Kwintessens
Geschreven door Yves T'Sjoen
  • 361 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

18 mei 2022 Poëzie als meervoud (deel 1)
Genreconventies en de sprekende lezer
Naar aanleiding van de lezing The Perfect Form. Poëzie als spel, complicatie en opheldering door Alfred Schaffer (19 april, De Krook in Gent) herneem ik een essay dat is opgenomen in het boek Aansporingen (Acco, Leuven/Den Haag, 2010). De tekst is voor deze gelegenheid gereviseerd, maar enkele beschouwingen zijn meer dan een decennium later zo mogelijk nog steeds relevant.
De lezing van de P.C. Hooftprijslaureaat 2021 handelt over het zich voortdurend wijzigend poëzielandschap. De productie van poëzie scheert hoge toppen, zoals Alfred Schaffer stelt, ondanks het aura van moeilijke toegankelijkheid, zelfs hermetisme, dat het genre omgeeft. In de aankondiging van de lezing lees ik: 'Er moet dus iets in de onbegrensde mogelijkheden van de poëzie schuilen, waardoor ze ondanks alles een relevante literaire factor blijft. Wat zou dat "iets" kunnen zijn?'.
De beschouwende tekst, een essayistische verkenning in vier delen, biedt vast en zeker geen antwoorden, maar helpt ons mogelijk de vraag daarom niet scherper te stellen, maar in ieder geval voor mijzelf helder te krijgen. Voor de aanduiding van poëzie als 'relevante literaire factor' hanteer ik mijn perspectief als lezer. In deze en de volgende fragmenten spreekt een lezer.
Beweging vloei na verandering, na saam-mekaar-andersmaak, na kreolisering en metamorfose Breyten Breytenbach, 2018
Een poëzielandschap is geen vooraf gepland of tuin-architecturaal ontworpen park van gemillimeterd gazon waar het streng verboden is het gras te betreden. Een landschap is een brok natuur, grillig verkaveld door de bovenmenselijke wetten van de natuur. Daar komen geen landmeters en stedenbouwkundigen aan te pas. Zoals ieder landschap is ook het poëzielandschap onderhevig aan verschuivingen en ontwikkelingen. Oorspronkelijk gaat de poëzie terug op wat we gemeenzaam noemen de oraliteit of dus de gesproken tekst. De vroegste gedichten, in de antieke oudheid, werden gedeclameerd, gesproken en gezongen, en ook wel eens neergeschreven. Hoewel veel van die schriftelijke neerslag door de tijden heen niet is overgeleverd, soms alleen getuigenissen. In de antieke oudheid schreef men literatuur vanuit mimetische of nabootsende opvattingen (Aristoteles) of men probeerde het nuttige en het aangename met elkaar te verbinden (zoals in de pragmatische visie van Horatius).
Wanneer we vandaag spreken over klankpoëzie, poly-poëzie of performance (podiumpoëzie), dan is dat genre (in zijn veelheid) niets anders dan een terugkeer naar de oorspronkelijke orale traditie waaruit de poëzie stamt. Sommigen beweren dat de poetry slam, officieel ontstaan in Chicago in 1986, een 'nieuw' fenomeen is, met name een concours waar de beste laat-twintigste- en vroeg-eenentwintigste-eeuwse troubadour/acteur zijn of haar verzen op een podium brengt voor een breed publiek. Er waren niet alleen de troubadours en de trouvères in de middeleeuwen, die maatschappelijke boodschappen zoals aankondigingen of morele voorschriften declameerden op geritmeerde en rijmende wijze. Ook daarvoor zijn er dichters die vooral zangers waren. Als we sommige poëzieoverzichten moeten geloven, dan is het fenomeen van de podiumpoëzie, of de performance, in 'ons tijdvak' in de neorealistische jaren zestig van de twintigste eeuw ontstaan, als happening, in een tijd die meer openheid, en democratisering (ook in de kunst), bracht. Ook die stelling kan vanuit een historisch perspectief worden ter discussie gesteld.
'In den beginne was het woord.' Poëzie was dus oorspronkelijk een genre dat mondeling, letterlijk: gesproken en gezongen, maar ook gebarend, gesticulerend (want een stem bestaat nooit zonder een lichaam), werd overgebracht naar een zo breed mogelijk publiek. En in de renaissance kon alles poëzie zijn, het genre genoot een ontzettende vrijheid, als het maar moreel verheffend was: 't is al goed wat conste doet. En in de zestiende eeuw moest poëzie vooral loven, het genre had een zending. Kortom, functies van poëzie zijn in de loop der tijden heel uiteenlopend ingevuld.
Intussen heeft het genre, ook door razendsnelle technologische ontwikkelingen, een gedaanteverwisseling ondergaan. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog is poëzie in een multimediale en gedigitaliseerde wereld een disparaat genre geworden. Die ontwikkeling kan geenszins een nefaste ontwikkeling worden genoemd. Door de inbreng van video, muziek, computersamples, theater (zoals al in de klassieke oudheid) zijn de contouren van wat we poëzie noemen ruim. Wat is poëzie? Elke generatie geeft op die vraag een ander antwoord, en altijd wordt dat antwoord weer geproblematiseerd. En maar goed ook. Poëzie is sinds Gutenberg allang niet meer die gebundelde verzameling van gedrukte letters op papier. Ook de dragers van poëzie zijn sinds de vorige eeuw van gedaante veranderd. Hierdoor ontstonden nieuwe mogelijkheden die de klassieke invulling van wat poëzie is, of lange tijd is geweest, heeft gewijzigd. Thomas Vaessens heeft hier uitvoerig over geschreven in Ongerijmd succes (2006). Poëzie heeft de beperkingen die haar zijn opgelegd door de boekdrukkunst ontstegen. Poëzie vinden we vandaag niet meer uitsluitend in een gedrukte bundel, tussen twee kaften. Poëzie keert terug naar haar oorsprong; door voordrachten en performances komen meer luisteraars en toeschouwers dan er ooit lezers kunnen zijn in aanraking met (literaire) teksten. En ze treedt ook de toekomst tegemoet, door gebruik te maken van razendsnelle ontwikkelingen op het gebied van de media en de technologie. Een genre dat blijft steken bij een bepaald medium is ten dode opgeschreven, een genre dat een steriele invulling krijgt is geen levend genre. Het voordeel van die verruiming, of grensdoorbreking, is dat het poëzielandschap vandaag een bijzonder intrigerende diversiteit vertoont. Dat elke lezer op een manier wel zijn of haar gading vindt, zonder daarmee een bepaald segment van de poëzie in de ban te slaan of als oninteressant of zelfs irrelevant te beschouwen. Er zijn nog steeds, en dat voor nog lang, de gedrukte dichtbundels, al dan niet met cd of cd-rom, de video-opnames en animanties. En er zijn de performances, die poëzie door de interactie van stem, lichaam, van muziek een andere (multimediale) dimensie geven. En er is ook de virtuele poëzie, in cyberspace, er zijn de bewegende gedichten van bijvoorbeeld Tonnus Oosterhoff, in Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen of op zijn persoonlijke webstek. Het is u allemaal bekend, en geen van die verruimingen of ontwikkelingen stemt me melancholisch of achterdochtig. Integendeel. Poëzie is een meervoud, een genre dat zich bewust is van haar herkomst, maar ook een dat onafgebroken nieuwe einders verkent, grenzen (die op conventies gebaseerd zijn) problematiseert, uitdagingen aangaat. Of de poëzie die vandaag wordt geschreven, gezegd, getoond, gesampled, beter is dan wat we pakweg in de jaren dertig hebben gekend, is voor mij niet een relevante vraag. De poëzie zoals we die nu beleven is anders, is breder, is interdisciplinair, veelkleurig en multicultureel, mondiaal of dus ook multimediaal, intimistisch en activistisch. Misschien is poëzie vooral wat als dusdanig wordt herkend en erkend en worden genregrenzen voortdurend bevraagd en overschreden.
En dus is de rol van een participerende en activerende lezer van wezenlijk belang (in de perceptie, maar dus ook in de omschrijving van wat poëzie in haar veel(zijdig)heid kan zijn). Definities van poëzie worden door elke generatie herschreven, soms door individuele lezers, misschien wel door elke lezer en schrijver wel steeds opnieuw uitgevonden. Op die manier blijft het genre zijn esthetische en maatschappelijke relevantie behouden en altijd weer herschrijven. Vandaag lezen we anders dan toen. Maar daarom niet beter, vooral interactiever, zappend, samplend (met teksten, beelden, geluid). Dat elke nieuwe generatie ook gebruik maakt van de eigen media die voor handen zijn, spreekt voor zich. In de eenentwintigste eeuw ziet poëzie eruit zoals vroeger, maar ook zoals vandaag en zoals we het vandaag nog niet kennen of onder ogen kunnen (of mogelijk durven) zien. Dat het boek naast al die andere en nieuwe dragers van poëzie zal blijven bestaan, ook in cyberspace-tijden, weten we inmiddels.
Een vraag die mij vooral bezighoudt, is of we in dit veranderende poëzieklimaat met dus de nadruk op continuïteit en verschuivingen, breuken en bruggen, in dat gewijzigd landschap, ook ánders lezen. Dat kan welhaast niet anders. En wat is dat eigenlijk, lézen. Waarom bestaat poëzie alleen bij de gratie van de lezer, die dus ook toehoorder, toeschouwer, maar in ieder geval steeds participant is en ook van de schrijver zelf? Poëzie is mogelijk wat een lezer als poëzie beschouwt.
Kwintessens
Yves T'Sjoen (°1966) is hoogleraar moderne Nederlandse literatuur (Universiteit Gent) en voorzitter van het Arkcomité van het Vrije Woord.
_Yves T'Sjoen -
Meer van Yves T'Sjoen

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws