3 september 2026
Goed doen. Hoe ethisch kapitalisme de democratie kan redden
Dat het liberalisme de voorbije decennia steeds meer in de verdrukking komt is duidelijk. Na de val van de Berlijnse Muur dachten velen dat de liberale democratie de ideologische strijd finaal gewonnen had. Francis Fukuyama beet er zijn tanden op stuk door zelfs het einde van de geschiedenis aan te kondigen, iets wat de toen nog levende filosoof Karl Popper bestempelde als een ‘dwaze gedachte’. En gelijk had die laatste.
Sinds de aanslagen van 9/11, de bankencrisis van 2008, de verkiezingsoverwinning van Trump in 2015, de coronacrisis in 2020 en later de oorlogen in Oekraïne, Gaza en Iran, weten we beter. De liberale democratie wankelt wereldwijd, het autoritarisme en illiberalisme zijn in opmars en het kapitalisme wordt zowel door extreemlinks als extreemrechts uitgespuwd. En toch staat opnieuw een jonge filosoof op die het liberalisme met klem verdedigt en weigert om het kapitalisme bij het vuilnis van de geschiedenis te zetten. Zijn naam is Markus Gabriel, Duitser, 46 jaar, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Bonn, en auteur van het indrukwekkende boek Goed doen. Hoe ethisch kapitalisme de democratie kan redden.
Gabriel erkent dat democratieën wankelen, dat ongelijkheid groeit, dat technologie ontwrichtend werkt en dat het klimaat er slechter aan toe is dan ooit – waarschijnlijk de eerste crisis die de mensheid as such in haar voortbestaan bedreigt – maar hij weigert mee te stappen in de vele extreme discoursen om het kapitalisme dan maar te vervangen door een ander systeem. Gewoon al omdat het kapitalisme op zich net géén systeem is dat centraal zou gestuurd worden. Sterker nog, Gabriel ziet het kapitalisme juist als een vorm van anarchie, waarbij zowat elke interactie tussen mensen onderdeel is van een enorm en onoverzichtelijk kluwen van voordelige uitwisselingen. Sommige mensen produceren iets (zoals aardappelen) en anderen zijn bereid om daarvoor te betalen. Voor Gabriel is daar niets mis mee, integendeel, het is levensnoodzakelijk om verder voedsel te produceren en met de opbrengst ervan iets van zijn of haar leven te maken. Het echte probleem is het roofkapitalisme, waarbij een kleine groep mensen enorme winsten maakt ten koste van medemensen, de samenleving en de natuur, en dit door machtsconcentratie, onrechtvaardigheid en inkomensongelijkheid waarbij de zwaksten aan hun lot worden overgelaten.
Gabriel verwerpt het kapitalisme niet voor zover het ten goede komt aan morele vooruitgang. Het kapitalisme doorbrak het feodalisme met zijn privileges voor koning, adel en kerk ten koste van de massa horigen. Maar het vertoonde ook heel wat gebreken. Gabriel verdedigt dan ook een uitgesproken ‘ethisch kapitalisme’ en plaatst dit tegenover de twee extreme opvattingen die het kapitalisme ofwel verwerpen ofwel misbruiken. Zo heeft hij het niet begrepen op het communisme dat in de praktijk heeft aangetoond dat het inefficiënt, niet creatief en niet innovatief is, maar vooral ook omdat het nooit geleid heeft tot morele vooruitgang, democratie en zelfbeschikkingsrecht. Daarbij komt nog dat het communisme in de praktijk steeds leidde tot enorme milieuschade door sterk vervuilende zware industrie, bruinkoolcentrales, ontbossing, door extreme lucht- en waterverontreiniging en het ontbreken van onafhankelijke controle daarop. Maar evenzeer verwerpt hij het neoliberalisme waarbij het kapitalisme zich baseert op het laisser-faire en overtuigd is van het zelfregulerend vermogen van een absolute vrije markt. Dat laatste is gewoon ‘onsamenhangende onzin’, aldus de auteur.
“Het is mogelijk: winst maken door moreel goed te doen (dat wil zeggen ethisch kapitalisme) en winst maken om daar vervolgens iets moreel goeds mee te doen,” schrijft Gabriel, die onder meer denkt aan strategieën van sociaal rechtvaardige herverdeling en duurzaam milieubeleid. De verbinding van economie met ethiek is niet nieuw, denk aan het werk van Amartya Sen, Martha Nussbaum, Susan Neiman, Michael Sandel en Noreena Hertz. Maar het wordt vandaag weer opgepikt door jonge filosofen en economen als Kate Raworth, Alexandre Lefebvre, Colin Mayer, Debra Satz, Alicja Gescinska, Floris van den Berg en… Markus Gabriel. Geen van hen wil het kapitalisme op zich afschaffen, maar allen pleiten ze voor diepgaande hervormingen en regulering van de vrije markt. Allen verdedigen ze ook de liberale democratie als grondslag van onze samenleving – al gebruikt Neiman het woord ‘liberaal’ niet. Gabriel streeft naar een ‘ecosociaal liberalisme’ waarin het sociaal-politieke leven gericht is op grotere maatschappelijke vrijheid, sociale rechtvaardigheid en morele vooruitgang, ‘niet alleen voor mensen, maar ook voor de andere levende wezens’.
Het kernpunt van Gabriel is dat juist daarom economische groei noodzakelijk is, maar die moet dan wel op een duurzame manier tot stand komen en ten goede komen van mens en planeet. Dat is vandaag niet het geval, integendeel: “Naar mijn idee schaden de nieuwe vormen van plutocratie en oligarchie die vandaag de dag wereldwijd de democratische verworvenheden bedreigen de fundamentele kapitalistische orde, omdat ze een terugval in feodale structuren betekenen,” zo schrijft hij. Zeker in de VS zien we hoe geprivilegieerde personen en groepen zichzelf verrijken en geen enkel medeleven hebben met hun medemensen, de toekomstige generaties en de het leven in al zijn vormen. Een dergelijk gedrag staat haaks op het ecosociaal liberalisme. Gabriel verwijst onder meer naar de Duitse filosofe Lisa Herzog en haar boek Freiheit gehört nicht nur den Reichen: Plädoyer für einen zeitgemäßen Liberalismus (Vrijheid is niet alleen voor de rijken: een pleidooi voor hedendaags liberalisme) en gelooft verder in ‘probleemoplossing dankzij innovatief denken, dat wordt voortgestuwd door concurrentie en samenwerking’.
Dus geen degrowth, maar economische groei om bij te dragen aan morele vooruitgang. Gabriel omschrijft degrowth zelfs als een bedreiging voor de eerste Sustainable Development Goal van de VN, nl. ‘het beëindigen van de armoede in wereld’, en een bedreiging voor de dertiende SDG, namelijk ‘het dringend actie ondernemen om de klimaatverandering te bestrijden. De aanname dat economische groei noodzakelijk leidt tot vernietiging van het milieu noemt hij onjuist, al is hij zich zeer bewust dat dit onder het communisme en het neoliberalisme wel degelijk gebeurde en nog steeds gebeurt. Mensen en bedrijven vervuilen de planeet – in het bijzonder ook de oceanen – en ze zijn verantwoordelijk voor het uitsterven van andere levensvormen. Maar mensen en bedrijven die ethisch handelen kunnen de planeet ook schoonmaken en de biodiversiteit beschermen. Het is de plicht van de huidige generaties om dat te doen voor het welzijn van de toekomstige generaties. En daarvoor hebben we economische groei nodig gericht op morele vooruitgang.
“Er is niets mis met geld verdienen met goed doen,” aldus Gabriel. Het ethisch kapitalisme is voor hem het meest urgente, want voor het eerst wordt de mensheid geconfronteerd met de niet-aflatende crisis die de mensheid in zijn geheel bedreigt, namelijk de effecten van de klimaatverandering en de opwarming van de aarde. Daarom ziet hij de binding van economie met ethiek als een universele plicht, net zoals je een verdrinkend kind overal ter wereld moet redden, ongeacht of het je eigen kind is of dat van een vijand. Hij stelt voor dat elke onderneming een verplichte ethische afdeling opricht die evenveel zeggenschap heeft dan bv. de financiële afdeling, en die de morele vooruitgang effectief stuurt en daar bij succes ook voor beloond wordt. Koppel afdelingen Research & Development aan die ethische afdelingen en daar kan veel goeds uitkomen, aldus een optimistische Gabriel. Alleen zien we net een tegenovergestelde beweging van politici zonder moreel kompas, zoals Donald Trump, Vladimir Poetin en Javier Milei die een ongebreideld kapitalisme toepassen. Er is dus werk aan de winkel.
Ethisch kapitalisme legt zich volgens Gabriel niet neer bij het status quo, maar gaat ervan uit dat het beter kan. In die zin is het ecosociaal liberalisme dat hij bepleit een progressieve beweging bij uitstek. Politici die het ‘anders’ willen doen dan vandaag kunnen hier best wat van leren. De auteur geeft enkele voorbeelden van na te streven vormen van morele vooruitgang, maar die kunnen we zelf uitbreiden. Zo zou je bedrijven die ethisch handelen een label kunnen geven, er publiciteit voor maken, ze fiscaal belonen. Bijvoorbeeld als ze de arbeidsomstandigheden in hun bedrijf verbeteren, de uitstoot van CO2 verminderen, gezonder voedsel produceren, middelen vinden om ziektes te bestrijden, het openbaar vervoer stimuleren, de sociale media reguleren, AI een ethische code opleggen, gendergelijkheid bevorderen, democratisch activisme stimuleren, enzovoort. Uiteraard heeft de overheid hier ook een rol in te spelen door te zorgen voor stabiliteit, rechtszekerheid en een duidelijke toekomstvisie. Een overheid als een onmisbare, maar niet-exclusieve drager van morele vooruitgang.
Dirk Verhofstadt