Kwintessens
Geschreven door Jurgen Slembrouck
  • 1220 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

14 juni 2021 Liberale rechtsstaat wordt vandaag ernstig bedreigd
De recente discussie over het al dan niet kunnen dragen van een hoofddoek in publieke (overheids)functies grossiert (zoals dat al jaren het geval is) in onzuivere argumentatie en ideologische vooroordelen. In twee extra opiniestukken probeert Jurgen Slembrouck eens te meer de puntjes op de i te zetten: er bestaat niet zoiets als een 'hoofddoekenverbod' (zoals hier al tot in den treure duidelijk werd gemaakt) en de problematiek moet worden bekeken in het licht van de principes van de liberale rechtsstaat en het vrijwaren van een correcte en neutrale dienstverlening aan iedere burger.
_Vanwaar die verkramping over de laïcité?
De voorbije weken laaide het debat over de neutraliteit van de overheid weer in alle hevigheid op. Opnieuw werd het debat toegespitst op het mogen dragen van de hoofddoek. Ten dele is dat begrijpelijk. De voorbije jaren waren vooral moslima's vragende partij om als ambtenaar tewerkgesteld te worden en daarbij levensbeschouwelijk herkenbaar te zijn. Wie hun vraag op een overtuigende manier wenst te beantwoorden, mag niet in de verleiding komen om van het neutraliteitsdebat een islamdebat te maken. Wat de aard van de islam is, welke tolerantie jegens de islam gepast is, of de hoofddoek onder dwang dan wel vrijwillig wordt gedragen … het zijn allemaal interessante vragen, maar in wezen hebben ze slechts een marginaal belang voor de discussie over neutraliteit.
De neutraliteit van de overheid viseert alle tekens die de vrijheid van de burger kunnen schaden of die twijfels kunnen doen rijzen over de objectiviteit van de dienstverlening. We bewijzen de man die jarenlang werd misbruikt door een priester geen dienst als hij hulp moet zoeken bij een politieagent die een houten kruis draagt. Wanneer een ambtenaar een tijdelijke slachtvloer sluit, doet hij dat dan omdat de voedselveiligheid niet gewaarborgd wordt of omdat hij een GAIA T-shirt draagt? We belemmeren een meisje, dat twijfelt aan haar geloof en in de openbare bibliotheek het boek Why I am not a Muslim wil ontlenen in haar vrijheid wanneer ze hulp moet vragen aan een bibliotheekbediende die een djellaba en een pots draagt. Wanneer de tramchauffeur van de MIVB, herkenbaar als orthodoxe jood, een passagier berispt, doet hij dat dan omdat die zijn voeten laat rusten op de bank of omdat hij een arafatsjaal draagt?
In essentie gaat het debat niet over de hoofddoek of de islam, noch over om het even welke andere levensbeschouwing in het bijzonder. Het arsenaal aan tegenstrijdige levensbeschouwelijke opvattingen is veel ruimer dan alleen maar diegene die met de islam te maken hebben. Waar het wel om gaat, is de vraag hoe we harmonieus in diversiteit kunnen samenleven wanneer iedereen vrij en gelijk is.
Sommigen, zoals Els Flour en Ida Dequeecker, menen dat het Franse model van de laïcité daarvoor niet de beste troeven heeft. Dat model verbiedt ambtenaren om levensbeschouwelijke tekens te dragen. Ondanks dat verbod is de levensbeschouwelijke diversiteit er niet kleiner, noch minder dynamisch dan elders in Europa. Flour en Dequeecker verkiezen het Angelsaksische multiculturalistische model waar het dragen van die tekens (meestal) wel is toegestaan en menen dat dat model ook bij ons navolging verdient. Zij verliezen daarbij uit het oog dat ook het Verenigd Koninkrijk te kampen heeft met soms extreem gewelddadige levensbeschouwelijke spanningen en dat het samenleven in diversiteit ook daar onder druk staat. Mensen hokken er samen in levensbeschouwelijke getto's waar Gods gebod primeert op the rule of law. Menen ze oprecht dat het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen, waar ze zo hoog mee oplopen, daar beter kan worden uitgeoefend?
(Tekst oorspronkelijk gepubliceerd in De Morgen, 11 juni 2021; overgenomen met toestemming van de auteur.)
_Neutraliteit van de overheid? Liberale rechtsstaat wordt vandaag ernstig bedreigd
'De liberale rechtsstaat wordt vandaag ernstig bedreigd door mensen met goede bedoelingen maar slechte argumenten', schrijft Jurgen Slembrouck (UAntwerpen). 'Door hun eenzijdige focus op de hoofddoek en hun bereidheid om de neutraliteit te instrumentaliseren, dragen ze bij aan wat ze willen bestrijden.'
In hun opiniestuk De neutraliteit van de overheid wordt vandaag ernstig bedreigd formuleren een aantal middenveldorganisaties zwaarwegende bedenkingen bij de manier waarop de neutraliteit vandaag wordt ingevuld. Een sterke invulling, waarbij het ambtenaren verboden is om levensbeschouwelijk herkenbaar te zijn, zou stereotypen en vooroordelen jegens moslima's bekrachtigen en op die manier bijdragen aan een klimaat van wantrouwen, angst en haat. Om die reden hopen ze dat overheden de recente veroordeling van de MIVB zullen aangrijpen om een inclusief neutraliteitsbeleid te voeren.
Op het eerste gezicht lijkt een dergelijk beleid inderdaad een goede manier om tegemoet te komen aan de rechten van sommige minderheidsgroepen. De goede bedoelingen waardoor deze middenveldorganisaties worden gedreven, staan dan ook niet ter discussie. Maar helaas zijn goede bedoelingen niet hetzelfde als goede argumenten. De zwakte van hun pleidooi spruit voort uit hun eenzijdige focus op de hoofddoek en hun bereidheid om de neutraliteit te instrumentaliseren. Wie wat langer stilstaat bij hun argumenten en ze consequent doordenkt, beseft dat een dergelijk beleid de maatschappelijke polarisatie alleen maar zal voeden en het maatschappelijke draagvlak voor de diversiteit zal ondermijnen. Wie de neutraliteit van de overheid instrumentaliseert voor de erkenning van gesluierde moslima's, hypothekeert dus eigenlijk de liberale rechtsstaat zelf.
Verschillende internationale verdragen garanderen dat burgers in een liberale rechtsstaat hun diepste overtuigingen tot uitdrukking kunnen brengen. Wie gelooft dat Allah bestaat en de woorden van de profeet Mohammed navolging verdienen en dus dat het tot voorbeeld strekt om een hoofddoek te dragen, heeft de vrijheid om dat te doen. Hetzelfde geldt uiteraard voor al diegenen die er een andere mening op na houden. Zo zijn er ook mensen die menen dat Allah een verzinsel is en dat de profeet Mohammed een ordinaire krijgsheer was en dat de seksuele moraal die de hoofddoek symboliseert een aanfluiting is van de waardigheid van zowel vrouwen als mannen. Ook die burgers hebben het recht om hun diepste overtuiging tot uitdrukking te brengen. Sommigen zijn zelfs bereid daarvoor een hoge prijs te betalen. Toen Stéphane Charbonnier, hoofdredacteur van Charlie Hebdo, door moslimextremisten werd bedreigd omwille van het publiceren van Mohammedcartoons, liet hij het volgende optekenen: 'Je préfère mourir debout que vivre à genoux'.
Gelet op deze volstrekt tegenstrijdige opvattingen en de hardnekkigheid waarmee ze worden verdedigd, stelt zich natuurlijk de vraag hoe het mogelijk is dat deze mensen binnen hetzelfde politieke verband kunnen samenleven. De geschiedenis leert alvast dat dit niet evident is. Zelfs de kleinste ideologische verschillen kunnen al een bron zijn van conflict. In de Arabische wereld staan soennieten en sjiieten elkaar naar het leven. In Europa waren het katholieken en protestanten die elkaar uitmoorden.
Het ontstaan van de liberale rechtsstaat en zijn pacifistische ideaal moet tegen die achtergrond begrepen worden. De liberale rechtsstaat probeert het samenleven mogelijk te maken door verschillende maatschappelijke sferen af te bakenen waarbinnen de reikwijdte van de vrijheid varieert. Wie een boerka wenst te dragen of wie liever in zijn blootje loopt, heeft daartoe de vrijheid binnen de beslotenheid van de privésfeer. In de publieke sfeer, de straten en pleinen die we met elkaar delen, wordt de vrijheid van de ene beperkt door de vrijheid van de andere. Daar gelden normen en regels die via democratische besluitvorming werden afgesproken. Het dragen van een boerka of naaktlopen worden er niet getolereerd. Dat neemt niet weg dat zolang men anderen niet schaadt of men geen dwang uitoefent, men volop gebruik kan maken van de grondwettelijk verankerde vrijheden. Er geldt bijvoorbeeld geen verbod op het dragen van hoofddoeken of het publiceren van Mohammedcartoons. Van burgers wordt verwacht dat ze elkaars opvattingen tolereren.
Om die grote mate van vrijheid te beschermen en het samenleven mogelijk te maken, wordt in een liberale rechtsstaat de macht van de overheid aan banden gelegd. Uit het verleden hebben we immers geleerd dat de overheidsmacht ook misbruikt kan worden om een bepaalde visie op het goede leven op te leggen. Precies daarom mag een ambtenaar geen hoofddoek dragen, maar ook geen T-shirt met een Mohammedcartoon. Helaas willen de middenveldorganisaties de les van de geschiedenis moedwillig in de wind slaan. Zij willen de neutraliteit van de overheid instrumentaliseren om 'respect en tolerantie voor grondwettelijke vrijheden en minderheidsgroepen bij te brengen, maar ook af te dwingen van haar eigen burgers'.
Begrijpen ze dan niet dat andere minderheidsgroepen met datzelfde argument het recht zullen inroepen om ook voor hun visie respect af te dwingen? Blijkbaar stelt dit geen enkel probleem, want volgens de middenveldorganisaties is het enkel de kwaliteit van de dienstverlening die telt. Zij zien dus geen graten in een ambtenaar die een T-shirt draagt met daarop 'Sinds 1302. Schild en Vrienden'? Of een regenboog-T-shirt, of een T-shirt met een Mohammedcartoon? Denken ze werkelijk dat ze daarmee het samenleven een dienst bewijzen? Of geldt hun logica enkel voor die minderheidsgroepen waarvoor ze sympathie hebben en blijven ze zelf niet gespeend van vooroordelen?
Begrijpen ze dan niet dat dergelijke tekens de vrijheid van burgers die van de overheid afhankelijk zijn in hun vrijheid kunnen beperken of dat ze twijfel kunnen doen rijzen over de objectiviteit van de dienstverlening? We bewijzen de man die jarenlang werd misbruikt door een priester toch geen dienst als hij hulp moet zoeken bij een politieagent die een houten kruis om zijn nek draagt? Wanneer de tramchauffeur van de MIVB, herkenbaar als orthodoxe jood, een passagier berispt, doet hij dat dan omdat die zijn voeten laat rusten op de bank of omdat hij een arafatsjaal draagt?
Indien de overheid haar burgers onpartijdig wil bejegenen, moet zij sollicitanten selecteren op basis van hun bereidheid om tijdens het werk hun levensbeschouwelijke overtuiging niet te uiten. Dat is precies ook wat de MIVB heeft gedaan. Sollicitanten die daartoe niet bereid zijn, hebben niet de nodige kwalificaties om de rol van ambtenaar te spelen. Indien de MIVB beroep aantekent tegen haar veroordeling, acht ik de kans groot dat ze in het gelijk wordt gesteld. Misschien is het goed om artikel 8 van het statuut van de Rijksambtenaar in herinnering te brengen: 'Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen'.
De middenveldorganisaties denken daar echter anders over: 'Mensen zijn één en ondeelbaar met al hun verschillende kenmerken: geslacht, leeftijd, handicap, seksuele geaardheid, genderexpressie ... Een vrouw die omwille van haar religieuze overtuiging een hoofddoek draagt, kan en mag je niet dwingen om die af te zetten'. Ze vergelijken dus lichamelijke en biologische kenmerken met levensbeschouwelijke kenmerken. Die valse vergelijking loopt uiteraard mank. Voor de eerste soort kenmerken kan je niet kiezen, voor de laatste duidelijk wel.
De logica van de middenveldorganisaties is niet alleen wat dit aspect betreft gebrekkig. Indien mensen volledig (één en ondeelbaar) samenvallen met hun levensbeschouwelijke overtuiging, en je ze niet mag dwingen om hun hoofddoek af te zetten, mag je hen dan wel dwingen om diensten te verlenen die tegen hun levensbeschouwelijke overtuiging ingaan? Mag je een ambtenaar die een hoofddoek draagt bijvoorbeeld vragen om een rol te spelen in het voltrekken van een homohuwelijk? Schend je dan niet haar levensbeschouwelijke integriteit? Als je een model van inclusieve neutraliteit consequent doordenkt, kom je vanzelf uit bij de weigerambtenaar.
Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van de middenveldorganisaties, maar door hun eenzijdige focus op de hoofddoek en hun bereidheid om de neutraliteit te instrumentaliseren, dragen ze bij aan wat ze willen bestrijden. Ze voeden met hun voorstellen de polarisatie en maken zo het harmonieuze samenleven onmogelijk. Politici die dat willen voorkomen, moeten een model van inclusieve overheidsneutraliteit verwerpen als basis voor de liberale rechtsstaat.
(Tekst oorspronkelijk gepubliceerd op Knack.be, 11 juni 2021; overgenomen met toestemming van de auteur.)
Kwintessens
Jurgen Slembrouck is verbonden aan de Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen.
_Jurgen Slembrouck -
Meer van Jurgen Slembrouck

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws