Kwintessens
Geschreven door Jürgen Pieters
  • 1977 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

5 juni 2023 Literatuur als troost, 'und kein Ende' (deel 1)
De voorbije decennia is er heel wat geschreven over alle goeds dat het lezen van boeken in het persoonlijke leven van een lezer kan brengen. Dezelfde beelden en ideeën komen daarbij voortdurend terug. We halen een bijzondere vorm van vriendschap uit onze favoriete boeken: Petrarca schreef het zeven eeuwen geleden al en velen volgden sindsdien in zijn spoor. Boeken helpen ons bij het nemen van lastige beslissingen. Ze dragen zorg voor ons zielenheil wanneer we ons niet goed voelen. Ze zijn het kompas waarop we varen bij existentieel stormweer. Ze brengen troost, wanneer we bijvoorbeeld iemand verliezen.
Nog niet zo heel lang geleden publiceerde ik twee boeken over die laatste gedachte: dat we troost kunnen halen uit de literatuur die we lezen. In beide boeken – Literature and Consolation. Fictions of Comfort (Edinburgh University Press, 2021) en Een boekje troost (Borgerhoff & Lamberigts, zelfde jaar) – probeerde ik na te denken over een vraag die me intussen al meer dan een decennium bezighoudt: wat bedoelen we precies wanneer we zeggen dat we getroost worden door het lezen van een literaire tekst – een roman of een gedicht zeg maar? Waarom, zo vroeg ik me af, dook het woord 'troost' zo opvallend vaak op wanneer schrijvers, critici en lezers het hadden over de aantrekkelijkheid van literaire teksten die ze waardevol vonden? Dat boeken plezier brengen, ontspanning, of een gevoel van schoonheid, meer dan begrijpelijk, maar troost? Mijn fascinatie voor de vraag werd gevoed door het frequente voorkomen van de uitspraak dat literaire teksten – fictie, in de gevallen die mij als literatuurwetenschapper interesseerden – fungeerden als instrumenten en bronnen van troost. Auteurs gaven aan dat ze literaire teksten schreven om anderen troost te bieden, lezers beweerden dat zij fictie lazen in hun zoektocht naar troost. Of, minder intentioneel voorgesteld: dat ze zonder ernaar op zoek te zijn getroost werden door wat ze lazen.
De vraag naar de verhouding tussen troost en literatuur, zo schreef ik in de inleiding tot mijn Engelse boek, roept meteen verschillende nevenvragen op. Hoe komt het dat we ons laten troosten door personages in boeken die producten van de verbeelding zijn, terwijl we die troost ook kunnen halen bij echte mensen? Meer nog, waarom slagen die personages er vaak in ons te troosten terwijl onze vrienden en familieleden dat even vaak niet kunnen? Op basis van welke krachten werkt de troostende magie van de literatuur? Wat zijn de voorwaarden voor die troostende werking? Waar zit de troost van de literatuur juist? In wat we lezen of in hoe we lezen? In wat een auteur zegt of in hoe hij of zij dat doet? Komt de troost van de literatuur voort uit het vermogen van de fictie om ons naar andere horizonten te verplaatsen, weg van wat ons verdriet doet en de troost dus nodig maakt? Of schuilt ze juist in het vermogen van die fictie om ons beter (meer? krachtiger?) te confronteren met wat ons verdriet doet? De COVID-19-epidemie van de voorbije jaren maakte duidelijk dat velen mijn fascinatie voor de troost van de literatuur deelden – niet alleen vakgenoten, maar ook, en voor mij belangrijker, lezers buiten de academische wereld. We leken de voorbije jaren met zijn allen op zoek te zijn naar troost, en velen onder ons vonden die in de boeken die we lazen. Dat beweerden we toch.
Vooral in Literature and Consolation nam ik een historiserend perspectief in op mijn beide sleutelconcepten. Door de eeuwen heen zijn onze (westerse) ideeën van wat literatuur is en doet significant veranderd, maar dat geldt nog meer voor onze ideeën over wat troost is. In de oudheid wordt het brengen van troost gezien als een vrij directe oproep naar rationeel denken en handelen. Iemand troosten betekent iemand opnieuw tot zijn of haar verstand brengen, met argumenten de illusie van de emoties doorprikken. Wie verdrietig is wordt te sterk gestuurd door emoties, is de redenering in de oudheid. De troost moet ervoor zorgen dat het gezond verstand weer gaat regeren en om die reden komt de troost in de vorm van redelijke argumentatie.
Vandaag gaan we ervan uit dat wie troost wil brengen de nodige emotionele intelligentie en de nodige empathie moet bezitten. Wie troost leeft mee, tracht zich een beeld te vormen van de begrijpelijke gevoelens van wie verdriet heeft: die gevoelens mogen er zijn. In de oudheid is dat in de regel geen optie: om die reden is het niet het beste idee om ouders die vandaag een kind verliezen bij wijze van troost de brief te laten lezen waarin de Griekse filosoof Plutarchus zijn vrouw probeerde te overtuigen van het feit dat het verlies van hun dochter niet zo'n reden tot diep verdriet was als zij dacht.
_Bibliomemoirs
In Literature and Consolation las ik troostpassages en -scènes uit een aantal klassiekers van de westerse literatuur (Homerus, Dante, Shakespeare, Flaubert …) om duidelijk te maken hoe die fragmenten iets zegden over de opvattingen over troost in de tijd waarin ze ontstonden. Maar tegelijk wilde ik dat historiserende perspectief niet laten overwegen. Ik wou ook nagaan hoe de teksten in kwestie ook vandaag kunnen functioneren als bronnen van troost. Om dat hedendaagse perspectief gestalte te geven begon ik elk hoofdstuk van mijn boek met de bespreking van een boek waarin het centraal ging over de troostende impact die het in mijn hoofdstuk behandelde oeuvre op een welbepaald crisismoment in het leven van hun auteurs had. Bibliomemoirs noemt men het genre intussen. De samengestelde term spreekt voor zich: de auteurs van deze teksten blikken terug op een (vaak lastige) fase in hun leven waarin ze zich gesteund, geholpen en getroost wisten door de bijzondere boeken die ze lazen. In vele gevallen gaat het om periodes van verlies – het plotse verlies van een geliefde, het lange en pijnlijke ziekbed van een ouder, maar even goed de worsteling met een eigen ziekte en het onvermijdelijke gevoel van identiteitsverlies dat daarmee gepaard gaat.
Twee van de bibliomemoirs die ik in Literature and Consolation bespreek, blijven voor mij schoolvoorbeelden van het zich ontwikkelende genre. Zo beschrijft de Italo-Amerikaanse literatuurwetenschapper Joseph Luzzi in het pakkende In A Dark Wood (2015) hoe het lezen van Dantes Goddelijke komedie hem op de been hielp bij het plotse verlies van zijn hoogzwangere vrouw. Op eenzelfde moment werd ik weduwnaar en vader, schrijft Luzzi bij het begin van zijn boek: op de operatietafel waar zijn vrouw het leven liet, werd Luzzi's dochtertje geboren. Ook al trachtte zijn omgeving hem zo goed mogelijk te helpen in wat de grootste crisis van Luzzi's leven zou blijken, niemand gidste hem zo standvastig door de stormen van het bestaan als de auteur van de Divina Commedia. Hij kende het boek vanzelfsprekend al, maar hij leerde het tijdens die jaren van diep verdriet met een nieuwe blik ontdekken. Hij hoorde er woorden van advies en troost in die hij niet eerder zag en, meer nog, die hij nergens anders vond.
Ook Katharine Smyths All The Lives We Ever Lived (2019) draait rond de verwerking van een groot persoonlijk verlies en de troostende rol die het lezen daarbij speelt. Smyth, een Amerikaanse journaliste, vertelt in haar boek over de lange strijd die haar vader voerde, eerst tegen een alcoholverslaving en vervolgens tegen een ziekte die hem fataal bleek. Smyths belangrijkste steun en toeverlaat tijdens die lastige jaren blijkt Virginia Woolfs To The Lighthouse te zijn geweest. Die roman had op Smyth hetzelfde soort impact dat Dantes epos had op Luzzi: de tekst bracht haar tot inzichten die haar onmiddellijke omgeving haar niet konden bieden. Woolfs roman werd een lijfboek voor Smyth, dat haar niet alleen hielp door het rijke aanbod aan specifieke ideeën die de roman bevat (de inhoud van het boek, zeg maar), maar ook door de bijzondere vorm waarin de auteur van To The Lighthouse die ideeën formuleerde. Die vorm zorgt net als bij Luzzi voor een leeservaring die schoonheid brengt in momenten van diep lijden. Ook daarin zit voor Smyth en Luzzi de troost van de literatuur.
Na de publicatie van Literature and Consolation vond ik verschillende bijkomende titels die ik tijdens het schrijven van mijn boek moet hebben gemist. Twee ervan vermeld ik hier kort: Nina Sankovitch' Tolstoy and the Purple Reading Chair (2011) en Jill Bialosky's Poetry Saved My Life (2017). Na de dood van haar zus nam Sankovitch (een Amerikaans historica) zich voor om een jaar lang elke dag één boek te lezen. Haar bibliomemoir is een verslag van wat ze in de ondertitel van haar boek haar 'Magical Year of Reading' noemt. Gedurende die twaalf maanden verslond ze de ene roman na de andere – niet om te ontsnappen aan de pijn van het rouwen, maar om die pijn beter te begrijpen en dichter bij haar verlies te komen (en bij degene die ze verloor). Bij de eveneens Amerikaanse Jill Bialosky (zelf een dichteres) staan niet romans, maar gedichten centraal. Ze bespreekt er een vijftigtal en duidt daarbij telkens hoe en wanneer de tekst haar hielp bij de confrontatie met lastige levenskwesties. De gedichten fungeren als richtingaanwijzers, zo staat op de achterflap van Bialosky's boek te lezen. Ze begeleiden haar bij momenten in haar leven waar ze het gevoel heeft zich op een dwingend kruispunt te bevinden: de dood van haar vader, de zelfdoding van haar zus, de geboorte van haar kinderen. De poëzie toont niet alleen de weg, ze helpen Bialosky ook om die weg tot de hare te maken.
Het duurt niet lang of ook in deze beide boeken wordt de troostende werking van literaire teksten aan de orde gesteld.  Bialosky vermeldt de troost van de poëzie in het voorwoord van haar boek al meteen twee keer: 'Poetry has given me more sustenance, meaning, joy, and consolation than I could hope for in this life' (xiv), schrijft ze eerst. Een halve pagina verder voegt ze daaraan toe: 'Poems were a source of comfort, once I discovered them'. (xv) 'A poem links us to a universe at once intimate and communal', schrijft Bialosky later in haar boek (46), en die ene zin geeft al heel wat weg. We vinden troost in de gedachte dat we niet alleen staan met ons verdriet. Maar die gedachte komt enkel binnen als we er ons persoonlijk en in onze meest intieme kwetsbaarheid voor openstellen.
Ook Sankovitch heeft het herhaaldelijk over de troostende effecten van lectuur: 'I was aching for that', schrijft ze, 'needing that comfort of reading and anticipating the pleasure of sitting down in my purple chair with a book and calling it work'. (33) De troost van de literatuur zit hier in het bieden van het vooruitzicht op een moment waarop de pijn en het verdriet draaglijk zullen worden. Troost en hoop gaan samen in ons denken: de troost van de literatuur zit wat dat betreft in het zichtbaar maken of openhouden van een hoopvol perspectief.
Lees hier deel 2 en hier deel 3 van dit essay.
Kwintessens
Jürgen Pieters doceert algemene literatuurwetenschap en praktijk van de kunst- en cultuurkritiek aan de Universiteit Gent. Hij publiceerde in 2021 'Literature and Consolation. Fictions of Comfort' (Edinburgh University Press) en 'Een boekje troost' (Borgerhoff & Lamberigts).
_Jürgen Pieters -
Meer van Jürgen Pieters

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws