Kwintessens
Geschreven door Karel D'huyvetters
  • 584 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

28 januari 2021 God en godsdienst
Gelovigen en atheïsten zijn het althans hierover oneens, dat er een God is. Als dat evenwel het enige zou zijn, zou dat een bijna verwaarloosbaar verschil zijn. Op zich is de godsvraag een filosofische discussie over de grond van het bestaan. In de atheïstische opvatting bestaat alleen het universum. In de gelovige opvatting is er 'iets' dat het universum overstijgt, en dat noemt men God. Wat men echter over die God zegt, komt in grote lijnen overeen met wat atheïsten zeggen over het universum. Voor de enen is het universum oorzaak van zichzelf, volgens de anderen is God de schepper van het universum. Veel meer dan een verschil in formulering is dat niet, meen ik. Spinoza noemt het universum onomwonden 'God'.
Het atheïsme stelt dat het universum niet chaotisch is, maar gekenmerkt wordt door wetmatigheden die altijd en overal noodzakelijkerwijs werkzaam zijn. Gelovigen zien daarin het werk van God. Ook dat lijkt me geen essentieel onderscheid. Er zijn maar weinig theologen die nog beweren dat God kan ingaan tegen de natuurwetten en dus mirakelen kan verrichten. De verhalen over mirakelen in het Oude en het Nieuwe Testament moet men volgens hen niet letterlijk nemen, maar naar hun symbolische betekenis voor de verkondiging. Die universele natuurwetten zijn volgens het atheïsme volstrekt neutraal. Ze hebben geen enkele bedoeling, zijn niet gericht op een resultaat, ze zijn niet teleologisch. Ze zijn gewoon wat ze zijn, de manier waarop materie reageert op materie. God daarentegen heeft met die natuurwetten wel degelijk een bedoeling gehad: ze zijn gericht op de totstandkoming van het universum en vooral van de mens. Bovendien openbaart God zijn bedoeling en zijn wil aan de mens. Dat gebeurt door de tussenkomst van profeten, mensen die vanuit een goddelijke inspiratie als het ware namens God spreken en schrijven; maar ook door het onderzoek van het universum, waaruit Gods bedoeling blijkt. Dat is nog altijd niet veel meer dan een verschil in bewoordingen. Ook de inzichten van wetenschappers over de natuurwetten kan men als profetisch bestempelen, terwijl de verkondigingen van de profeten niet zelden algemeen aanvaarde filosofische waarheden zijn.
Wanneer men de 'neutrale' natuurwetten stelt tegenover de 'gerichte' goddelijke wetten, vergeet men vaak dat beide tot hetzelfde resultaat leiden, namelijk het universum zoals het is. Sommige atheïsten zeggen dat het universum louter het resultaat is van het toeval; gelovigen voeren dat graag aan als een verwijt tegen het atheïsme. Dat is echter niet wat de wetenschap voorhoudt. Er is evident een evolutie in het universum sinds de Big Bang en tot op de dag van vandaag, en vanzelfsprekend gaat die evolutie door. En hoewel de natuurwetten zeker neutraal zijn en het toeval een grote rol speelt, zijn er onloochenbaar ook specifieke wetmatigheden te onderkennen in die evolutie. Een daarvan is dat de gebeurtenissen zich voordoen in een complexe relatie van oorzaak en gevolg, en in een onomkeerbare reeks. Darwin heeft vastgesteld dat in het leven op aarde bepaalde mechanismen spelen die bepalend zijn voor dat leven. Dat is vooreerst de struggle for life, het feit dat alle levende wezens met elkaar in concurrentie zijn om de al dan niet schaarse middelen om te overleven. In die strijd zijn het de wezens die het meest aangepast zijn aan hun omgeving die de grootste kans maken op overleven: de survival of the fittest. Er zijn belangrijke verschillen tussen de individuen, en die ontstaan door de voortplanting, waarbij de genen van twee 'ouders' vermengd worden op een unieke manier, en door mutaties die gunstig of ongunstig kunnen zijn; bovendien kunnen die mutaties erfelijk zijn, wat het resultaat blijvend maakt en cumulerend versterkt. Er is dus een natuurlijke selectie, en die resulteert in een perfectionering: in de strijd om het leven overleeft de meest geschikte door de natuurlijke selectie. Daarbij speelt nog een andere biologische wetmatigheid een essentiële rol: elk levend wezen zet zich zoveel als mogelijk in voor het zelfbehoud. Dat is een natuurwet omdat die universeel geldig is, maar men kan dat, evenmin als die andere biologische wetten nog strikt neutrale natuurwetten noemen, omdat ze wel degelijk resulteren in grotere complexiteit, in hogere resultaten. De mens is daarvan een uitstekend voorbeeld. Als soort is die niet louter toevallig ontstaan als een van de ontelbare mogelijkheden van de materie, maar wel als het resultaat van de vermelde onweerlegbare biologische wetmatigheden. Ook hier kunnen we zeggen dat het verschil tussen bijvoorbeeld creationisten en atheïstische wetenschappers weliswaar zeer aanzienlijk is, maar niet noodzakelijk fundamenteel.
Dat is wat me intrigeert. De mens heeft altijd al geprobeerd om de werkelijkheid te begrijpen en dat ook uit te drukken, vooral in taal. Door de eeuwen heen heeft dat geleid tot zeer uiteenlopende interpretaties van nochtans dezelfde werkelijkheid. De wetenschap is een van die interpretaties, maar er zijn vele andere geweest en die zijn er nog altijd, en zelfs binnen de wetenschap is dat zo, en daarnaast is er ook het vooruitschrijdend inzicht. Het is mogelijk om bij de interpretatie van de werkelijkheid van mening te verschillen of daaraan op verschillende manieren vorm te geven. Een profetische tekst uit het Oude Testament heeft niet de bedoeling een wetenschappelijke verklaring te geven van een fysisch verschijnsel, maar probeert de ervaring van dat verschijnsel wel op een of andere manier begrijpelijk te maken, bijvoorbeeld als een mirakel.
Men kan dan al die verschillen gaan aanwijzen en ze vanuit elk van de ingenomen exclusieve standpunten verdedigen of aanvallen. Het lijkt me echter ook mogelijk en wenselijker om vanuit het besef dat het steeds gaat om de menselijke interpretatie van dezelfde werkelijkheid, vooral het primitieve feit van de oorspronkelijke ervaring te belichten. Men kan dan vervolgens nagaan waarom dat in elk geval tot een bepaalde formulering heeft geleid, die dan in haar eigen context moet worden begrepen. Als die verwoording literair is, moet men die op een andere manier lezen dan wanneer ze streng wetenschappelijk is. Maar het betekent niet dat die literaire, of mythische, of theologische voorstelling van zaken absoluut zinloos is, zelfs als ze niet strookt met de waarheid van de wetenschap. Niet-wetenschappelijke teksten hebben niet de bedoeling wetenschappelijke waarheden naar voren te brengen. Toch hebben ze voor alle mensen zin, dat betwijfelt wel niemand. Zolang men de genres niet verwart, is er in feite niets aan de hand, maar daarop moet men wel nauwkeurig toezien, natuurlijk.
Als dat zo is, waarom zijn atheïsten en gelovigen dan toch zulke rabiate vijanden? Als het niet om de fundamentele kwesties gaat, zoals hierboven beschreven, moet het wel om iets anders gaan.
Het is daarbij van groot belang een onderscheid te maken tussen het godsidee in een filosofische, wetenschappelijke, literaire of theologische context, en de godsdienst als een maatschappelijk verschijnsel. Godsdiensten zijn organisaties van mensen die gericht zijn op de ordening van de samenleving volgens bepaalde principes, waarvan de leiders beweren dat ze afkomstig zijn van een opperwezen, geopenbaard door bemiddeling van profeten, en die geïnterpreteerd worden door de kerkelijke hiërarchie, de plaatsvervangers van God op aarde. In feite is die bovennatuurlijke openbaring niet reëel, aangezien men dat nooit kan bewijzen en alles erop wijst dat het louter gaat om inzichten van mensen. Belangrijk is echter niet de inkleding van die inzichten in een mythisch verhaal, maar de absolute waarheid die men toekent aan deze geopenbaarde waarheden, louter op grond van gezagsargumenten. In de wetenschap baseert men zich op onderzoek en overleg om tot altijd voorlopige waarheden te komen, zelfs in het formuleren van de natuurwetten. In de godsdienst beroept men zich louter op geschriften en tradities en de hiërarchische interpretatie daarvan, om onbetwistbare waarheden vast te leggen.
Het komt er dan op aan wat die waarheden zijn. Indien een godsdienst tot dezelfde of compatibele inzichten komt als de wetenschap, is er niets aan de hand. De waarheid kan inderdaad op verschillende manieren aan het licht komen, zowel door een profetische ingeving van een prediker als Salomo of Jezus of Mohammed, als door een even profetisch inzicht van een wetenschapper, zoals bijvoorbeeld Darwin en Einstein, om slechts die te noemen. We moeten echter vaststellen dat de 'waarheden', dat wil zeggen de openbaringsgegevens, de dogma's en de voorschriften van de godsdiensten nauwelijks iets met de wetenschap te maken hebben, maar desondanks toch als absolute waarheden voorgesteld en opgelegd worden.
Het maakt in feite weinig uit of men Jezus Christus ziet als een bedreiging voor de godsdienst (in het judaïsme), als de Zoon van God (in het christendom), als een profeet (in de islam), of als een fictief personage in een mythisch verhaal (in het atheïsme); dat zijn formuleringen, al heeft men ook daarover afschuwelijke oorlogen gevoerd en talloze individuen vermoord. Veel belangrijker is de houding die godsdiensten aannemen tegenover wat wij vandaag de universele mensenrechten noemen. Wanneer men bijvoorbeeld meent dat men andersdenkenden mag vervolgen en uitroeien, is dat een duidelijke en onaanvaardbare overtreding van deze mensenrechten. Evenzo wanneer men vrouwen (of mannen, desgevallend, of homoseksuelen) als minderwaardige wezens bestempelt en behandelt. Maar ook wanneer men religieuze verplichtingen met agressieve indoctrinatie verspreidt en met fysiek en mentaal geweld oplegt. Even onaanvaardbaar is het wanneer een godsdienst zich boven de burgerlijke wetten verheven acht, zich aan die wetgeving onttrekt en alternatieve wetten voorschrijft en oplegt.
Ik ben ervan overtuigd dat tussen mensen met uiteenlopende opvattingen zoals atheïsten en gelovigen interessante gesprekken mogelijk zijn, ook zonder dat men elkaar overtuigt van het eigen gelijk of van het ongelijk van de andere. Dat gesprek is al zo lang aan de gang als er mensen zijn. Waar het echter fout gaat, is waar georganiseerde godsdiensten zich onverzettelijk opstellen tegenover wie zij als ongelovigen of ketters beschouwen, en waar zij zoveel mogelijk mensen willen verplichten om enkel de eigen dogma's aan te kleven en enkel de eigen voorschriften na te leven, niet omdat dat iedereen het best lijkt voor de samenleving, maar omdat God het wil. Dat is zeker zo wanneer die voorschriften louter ritueel en symbolisch zijn, geen enkele reële meerwaarde meebrengen voor wie ze naleeft, en absoluut wanneer ze strijdig zijn met de universele mensenrechten of de geldende burgerlijke wetgeving.
Ik pleit dus vurig voor een dergelijk gesprek onder welmenende mensen, zonder al te veel vooringenomenheid, en met een zeer grote bereidheid om zelfs zeer verschillende formuleringen van dezelfde waarheden te aanvaarden, doch steeds vanuit een fundamenteel respect voor de universele mensenrechten zoals wij die gezamenlijk voorlopig vastleggen en voortdurend evalueren.
Op een dergelijk gesprek met of onder de godsdiensten moeten we evenwel helaas niet al te zeer rekenen. Het komt me voor dat humanisten daarentegen een grotere bereidheid en openheid zouden moeten kunnen opbrengen.
Kwintessens
Karel D’huyvetters (°1946) legt zich toe op de geschiedenis van het atheïsme en het antiklerikalisme. Van hem verschenen Nederlandse vertalingen van de belangrijkste werken van Spinoza, met uitvoerige commentaren. Hij onderhoudt een website over Spinoza en een persoonlijke website.
_Karel D'huyvetters -
Meer van Karel D'huyvetters

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws