Kwintessens
Geschreven door Johan Braeckman
  • 302 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

17 januari 2023 Vijfde brief van Johan Braeckman aan Hans Van Dyck
Beste Hans
Jouw jongste brief aan me dateert alweer van eind augustus, vorig jaar. Je verwijst naar de start van een vers academisch jaar, en meteen heb ik het excuus voor mijn te late reactie. Zodra het lesgeven begint en de hectiek van studenten, onderzoek, vergaderingen, doctoraten, commissies en de dagelijkse stroom aan e-mails zich op gang trekt, is onze correspondentie een van de meer aangename activiteiten die onvermijdelijk naar de achtergrond verzeilt. Het spijt me oprecht, maar het is niet anders. Ik troost me met de overtuiging dat je volkomen begrijpt wat ik bedoel.
Maar laat ons niet in elke brief over onze traagheid klagen, dat gaat allicht snel vervelen. Overigens: misschien heeft die traagheid ook haar voordelen. Vondel schreef ooit: 'Dees langsaemheit past groote saecken'. Misschien bedoelde de Amsterdamse prins der dichters het wel helemaal anders, maar ik interpreteer het graag als volgt: wat de moeite waard is, heeft veel tijd nodig.
Welaan dan. Er is veel dat jouw en mijn leven de moeite waard maakt: kennis vergaren en delen, het reilen en zeilen van de insectenwereld, de biologie van het menselijk gedrag, boeken, kunst, geschiedenis van de wetenschap, het leven en werk van Charles Darwin, de toekomst van de universiteit. Dat zijn nog maar de onderwerpen waarvoor we een gezamenlijke passie delen. Er zijn er ook waarover we ons beiden zorgen maken. Eentje komt telkens weer opnieuw naar voren: het gebrek aan samenwerking tussen de verschillende universitaire disciplines. Allicht zijn we het erover eens dat pakweg een socioloog de finesses niet hoeft te kennen van de Schrödingervergelijking. Een scheikundige moet zich niet verdiepen in de geschiedenis van de kruistochten en een geneticus kan ook schitterend werk doen zonder kennis van Grotius' invloed op het zeerecht. Essentieel is de afwezigheid van kruisbestuiving tussen de natuurwetenschappen en de cultuur- en gedragswetenschappen. De Engelse term humanities, of in het Nederlands de alfawetenschappen, cultuurwetenschappen of geesteswetenschappen, vind ik te eng. Het gaat me ook om disciplines zoals psychologie, economie, antropologie, criminologie, sociologie, communicatie- en mediawetenschappen, politicologie en pedagogie. Het begrip geesteswetenschappen gebruiken we best niet meer. Wat een geest is, valt immers moeilijk uit te leggen. Als het begrip op datgene slaat wat onze hersenen aan cultuur produceren, waarom zouden we er dan de andere wetenschappen niet bijnemen, met inbegrip van de wiskunde? De stelling van Pythagoras is niet uit de lucht komen gevallen. Ze is door mensen bedacht. De meesterwerken uit de geschiedenis van de natuurwetenschappen zijn ons niet door de goden gegeven. Ze zijn door mensen geschreven. De boeken die iets minder indruk maakten dan die van Vesalius, Copernicus, Galilei, Newton en Darwin overigens ook. Uiteindelijk is alle informatie die we niet genetisch aan anderen doorgeven, cultuur.
De eind 2021 overleden Amerikaanse sociobioloog Edward O. Wilson schrijft in zijn boek Consilience: The Unity of Knowledge (1998):
'The greatest enterprise of the mind has always been and always will be the attempted linkage of the sciences and humanities. The ongoing fragmentation of knowledge and resulting chaos in philosophy are not reflections of the real world but artifacts of scholarship.'
Hij verwijst naar de humanities, maar bespreekt evengoed de sociale wetenschappen. Kortom: de cultuur- en gedragswetenschappen. Ik weet dat je goed vertrouwd bent met het rijke oeuvre van Wilson. Jullie waren zelfs rechtstreekse collega's, als insectendeskundigen. Hij verdiepte zich levenslang in mieren, jij in vlinders. Hij werd The Lord of the Ants genoemd, jou kennen we als de vlinderprofessor. Het zijn mooie titels. Je bent het ongetwijfeld eens met Wilsons pleidooi voor consilience, een term die zich moeilijk laat vertalen maar verwijst naar het naar elkaar toegroeien van inzichten uit diverse disciplines. Het gaat onder meer over het overbruggen van de kloof tussen de sciences en de humanities, een taak die elke intellectueel en academicus ter harte moet nemen. De Britse fysicus, politicus en romanschrijver Charles Percy Snow zette dat reeds uiteen in 1959, in zijn bekende essay The Two Cultures. In mijn faculteit, Letteren & Wijsbegeerte, doet men eerder meewarig over Snows tekst, doorgaans zonder die te hebben gelezen. Diegenen die er een beetje verstand van hebben, verwijzen graag naar de kritiek erop van de literatuurcriticus Frank R. Leavis uit 1962. Snows repliek daarop, The Two Cultures: A Second Look (1963), is al veel minder bekend. Heel soms weet iemand dat Stephen Jay Gould, nochtans een paleontoloog en dus een scientist, het helemaal oneens was met Snow. Zelf denk ik dat de kern van Snows uiteenzetting nog steeds correct is. Wellicht is de kloof nog verbreed. In een beruchte passage wijst Snow erop dat vrijwel niemand in de kringen van wat hij 'literaire intellectuelen' noemt, het flauwste benul heeft van de betekenis van de tweede wet van de thermodynamica. Integendeel, op zijn best vinden ze zoiets irrelevant. Dit zijn, aldus Snow, vaak dezelfde mensen die zich vrolijk maken over de culturele ongeletterdheid van natuurwetenschappers.
Toch is zijn vraag naar kennis van de thermodynamica vergelijkbaar met die of iemand vertrouwd is met een werk van Shakespeare. Net zoals de werken van Shakespeare behoort de thermodynamica tot onze culturele hoogtepunten. Maar, nog steeds volgens Snow, men reageert soms ook agressief. Alsof een pleidooi voor meer natuurwetenschappelijke kennis voor zogenaamde alfa's, een aanval is op hun academische eigenheid. Die agressie is de voorbije decennia ongetwijfeld alleen maar toegenomen. Ik spits het even toe op de wetenschappelijke inzichten waarmee we beiden vertrouwd zijn, die van Darwin en tal van andere evolutiebiologen. Als je jezelf wil uitrangeren in de cultuurwetenschappen, volstaat het om aan te geven dat je evolutionaire inzichten niet enkel relevant vindt om onze anatomische en fysiologische eigenschappen te begrijpen, maar ook om ons gedrag en onze mentale vermogens te doorgronden. Je stoot niet enkel op onbegrip, maar ook op vijandigheid. Voor jou en mij betekent een darwinistische benadering van de mens dat we met evolutionaire inzichten feiten in een coherent geheel brengen, dat we testbare hypothesen formuleren en naar coherentie met andere disciplines streven. Kortom, dat we aan wetenschap doen. Maar voor velen opgeleid in de cultuur- en gedragswetenschappen, betekent het iets helemaal anders. Zij denken meteen aan reductionisme, sciëntisme, seksisme, racisme, sociaal-darwinisme, conservatisme en allerlei andere lelijke woorden. Het is erg lastig om daar tegenop te boksen. We zijn gedwongen om eerst de tsunami aan vooroordelen en misverstanden weg te werken, vooraleer we wetenschappelijk constructief kunnen zijn. Dat is ontmoedigend. En zoals ik al aangaf, het wordt er niet beter op.
In essentie draait het rond het gehanteerde mensbeeld, je verwijst er ook zelf naar in je brief. Het overweldigend dominante mensbeeld binnen de cultuur- en gedragswetenschappers is nog steeds een blank slate-model. De mens komt ter wereld als een stuk boetseerklei, en de ouders, de omgeving, de opvoeding, de peer group, de maatschappij, je trauma's, de economie, de klasse, de historische context – kies maar wat je intuïtief het meest bevalt – kneden je tot wie je bent. De psychologische kwakzalverijen van iemand als Sigmund Freud zijn nog altijd bijzonder populair in sommige disciplines (en vrijwel overal in de media), hoewel we reeds honderd jaar weten dat ze onzinnig zijn. Erger nog, ze zijn misleidend. Darwin daarentegen werkt als een rode vlag. Of valt geheel in de – nogal groot uitgevallen – blinde vlek voor alles wat met biologie en natuurwetenschap heeft te maken. Toen ik een paar jaar geleden een artikel over de oorsprong van kunst kon publiceren in het hoog aangeschreven tijdschrift Quarterly Review of Biology, met als hoofdauteur dr. Alexis de Tiège, kreeg ik daar welgeteld één mailtje over van iemand die aan een Belgische universiteit werkt: van jou. (Ik kan zelfs niet zeggen dat het van iemand van een Vlaamse universiteit kwam, want je bent verbonden aan de universiteit van Louvain-La-Neuve.) Het is al niet erg waarschijnlijk dat een kunst- of andere cultuurwetenschapper een artikel oppikt uit een biologisch tijdschrift, ook als is het zeer interdisciplinair. Maar de titel van het artikel luidt: From animal signals to art: manipulative animal signaling and the evolutionary foundations of aesthetic behavior and art production (QRB, 96, 1, pp. 1-27, 2021). Het is alsof we erom smeken om niet te worden gelezen in onze eigen faculteit. 'Animal signals''Evolutionary foundations'? Neen, dat klinkt niet goed.
Misschien overdrijf ik een beetje, maar toch niet erg veel. Het onbegrip en de vijandigheid vertaalt zich ook in een gebrek aan financiering voor onderzoeksprojecten die met natuurwetenschappelijke inzichten thema's benaderen waarvan de cultuur- en gedragswetenschappen het eigendomsrecht claimen, zoals kunst, moraliteit, religie, literatuur en muziek. Met andere woorden, datgene wat ons tot mensen maakt, overal ter wereld. Het is alsof al het leven op aarde het product is van evolutie, behalve de mens. Op een of andere miraculeuze manier ontsnapte onze soort aan het proces van variatie en selectie. Misschien ons lichaam niet, maar dan zeker wel ons brein. Dat slaat natuurlijk nergens op. De cultuur- en gedragswetenschappen dreigen de boot te missen. Als ze er niet in slagen om zich ten gronde interdisciplinair te heroriënteren, komen ze onvermijdelijk in een doodlopende – en oersaaie – fuik terecht. Gelukkig zijn er hier en daar voorzichtige initiatieven om het tij te keren, zie het Gentse project Universitas.
Ik moet dit alles meer gedetailleerd uiteenzetten, beste Hans. Maar deze brief is al te lang, en het is ook complex en moeilijk. Als ik naar Darwin verwijs in deze context, dan bedoel ik natuurlijk allerlei hedendaagse auteurs en onderzoekers, zoals John Tooby en Leda Cosmides, Brian Boyd, Robert Trivers, Daniel Nettle, Donald Symons, David Buss, Joseph Carroll, Robin Dunbar, Douglas Kenrick en zovele anderen. Het kost heel wat tijd en moeite om je met hun werk vertrouwd te maken. Ook dat kan ontmoedigend klinken, ik weet het. Maar de nieuwe en spannende inzichten die je erdoor verwerft, over onze meest fundamentele kenmerken, maken het waard. We kunnen hierover cursussen creëren en ze op het programma plaatsen van de opleidingen psychologie, economie, taalkunde, criminologie, sociologie, kunstwetenschappen, geschiedenis en pedagogie. Ik vergeet er ongetwijfeld een paar. Het zou een begin zijn. Maar ik zie het eerlijk gezegd niet meteen gebeuren. Er is geen intellectuele openheid voor binnen de huidige universitaire structuren.
Beste Hans, ik eindig enigszins pessimistisch, ik weet het. Maar ik wens jou en je dierbaren niettemin een bijzonder nieuw jaar toe, vol vrolijkheid, enthousiasme en geluk.
Kwintessens
Hoogleraar wijsbegeerte UGent en lid van de humanistische denktank Kwintessens
_Johan Braeckman -
Meer van Johan Braeckman

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws