar schaden en om enkele basisdiensten te organiseren. Dat die burgers zich al dan niet in staatsinstellingen bevinden, doet er helemaal niet toe. Vrijheid eindigt niet aan de schoolpoort.
Professor Braeckman snijdt dan de kwestie van sociale druk aan. Deze is al zo uitvoerig behandeld en weerlegd door moslims – ik heb er doorheen de jaren zelf talloze artikels over geschreven. Dat is de reden waarom velen het hoofddoekendebat als frustrerend ervaren: dezelfde vermoeide argumenten worden keer op keer opgerakeld, zonder dat er blijkbaar acht wordt geslagen op de reactie door moslims. Kan je dan verbaasd zijn dat moslims op den duur niet meer wensen deel te nemen aan het debat omdat ze vermoeden dat er achter de rationele façade een onderliggend vooroordeel schuilgaat?
Maar dus, om het nog maar eens te herhalen: sociale druk bestaat binnen alle gemeenschappen en voor talloze bezigheden. Daarom is het zo'n dooddoener. Seculiere ouders die hun kinderen dwingen om naar de muziekschool te gaan oefenen daarbij sociale druk en ouderlijke autoriteit uit. Ik zou hier natuurlijk een hele moraliserende tirade kunnen houden over hoe vreselijk oneerlijk dit is. Ik zou kunnen vragen aan professor Braeckman of hij ooit al gesproken heeft met kinderen die niet naar de muziekschool willen, maar er niet aan onderuit kunnen – ik herinner me de vreselijke huilbuien van mijn vriendjes destijds – en dat hij ze in de kou laat staan in hun emancipatiestrijd. Maar dat doe ik niet, omdat ik stellig geloof in het recht van ouders om hun kinderen op te voeden naar eer en geweten.
Wederom blijkt dus de tegenstanders van de hoofddoek niet zozeer een probleem hebben met dwang tegenover minderjarigen vanwege hun ouders – ze protesteren immers niet wanneer seculiere ouders hun hobby's onder dwang van sociale druk doorgeven aan hun kinderen. Bij hen heet dat opvoeding, bij moslims wordt het plots onderdrukking. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Je kan niet zeggen dat religie geen bijzondere plaats heeft binnen de seculiere maatschappij, om vervolgens religie altijd bijzonder te benadelen. Ik aanvaard dat mijn religie voor de wet niet meer is dan een excentrieke hobby. Als je me er dus van wil weerhouden mijn hobby aan mijn kinderen door te geven, dan moet je dat voor alle hobby's doen. Geen speciale behandeling.
Bij tieners en jongvolwassen vrouwen is de seculiere sociale druk nog veel erger. Een rapport van de Task Force on the Sexualization of Girls van de American Psychological Association onthult dat er in onze seculiere cultuur een immense sociale druk bestaat op meisjes en jonge vrouwen – vanwege Hollywood, sociale media, influencers, reclame – om een bepaald geseksualiseerd en geïdealiseerd lichaamsbeeld aan te nemen. Dit heeft zeer nefaste effecten op hun gezondheid en geestelijk welbevinden en kan leiden tot anorexia, boulimie en andere eetstoornissen.
De schoolomgeving en de manier waarop de vriendinnetjes zich kleden spelen daar een zeer belangrijke rol in. We hebben hier dus een argument voor een verbod op seksualiserende klederdracht op scholen, en wellicht zelfs voor een verplicht dragen van 'zedelijke' kledij. Een verbod op make-up, hoge hakken, korte rokken, strakke truitjes, spaghettibandjes en wat dies meer zij. Immers, zoals professor Braeckman zelf schrijft: 'Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c'est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit.' En zo zien we duidelijk hoe Belgisch étatisme leidt tot de meest onverdragelijke tirannie. Wie daar een voorstander van is, ontneemt zichzelf elk recht om Iran of Rusland aan te klagen.
Ik sluit af met een korte beschouwing over de ronduit schandalige manier waarop professor Braeckman islamofobie van de hand wijst, een vorm van haat waar moslims dagelijks het slachtoffer van zijn en die een reëel lijden voor ons veroorzaakt. Natuurlijk is niet elke kritiek op de islam islamofoob. Geen enkele moslim van goede wil zal beweren dat het islamofoob is om te zeggen dat God niet bestaat, de Koran een historisch document is of de evolutietheorie klopt.
Wel bestaat er een bepaalde manier om te spreken over religieuze minderheden die, zo blijkt uit de geschiedenis, leidt tot discriminatie en haat. Als men spreekt over de islam als 'onderontwikkeld' of 'achterlijk', dan reproduceert men een patroon dat in de 19de en 20ste eeuw werd gebruikt om het Jodendom te demoniseren, met alle gevolgen van dien. Ik citeer in dit verband Die Judenfrage van de progressieve hegeliaanse filosoof Bruno Bauer:
'The very same people who look on with pleasure when criticism is aimed at Christianity, or who consider such criticism necessary and desirable, are ready to condemn the man who subjects Judaism too to criticism. So Judaism is privileged (…) The advocates of emancipation are therefore in the strange position that they fight against privilege and at the same time grant to Judaism the privilege of unchangeability, immunity, and irresponsibility.'
Zulke retoriek is verantwoordelijk geweest voor geweld, tirannie en minachting jegens de Joodse gemeenschap in Europa. Het is een mythe dat het soort antisemitisme dat uitmondde in de Holocaust zuiver raciaal was. Religieus en cultureel antisemitisme was een van de sterkste steunpillaren van de Europese Jodenhaat. Het idee dat Joden op een of andere manier 'achtergesteld' waren, hetzij omdat ze Christus niet hadden aanvaard, hetzij omdat ze door hun 'oriëntaalse' aard niet in staat waren een hoger stadium van ontwikkeling te bereiken, was een van de drijvende krachten achter de gruwelen van de 20ste eeuw.
Laten we niet dezelfde fout herhalen.
Het Vrije Woord
Othman El Hammouchi is auteur
_Othman El Hammouchi -
Meer van Othman El Hammouchi

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws