Kwintessens
Geschreven door Kristiaan Versluys
  • 1778 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

28 februari 2023 De vaders van Amerika
De Verenigde Staten van Amerika is een bipaternale natie. Het land heeft twee soorten vaders, de Pilgrim en de Founding Fathers. Het is daarom het product van een grote, nog steeds virulente rivaliteit tussen twee origines, twee stichtingsmythes. Om die reden is het ook een verdeelde en weifelende natie, onzeker over haar ware identiteit, onstabiel in haar oriëntatie. De progressieve Bill Clinton werd opgevolgd door de conservatieve George W. Bush. De verkiezing en succesvolle twee ambtstermijnen van de sociaal-voelende intellectueel Barak Obama waren de prelude tot het vierjarig bewind van zijn complete tegenpool, de geborneerde, in eigenwaan gedompelde Donald Trump. De verschillen gaan dieper dan de traditionele links-rechts-oppositie, progressief versus behoudsgezind. De ongeziene felheid van de hedendaagse politieke praxis heeft een grotere inzet: het doel en de definitie van de natie zelf.
Ten dele is de Verenigde Staten een gigantisch emancipatorisch project, het product van de democratische revolutie van 1776, dertien jaar vóór de bestorming van de Bastille. De Founding Fathers, die een einde stelden aan de Britse overheersing, waren kinderen van de Verlichting. De jonge natie die ze vormgaven was gebaseerd op het idee van universele gelijkheid, de scheiding der machten, de scheiding van kerk en staat, de integriteit van de menselijke persoon. In hun onafhankelijkheidsverklaring staat een voor de tijd bijzonder radicale zin: 'all Men are created equal'. Het is mogelijk de hele Amerikaanse geschiedenis te lezen als de steeds inclusievere toepassing van dit grondidee. Het erkennen van de universele gelijkheid betekende initieel de doodsteek voor de ingebouwde klassenverschillen van het Europese ancien régime. En langzaam gedurende de volgende tweehonderd jaar kreeg dat revolutionaire gedachtegoed volheid van uitvoering. De gelijke rechten werden uitgebreid van blanke mannelijke grondbezitters, tot alle blanke mannen tot alle mannen tot uiteindelijk alle mensen.
Tot voor kort leek het legitiem de Amerikaanse geschiedenis te concipiëren als het verhaal van deze voortschrijdende bevrijding, waarbij – met veel labeur en vaak bloedig conflict – de burgerrechten steeds ruimer werden toegepast. Maar de laatste tijd hebben spectaculaire gebeurtenissen zoals de verkiezing van Trump en de bestorming van het Capitool aangetoond dat Amerika ook een ander – een aan de Verlichting tegengesteld – verhaal herbergt, een verhaal dat ouder is dan dat van de Amerikaanse revolutie, een verhaal dat nog steeds doorwerkt en veel taaier blijkt dan gedacht. Amerika is deels de vroegste en meest gezaghebbende exponent van de Verlichting. Het is deels ook de incarnatie van een oudere, antidemocratische theocratie.
Om dat te begrijpen moet men teruggaan tot het prille begin van de natie. De Founding Fathers werden voorafgegaan door de Pilgrim Fathers, die anderhalve eeuw vóór de Amerikaanse revolutie voet aan land zetten in wat later Plymouth, Massachusetts zou worden. Het was een kleine groep puriteinen, fundamentalistische protestanten uit England, later gevolgd door grotere cohortes die zich in de buurt van Boston vestigden. Ze maakten de gevaarlijke overtocht met de bedoeling in de Nieuwe Wereld een maatschappij te stichten die vrij zou zijn van het verderf, de decadentie en de corruptie, die ze in het Anglicaanse Engeland achter zich lieten.
Amerika is dus begonnen als een religieuze utopie. Aan de oorsprong van de natie staat een gewaagde volksverhuizing die samenvalt met een religieuze queeste. Het fysiek zich vestigen in de Nieuwe Wereld, voet aan de grond krijgen, het temmen van de wildernis: die materiële verovering stond ten dienste van een spiritueel ideaal. Van bij het begin had de dagelijkse bekommernis om zich in moeilijke omstandigheden recht te houden – te zorgen voor de basisbehoeften waardoor men in leven blijft – een sacrale dimensie. Het dagelijkse bestaan in de Nieuwe Wereld werd ervaren als een door God geleid plan.
Voor een aanzienlijk deel van de Amerikaanse bevolking is dat nog steeds onveranderlijk het geval. Tot vandaag zijn er grote groepen fundamentalistische christenen – de zogenaamde Evangelicals, 25 percent van de bevolking, 80 miljoen Amerikanen – die, zoals de 17de-eeuwse puriteinen, overtuigd zijn dat God iets bijzonders voor heeft met de VS, dat de VS een speciale, unieke rol speelt in het heilsplan van de Heer. Heel hun handelen wordt bepaald door het geloof dat de VS een exceptionele natie is met een bijzondere missie. In hun ogen heeft Amerika een uitzonderingsstatus onder de volkeren. Haar ontstaan en bestaan worden gelegitimeerd door een goddelijke dispensatie.
Maar de Evangelicals zijn in toenemende mate gefrustreerd en als gevolg daarvan politiek geradicaliseerd. Het loopt voor hen niet zoals verhoopt. In hun op een strikte interpretatie van de Bijbel gefundeerde opinie is er iets fundamenteels verkeerd met de gang van zaken in het land. In hun ogen is homoseksualiteit – naar het woord van Leviticus – een 'abominatie' en abortus, waar ze bijzonder emotioneel over doen, kindermoord. Ze moeten lijdzaam toezien hoe in een steeds meer geseculariseerde samenleving homohuwelijken in het hele land zijn toegestaan en zelfs na een recent vonnis van het Supreme Court abortus een wettelijke praktijk blijft in vele staten. Ze moeten ook constateren hoe jonge mensen in steeds grotere aantallen hun rangen verlaten en kiezen voor een ruimerdenkende godsdienstbeleving of zelfs rite en religie helemaal achterwege laten.
Die onvrede – door de conservatieve media (Fox News) en in de sociale media opgezweept tot hysterie en paniek – is zo groot dat velen geen heil meer zien in de processen van de politieke democratie of de normale rechtsgang. Als de democratische staatsvorm en de wetgeving die eruit voortvloeit Gods plan dwarsbomen, dan ontstaat het verlangen naar een autoritaire leider die orde op zaken stelt. Zoals Brynn Tannehill schreef in The New Republic: 'Conservative Christians have a deep sense of victimhood and fear about a secular America and are willing to end democracy to prevent it'.
Wat zich de laatste jaren op het politieke toneel afspeelt in de Verenigde Staten is een strijd op leven en dood tussen twee onverzoenbare ideologieën. De inzet is het overleven van de democratie zelf. Het is een strijd met vele facetten. Racisme en socio-economische ongelijkheid zijn bepalende factoren. Maar een deel van de verbetenheid kan worden verklaard door de frustratie van de evangelische christenen die – with God on their side – ten strijde trekken tegen een tolerante, pluralistische sociale orde, de erfgenaam van de Verlichting.
Kwintessens
Kristiaan Versluys is emeritus prof. Amerikaanse literatuur en cultuur aan de UGent. Hij heeft een doctoraat van de Harvard Universiteit en was geregeld gastprofessor aan Columbia University in New York. Hij is de auteur van o.a. 'Out of the Blue. September 11 and the Novel'.
_Kristiaan Versluys -
Meer van Kristiaan Versluys

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws