Kwintessens
Geschreven door Kristiaan Versluys
  • 1527 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

17 maart 2021 Ik word zeventig dit jaar (deel 1)
Binnen een paar maanden ben ik er zeventig. Op zichzelf geen wereldschokkend nieuws. Het overkomt iedereen die het geluk heeft lang genoeg te leven. Wat wel bijzonder is: in de hele 200 000 jaar van het menselijk bestaan is er geen enkel andere tijdspanne van zeventig jaar aan te wijzen waarin er zoveel is veranderd en zoveel met verbazende snelheid ten gunste is gekeerd. Akkoord, zo'n uitspraak valt moeilijk te bewijzen. Er zijn nog perioden van hoogbloei geweest. En er blijven – ondanks de vooruitgang – huizenhoge problemen die dringend om een oplossing vragen: grote sociale en economische ongelijkheid, een uiterst riskante ecologische belasting van de planeet. Op teveel plaatsen knetteren de wapens. Er zijn nieuwe vormen van uitsluiting en zelfs slavernij. En toch: deze boomer vindt zichzelf een zondagskind, een bofkont, een regelrechte mazzelaar. Als ik door god weet welke dispensatie de keuze zou krijgen om zelf te bepalen waar en wanneer ik geboren wil worden, zou ik – met wat ik nu weet over het reilen en zeilen in de wereld – zonder aarzelen antwoorden: Vlaanderen, zeker weten, en, nu ik toch mag kiezen, geef me maar 1951 als geboortejaar.
We leven eerst en vooral in een nooit gekende en wijdverspreide welvaart. Het is ooit anders geweest. Als ik in de tijd terugreis naar mijn kinderjaren en op de manier van 18de-eeuwse Parijse "physiologues" een lijst maak van de beroepstypes die in het provinciestadje waar ik opgegroeide te vinden waren, dan kom ik terecht bij restverschijnselen van schaarste en armoede, kort na een oorlog die veel had verwoest. Jan de mosselman van het liedje, bijvoorbeeld, die bestond nog echt in de late jaren vijftig. Hij trok in het mosselseizoen (de maanden met een "r" in de naam) geregeld met zijn tweewielige paardenkar, toeterend op een hoorn, door de straten. Naast de mosselman was er ook de verschijning, recht uit de negentiende eeuw, van de mosterdman. Die torste een zware houten ton op de rug, met daaraan bevestigd een ijzeren pompmechanisme, waaruit hij tegen betaling van luttele franken het kruidige goedje tapte. Er werd dus nog gevent langs de straat in die tijd: soep, ijs (dat is gebleven), ook paling. De palingkar, getrokken door een vale, schriele schimmel, kwam langs op vrijdag, de dag dat er in alle huishoudens vis werd geserveerd. Vlees was op vrijdag immers door de Kerk verboden. De palingboer onthoofde en vilde de levende dieren waar je bijstond. Lang nadien bleven ze nog kronkelen in de emmers waarin ze door de huisvrouwen werden meegenomen.
Als ik het zo beschrijf, klinkt dit misschien knus en pittoresk. Maar in feite zijn het bewijzen van armoede, vignettes van een overlevingseconomie zonder marges, voorbeelden van mensen die leefden van dag tot dag, zonder veel geldelijke reserves. Dat gold zowel voor de leurders als hun klanten. De enen hadden geen kapitaal om op grote schaal koopwaar aan te schaffen, de anderen geen discretionair inkomen groot genoeg om voorraden in te slaan. Supermarkten kwamen pas later, toen koelkasten gemeengoed werden en mensen genoeg geld verdienden om voedsel te kopen voor een hele week.
Ik heb in mijn jongste jaren arm Vlaanderen gezien en voor mijn ogen – met een ongelofelijke wervelvaart – werd het welvarend. Waar in dat zelfde provinciestadje nu een sociale wijk staat, aangelegd in de jaren zestig en zeventig volgens verlichte stedenbouwkundige principes, was voordien een doolhof van beluiken en miezerige, bouwvallige huisjes. Want ook een provinciestad had een door de burgerij geschuwd kwartier voor het lompenproletariaat, dat voor een deel leefde van de 'openbare onderstand'. Het enige vertier dat dit krap bemeten bestaan toestond, vond plaats in tientallen kleine cafeetjes, waar goedkope plaatselijk gebrouwen export werd geschonken en brallend werd gezongen door jong en oud, man en vrouw:
En we zijn er van de klas 
En we drinken bier met emmerkes
Terwijl die arme schachten aan 't patatten jassen zijn
Vergeten wij den troep en zijn droevige dagen
En roepen allen gelijk
Smeerlappen ge zijt ons kwijt!
Lezer van dit verhaal, heb geen nostalgie naar deze tijden. Want ze waren benepen en niet alleen door de aanwezigheid van alcoholisme en de afwezigheid of althans de slechte spreiding van materiële welstand. Er is in de loop van mijn zeventig jaar nog ook iets anders gebeurd – een ommekeer van wereldhistorisch belang – zo enorm en zo snel dat het nog meer verwondering wekt dan het verdwijnen van het miserabilisme. Ik bedoel, in de jaren vijftig, begin van de jaren zestig was Vlaanderen, behalve arm, ook katholiek, zeer katholiek. Wie het niet heeft meegemaakt, kan het zich nog moeilijk voorstellen. Van hoog tot laag, was la Flandre profonde doordesemd van de katholieke moraal. In de grotere steden bloeide de vrijzinnigheid, gevoed zowel door het socialisme als het liberalisme, en werd strijd geleverd tegen de kerkelijke overmacht. Maar op het platteland en de kleinere steden was het dagelijkse leven gedrenkt in een dikke roomse saus. Tingel, tingel, tingel: dat was het belletje van de misdienaar. In vol ornaat loopt hij voor de priester uit, die getooid in albe en stola, op weg is naar een 'berechting'. Deemoedig vielen we langs de straatkant op onze knieën, want de Here zelf kwam langs in de vorm van de gewijde hostie die de onderpastoor, samen met het heilig oliesel, meedroeg naar een stervende parochiaan.
Mijn moeder was een devote volksvrouw. Ook een harde werker, die wist dat enkel noeste arbeid er kon voor zorgen dat er genoeg middelen waren om de kinderen (mijn zus en ik) de scholing te geven waaraan het haar had ontbroken. Maar hoe druk ze het ook had, ze maakte tijd om 's morgens in alle vroegte negen dinsdagen na elkaar naar de mis te gaan in de kerk van de minderbroeders en het erbarmen van Sint-Antonius van Padua over ons gezin af te smeken. In de meimaand stuurde ze mij, als representant van de familie, naar het lof. Daar werd Maria aanbeden in een eindeloze litanie waarvan ik als tienjarige, midden de weeë geur van wierook en kaarsen, alleen het bedwelmend terugkerend refrein kon vatten: bid voor ons. 
Heilige Maria, bid voor ons.
Heilige Moeder van God, bid voor ons.
Heilige Maagd der maagden, bid voor ons.
… 
Zeer kuise Moeder, bid voor ons.
Maagdelijke Moeder, bid voor ons.
Onbevlekte Moeder, bid voor ons.
Beminnelijke Moeder, bid voor ons.
Bewonderenswaardige Moeder, bid voor ons.
Moeder van goede raad, bid voor ons.
Moeder van de Schepper, bid voor ons.
Moeder van de Zaligmaker, bid voor ons.
Allervoorzichtigste Maagd, bid voor ons.
En zo galmde dit voort, nog vele verzen lang.
Ik was zangertje in het knapenkoor van de parochiekerk. De koordirigent – en dit is geen oprisping van antiklerikale rancune of een retorische overdrijving, het is echt gebeurd – is in de gevangenis beland. Hij had de verwijzing naar 'knapen' iets te letterlijk begrepen.
En dan ineens was het weg. Als jonge gasten (zestien, zeventien jaar oud) hadden we schoon genoeg van de liturgie in al haar gedaanten en we trokken op zondag niet naar de kerk, maar naar het café naast de kerk. Onze ouders mochten het niet weten. Toen het hen toch ter ore kwam, leken ze minder verrast en waren ze minder boos dan verwacht. Ze hadden het blijkbaar zien aankomen. Want de klad zat er in, al een hele tijd. Religie was voor een meerderheid van de kerkgangers louter formalistisch geworden, een sociaal ritueel met weinig inhoud. Vrouwen gingen naar de zondagsmis om hun pas verworven accessoires te showen of te pronken met nieuwe kleren. Voor mannen was de kerk de noodzakelijke toegeving aan het goed fatsoen, het voorspel tot de echte beleving van de zondag: kaarten of biljarten bij een sigaar en een fris glas bier. Mijn vrouw is van het platteland en zij vertelt hoe in haar dorp de mannen zelfs de tijd niet namen om neer te knielen op de harde kerkstoelen. Ze verschenen pas in de kerk toen de celebrant de kansel beklom voor de preek en troepten samen achteraan in het portiek, rechtstaand, de hoed in hun handen. Ze bleven voor homilie, offerande en consecratie – de minimale vereisten om de zondagsplicht te vervullen – en weg waren ze, zoals wij, naar het café.
Mijn vader is heel zijn leven en zolang hij nog goed te been was naar de zondagsmis geweest als prelude voor het wekelijks cafébezoek. Maar hij deed het louter uit sociale gewoonte. Dat heb ik pas ten volle beseft toen hij, hoogbejaard en met de dood om de hoek, in het woonzorgcentrum geen enkele interesse toonde voor het verhaal van de aalmoezenier. Hij onderhield zich liever met de lekenconsulent. Die kende tenminste iets van voetbal.
De religie is uit Vlaanderen verdwenen op een diefje. Plots was het weg. Het leek wel een collectief wilsbesluit: het is voorbij. Duizend jaar transalpijnse overheersing, verantwoordelijk voor de meest sublieme kunstuitingen en architectuur, medeplichtig aan vervolgingen, oorlogen en geweld, voor een groot deel de bron van hoe wij als volk denken en ons gedragen. Ineens werd het allemaal irrelevant. Sociologen en historici hebben hiervoor ongetwijfeld een verklaring (grotere welstand, universele leerplicht, verwezenlijkingen van de wetenschap, sociale zekerheid in plaats van liefdadigheid). Verlichte theologen wijzen op de potdoofheid van een wereldvreemde Kerk, die hopeloos achterop liep bij de tijdsgeest, vooral in kwesties van ethiek en seksualiteit. Wat ook de reden mag geweest zijn, in een paar jaar tijd verdween religie als allesbepalende factor na een millennium van nauwelijks betwiste almacht. Wat we beleefden, voelde aan als het geruisloos verkruimelen van een zichzelf overlevend regime. Het christendom dat hier en daar nog is overgebleven in onze contreien is ofwel de routine van oude mensen, ofwel is het een uitgepuurde, authentieke beleving uit overtuiging, niet langer uit sociale dwang.
Daarbij twee kanttekeningen: terwijl de ontkerstening iedere zondag blijkt uit halflege kerken en zelfs hoogdagen als Kerstmis of Pasen nog nauwelijks godsdienstig worden beleefd, zijn delen van het katholieke apparaat (mutualiteit, onderwijs, vakbond) vrij intact gebleven. Hoe dat komt, houdt verband met de manier waarop het volk zich heeft ontvoogd. Hoewel de leegloop van de Kerk snel verliep, was voor de meesten het proces vrij pijnloos. Er is geen revolutie geweest, geen bitsige strijd, geen abrupte breuk met het verleden. Bijgevolg, met de belangrijke uitzondering van de slachtoffers van seksueel misbruik, zijn weinig geseculariseerde ex-katholieken getekend door zware trauma's of frustraties. En zo komt het dat het katholicisme verdween als existentiële bestaansvorm zonder fanfare of gedruis, terwijl een aantal katholieke instituties zich toch staande wisten te houden, niet langer als uitdrukkingen van een religieuze opvatting maar eerder als de profane erven van het vergane geloof. Datzelfde proces van pijnloos verglijden verklaart waarom rond de eeuwwisseling het verzet van de kerkelijke hiërarchie tegen de grote progressieve ethische thema's (abortus, euthanasie, homorechten) op weinig bijval kon rekenen en, zelfs in het ooit zo roomsgetrouwe kleinburgerlijk Vlaanderen, de meerderheid van de bevolking zich aansloot bij de standpunten waarvoor de georganiseerde vrijzinnigheid hard en lang had gestreden.
Kwintessens
Kristiaan Versluys is emeritus prof. Amerikaanse literatuur en cultuur aan de UGent. Hij heeft een doctoraat van de Harvard Universiteit en was geregeld gastprofessor aan Columbia University in New York. Hij is de auteur van o.a. 'Out of the Blue. September 11 and the Novel'.
_Kristiaan Versluys -
Meer van Kristiaan Versluys

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws