Kwintessens
Geschreven door Yves T'Sjoen
  • 347 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

20 mei 2022 Poëzie als meervoud (deel 3)
Betekenis is een veranderlijk gegeven tussen gedicht en lezer
Als het postmodernismedebat van de jaren tachtig en negentig al een erfenis heeft voortgebracht, dat is het die van de complementariteit van lezingen. De discussies over het pomo als artistieke stroming, in oppositie met of als radicalisering van een modernistische manier van denken, zijn weinig vruchtbaar gebleken. Lees er Bart Vervaeck in Postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman (1999) op na. Vervaeck stelt overigens in de vragende vorm: 'Als het postmodernisme [...] geen stroming of realiteit is maar een geheel van kenmerken, een manier van kijken en lezen, dan blijft de vraag over welke kenmerken en manier het gaat'. De manier van kijken en lezen is sinds dat debat ingrijpend veranderd: we lezen niet alleen meer louter ergocentrisch (zoals in de jaren zestig en zeventig), of uitsluitend biografisch of zelfs auteur-intentioneel, of met oog voor ontwikkelings- en receptiegeschiedenis, de bredere socio-culturele context van een tekst. We lezen vooral met anders, niet met exclusiviteitsrechten of vanuit een burgerlijke bezitsdrang, maar veeleer vanuit een idee van complementariteit. Niet vanuit één betekenis, maar vanuit het besef van een aanvullende, gelijktijdige zingeving. Indien we 'postmodernisme' als leesattitude beschouwen, zoals ook Jos Joosten en Thomas Vaessens doen in hun studie Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (2003) door aan de hand van zeven probleemstellingen aan te tonen hoe 'postmoderne' poëzie ontregelend werkt en uitnodigt om averechts te (leren) lezen, en als we ons dus vragen stellen bij de manier waarop we een tekst benaderen, en tijdelijk in onze blik en esthetisch-sensitieve ervaring tijdelijk verrijken en for the reading being samenhang verlenen, komen we al snel tot de vaststelling dat een eenzijdige of eendimensionele lectuur altijd een aanslag van reductie pleegt op de veel(zijdig)heid van een tekst. Teksten die tot de creatieve verbeelding spreken nodigen uit tot terugschrijven. Roland Barthes had het over 'textes scriptibles'. Lezen als een meervoud. 'Textes pluriels'.
Die (in vaktermen poststructuralistische) visie is natuurlijk al lang gemeengoed geworden. Wat pak en beet een halve eeuw geleden nog als vernieuwend en verstorend werd beschouwd, zou nu kenmerkend voor het 'gewone' leesgedrag kunnen zijn. Wat eerst tot de marge van ons denken behoorde, zou zich nu hebben genesteld in het centrum van het reflecteren over literatuur. Althans, je zou er kunnen van uitgaan dat een poly-perspectivische, a-centrische lezing van teksten niet langer ter discussie wordt gesteld, omdat de eenduidigheid zelf het probleem bleek te zijn. Een centrum (van betekenis) is alleen iets wat in de geest van de lezer bestaat, niet in de tekst, iets dat niet tekstgegeven is.
Maar is dat eigenlijk wel zo? Mijn praktijkervaring is anders: vele lezers, an sich is daar natuurlijk niets verkeerd mee, gaan nog steeds op zoek naar dé eenheid-makende betekenis en alles samenhoudende lezing van de tekst, ze zoeken naar het ultieme houvast dat de tekst zin kan geven, en dus de vermeende 'sense unique' (of 'pensée unique') naar dé betekenis. Het verwachtingspatroon inzake literatuur is veelal nog traditioneel, behoudsgezind, op betekenis gericht dus; de gemiddelde lezer (wie is dat?), neen, de meeste lezers zoeken naar herkenning, identificatie, naar coherentie (die alleen in de eigen interpretatie van de tekst blijkt te bestaan) en niet naar een stoorzender, het vreemde, hoe een tekst ons anders naar de wereld laat kijken. Zij zoeken naar eensluidende antwoorden, niet naar vragen. Zoals het ons allen in schoolbloemlezingen, in het onderwijs, in leesopvoeding is bijgebracht. Met die consideratie voor ogen leg ik twee korte bespiegelingen voor.
_1.
Het gedicht is nooit af, de taal nooit toereikend, het onvatbare laat zich eenvoudigweg niet zeggen. Taal en werkelijkheid laten zich niet tot elkaar herleiden, ze zijn geen afgeleiden van elkaar. De werkelijkheid in taal is ongrijpbaar, of poëtisch geformuleerd in de woorden van Cees Nooteboom: er zit 'zand tussen dingen en zeggen'. Dergelijke uitspraken klinken in hun zakelijkheid absoluut, in poëzie zonder meer pregnant, en gelden wellicht voor vele soorten poëzie. Autonomistisch, taalgericht, postmodern, (post)romantisch, of wat het label ook mag zijn. Vandaag zijn we allang afgestapt van de idee dat het gedicht een 'schoon geheim' bevat, of dat in en achter de raadselachtige orakeltaal een diepere kern van waarheid zou schuilgaan, dat de werkelijkheid (dus ook de gevoelswereld van de dichter) gespiegeld zou worden in het gedicht. Of dat je met taal de feitelijke, de zintuiglijk waarneembare wereld kunt vatten. Hoogstens kan het gedicht suggereren, pogen om dan in het beste geval geslaagd te mislukken (Paul Rodenko). De schoonheid van de mislukking, is dat geen beeldende – misschien wel paradoxale – omschrijving van het ultieme streven dat veel poëzie beweegt, dat poëzie tot de verbeelding laat spreken en ons de gelegenheid biedt om na te denken over het medium dat taal heet? En dus méér dan een medium is.
_2.
We gaan er niet meer van uit dat de dichter, maar wel dat de lezer en de omgeving waarin wordt gelezen het gedicht maken/wakker maken, zoals de taal eigenlijk in eerste instantie het gedicht zelf schrijft. Joosten en Vaessens parafraseren Roland Barthes als volgt: 'De Dichter wordt dichter, dus, met een kleine "d", een van de gelijkwaardige spelers van het tekstspel. Niet de man of vrouw met de macht in handen, maar iemand die – net als iedereen – onderworpen wordt aan het netwerk van taal. Zeer generaliserend gesteld: niet de dichter kiest de taal, maar de taal kiest de dichter.' Níét de dichter kiest de taal. Of anders – Heideggeriaans – uitgedrukt nog: een gedicht laat zich schrijven, de taal schrijft het gedicht. De taal gebruikt de schrijver, de lezer schrijft terug. Je moet dat terugschrijven natuurlijk niet alleen steriel-letterlijk opvatten: door te lezen wordt het gedicht weer tot leven gewekt (wakker lezen), want het zet de creatieve verbeelding in werking. En eenieder leest anders, en zal op eigen wijze tot leven wekken. Zonder te vervallen in een vrijblijvende anything goes-houding, het vrijblijvend lezen zonder oog voor de tekst en zijn intrinsieke teksteigenschappen.
Over een gedicht kun je alleen maar iets zeggen zolang het betrekking heeft op de talige werkelijkheid van het gedicht. Jacques Derrida's meest geciteerde uitspraak is zonder twijfel 'il n'y a pas de hors-texte'. In een gedicht gelden anders regels, andere denkpatronen dan buiten dat gedicht. Zodra we ons durven te verplaatsen in die andere wereld, en de consequenties van de leeshandeling onder ogen zien, krijgen we oog voor de taal van het gedicht in al haar aspecten, de wereld van taal. Maar ook voor de ethische betrokkenheid van wat wordt gezegd. Lezen is nooit vrijblijvend. Il n'y a pas seulement le texte. Taal is nooit vrijblijvend, veeleer vrij-blijvend, in meerdere opzichten zégt het woord iets. Over ons, over de wereld, over de medemensen en onze positie in een wereld die we alleen als talige wezens kunnen benaderen. Met dat rijke maar tezelfdertijd ook schamele bezit van taal, die ons op de proef stelt. Keer op keer. Een waardenvrije esthetica is natuurlijk onbestaand. De relevantie van poëzie schuilt in deze paradox: het gedicht kan alleen naar zichzelf verwijzen, en door dat te doen wordt de lezer uitgenodigd zijn of haar positie te bepalen tegenover de taal, tegenover de wereld (van woorden). Deze visie is wel eens aangeduid met de paradoxale term 'personalistisch autonomistisch'. De bepaling van onze verhouding tegenover taal en werkelijkheid kan alleen in woorden geschieden. Als taalwezens zijn we veroordeeld tot taal. Of andersom: we worden eraan overgeleverd en ontdekken de kracht van de metafoor (le plaisir du texte). We zeggen dan uiteraard niet alleen iets over het gedicht, maar meestal (zo niet altijd) ook over onszelf en de wereld waarin we samen met het gedicht leven.
Hoe ziet de vereniging van beide stellingen eruit? De voltooide en afgewerkte status van het gedicht, van enkele gedrukte letters op papier of de al dan niet beweeglijke (Breytenbach) en steeds meer op het scherm oplichtende configuraties van signifiants, is dus maar schijn. Eigenlijk is het gedicht zoals wij het lezen altijd weer in de steek gelaten door zijn schrijver. Het staat er gezet in drukinkt, het is het zichtbare resultaat van een (voorlopig) afgesloten creatief proces (ook in digitale zin, hoe beweeglijk in real time lettertekens hun lezer ook blijken op te zoeken).
Wat er staat wordt een gedicht in de ogen, in het hoofd, in de zintuiglijke en intellectuele wereld van de lezer. Die lezer voltooit het aangeleverde tijdelijk, tijdens de act van het lezen (respectievelijk de handeling van het beluisteren, betasten of welke andere zintuiglijke ervaring ook), tijdens het herlezen, het mijmeren en het opnieuw lezen. In de beweging die het lezen is. Tijdens die beweging proberen wij steeds zin, betekenis te geven, ons inhouden toe te eigenen, al dan niet gestuurd door velerlei indicaties, als tonaliteit, ritme, cadans, klankkleur enzovoort. Scherven worden een hoogstpersoonlijk verhaal. Alberto Manguel omschreef dit als volgt in zijn bijzonder lezenswaardige Geschiedenis van het lezen: 'En toch is het […] de lezer die de betekenis leest; het is de lezer die bij een voorwerp, een plaats of gebeurtenis een bepaalde mogelijke leesbaarheid toegeeft of erkent; het is de lezer die zin moet toeschrijven aan een systeem van tekens, en het vervolgens moet ontcijferen. Wij lezen allemaal onszelf en de wereld om ons heen teneinde een glimp, of een eerste inzicht te verwerven. We moeten wel lezen. Lezen is, bijna evenzeer als ademhalen, onze essentiële functie.' We lezen omdat we naar mijn oordeel te vaak niets liever doen dan begrijpen, betekenissen zoeken, maar uiteraard heeft het lezen meer functies. Zelfs in de wetenschap dat begrip een illusie is (ik parafraseer een bekende regel van Arjen Duinker). Of in een vroegere versie van Gust Gils, 'begrip/is een ingebeelde ziekte' (in Een handvol ingewanden, 1977). Met de verbeeldingskracht, beperkt door de contouren van onze lezersblik, tegen de achtergrond van het kennen en onze verwachtingen, bepaald door beperkingen en mogelijkheden, lezen wij gedichten wakker. En die gaan dus in tegenstelling tot hun eenduidige verschijningsvorm in een poëzieboek veel betekenen, zonder in de fuik van de alleenzaligmakende betekenis te worden gevangen. Ik stelde al eerder: coherentie, een essentie, het controlerend subject bestaat hoogstens in the eye of the beholder. Betekenisgeving is problematisch, omdat dé betekenis een illusie is. Betekenis wordt steeds uitgesteld, niet gerealiseerd, geproblematiseerd. Als die enige en ultieme waarheid er dus niet is, dan is het aan de lezer om zijn of haar waarheid te fabriceren en steeds weer op de tocht te zetten.
Met de volgende vaststelling trap ik doelbewust, ja stoutmoedig en met voorbedachten rade, een open deur in: er zijn vele soorten van lezen, van wakker-lezen of 'betekening'. Velerlei indicaties in teksten bepalen onze leeshouding. Intratekstuele indicatoren, zoals semantische, formele, fonetische, morfologische, compositorische aanwijzingen, maar ook extra-tekstuele factoren, zoals genreaanduiding, literaire periode, cultuurhistorische context, tekstexterne poëticale uitspraken. We lezen met zijn allen, ontvankelijk voor deze of gene indicaties, op onze eigen wijze(n), en geprikkeld als we allemaal zijn door dat lastig omschrijfbare, weerbarstige en veelzijdige genre dat poëzie heet praten we daar honderduit over en zullen het zelden helemaal eens zijn. Uiteraard niet, dat houdt het gesprek op gang. Zoiets bevordert discussie, en maakt van poëzie een altijd weer relevant gespreksonderwerp. Maar we behoren met zijn allen wel tot dezelfde 'internationale republiek', aldus David Mitchell. De manier waarop we lezen en interpreteren zegt veel over onszelf, over de wijze waarop ik mijzelf lees in de poëzie, over hoe mijn lichaam een 'mogelijk verhaal' uitspaart in de witruimte, tussen woorden, tussen regels die samen het gedicht vormen.
Kwintessens
Yves T'Sjoen (°1966) is hoogleraar moderne Nederlandse literatuur (Universiteit Gent) en voorzitter van het Arkcomité van het Vrije Woord.
_Yves T'Sjoen -
Meer van Yves T'Sjoen

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws