5 februari 2026
Panorama van Aotearoa #3: Anoniem in de wind: vier straaticonen boven Transmission Gully
Johan Swinnen is onafhankelijk kunstexpert, curator en fotograaf, en een drijvende kracht achter diverse kunst- en cultuurinitiatieven binnen het Humanistisch Verbond. Tijdens een verblijf van drie maanden in Aotearoa/Nieuw-Zeeland trekt hij op roadtrip met een camper, op zoek naar hedendaagse vormen van humanisering en zingeving, in dialoog met Māori-wereldbeelden en de lokale cultuurpraktijk. Hij was er eerder in 1999, 2017 en 2022; zijn zoon woont en werkt er al meer dan tien jaar. In deze wekelijkse reeks brengt Swinnen geen reisverhaal, maar een scherpe kijk: wat een diverse samenleving zichtbaar maakt, hoe kunst en gemeenschap elkaar kneden, en welke vragen dat terugkaatst naar Vlaanderen.
Deze week reed ik naar een plek die zich niet als museum voordoet, maar als terrein waar kunst moet standhouden: Morgans Art Park, op Paekākāriki Hill Road bij Pāuatahanui, hoog boven Transmission Gully, de snelwegader waar het dagelijkse leven doorheen jaagt. Boven op de heuvel valt dat leven plots stil, alsof iemand zegt: wacht even, kijk nu eens. De Art Park Trail is een wandeling van een kleine vier kilometer, door regenererende native bush, over farmland, langs een golfpark. Sinds 2019 groeit het traject stap voor stap, alsof men het landschap niet bezit, maar ermee onderhandelt.
De claim is helder: sculpturen, speciaal voor deze plek gemaakt, groot genoeg om niet weg te vallen tegen heuvels en luchten, robuust genoeg voor het vaak wilde weer, vier seizoenen op één dag. In Aotearoa is buitenkunst een contract met wind, regen en zon die zich niets aantrekken van reputatie. Het park spreekt over een dialoog tussen verbeelding en natuur. Op goede momenten klopt dat. Toch blijf ik op mijn hoede: 'dialoog' is soms een mooi woord dat te zacht landt op harde verhoudingen.
Laat ons correct blijven: dit is in oorsprong een privédomein dat publiek wil worden. Gareth Morgan, econoom, filantroop en ondernemer in Wellington, bouwt hier een multimiljoenproject uit: grote werken op tientallen hectares, regenererend bos, een golf course van negen holes. Een reusachtige parkbank, een regenboogbrug, een club house waar muziek kan landen: het wil een bestemming zijn, geen wandeling. Het park is niet alleen een verzameling; het is een statement in ruimte.
Volgende week speelt Bret McKenzie in het clublokaal: de helft van Flight of the Conchords, medewinnaar van de Oscar voor Man or Muppet (The Muppets). In The Lord of the Rings dook hij kort op als elf in Rivendell. Het detail zegt vooral dit: muziek, film en kunst liggen hier dicht bij elkaar.
Morgan is bovendien een man van politieke interventie. In 2016 richtte hij The Opportunity Party op, TOP, een centrumpartij die zichzelf evidencebased noemt en zich 'in het midden' positioneert, als alternatief voor polarisatie. Dat klinkt aantrekkelijk voor wie moe is van slogans. Maar wie het midden claimt, claimt soms ook het alleenrecht op redelijkheid, alsof conflict vooral een storing is en niet soms de motor van geschiedenis.
Die gedachte hielp mij het park scherper te lezen. Een sculpture park is nooit neutraal. Dat geldt hier, en evenzeer voor het Middelheim in Antwerpen, hoe geliefd en 'publiek' ook. Elk pad is een keuze, elke zichtlijn een discours, elke sokkel een uitspraak. Welke kunstenaars krijgen plaats, in welke volgorde, met welke monumentaliteit, in welk gesprek met de canon? En wie blijft buiten beeld? In Middelheim lijkt natuur soms onschuldige achtergrond, maar het park is een geregisseerde ruimte: beleid, educatie, toerisme, sponsoring, en de stille ambitie om stedelijke identiteit via kunst te verankeren. Het verschil: daar is die ideologie historisch gegroeid en democratischer verpakt; hier ligt ze dichter op de huid van één initiatiefnemer, één visie, één portemonnee. In beide gevallen stuurt het landschap: het kadert en selecteert.
En toch: het werkt. Niet door brute schaal, maar door frictie. Het landschap wordt geen decor; het blijft baas. De kunst moet hier standhouden in wind en licht die geen ontzag kennen. Wie geruststelling zoekt, krijgt de bekende handtekeningen erbij, zacht meegefluisterd door het gras: Neil Dawson, Phil Price, Tamara Kvesitadze, Seung Yul Oh, Gillie en Marc. Namen die het oordeel bijna klaarleggen nog vóór u echt gekeken hebt.
Panorama van Aotearoa #3: Anoniem in de wind: vier straaticonen boven Transmission Gully
Precies daarom lag mijn scherpste moment niet bij een prestigewerk of een icoon dat selfies aantrekt. Het was een bescheidener, moreel preciezer werk: Wellington Street Artists, gemaakt door een anonieme kunstenaar. Ik merkte bij mezelf een bijna kinderlijk soort opluchting: eindelijk iets dat niet eerst toestemming vraagt aan reputatie, markt of biografie. Anoniem is hier geen tekort, maar een strategie. Het werk wil niet dat je naar de maker kijkt; het wil dat je naar de mensen kijkt.
Het gaat om vier straatfiguren die Wellington jarenlang kende als stadsritme: Kenny Bucket Man, Mike the Juggler en Blanket Man. Vier mannen die gedurende lange periodes een stuk downtown als thuis markeerden. Daar zit meteen de morele angel: op straat moet je je plek letterlijk maken, anders word je weggewist. Wie dat nooit heeft moeten doen, onderschat hoe fysiek het is: je bent je adres, je hoek, de vierkante meter waar men je nog tolereert.
Kenny, John Adams, maakte van Courtney Place zijn podium. Avondenlang zong hij The Gambler met versterker, tot de raad zijn amp afnam na klachten over 'rust' – vaak een stedelijk filter. Adams zweeg maanden en hield een bordje omhoog: 'Give my Amp back'; naar verluidt bracht stilte meer op dan muziek. Maar hij droeg ook een canon mee: voor munten reciteerde hij poëzie uit het hoofd, met een keuzelijst naast zijn gitaarcase (Shakespeare, Byron, Kipling, Wordsworth, Whittier, Longfellow). Cultuurbeleid op straat, met één voorwaarde: blijf even staan. Toen het geluid wegviel, bleef taal als laatste autonomie – geen romantiek, maar overleving met stijl.
Bucket Man, Robert Jones, trok twintig jaar lang overdag door Wellington en sliep 's nachts in een primitieve schuilplek op Tinakori Hill. Altijd bereid tot een kop thee, maar hulp wees hij consequent af. Dat wordt graag als romantiek verteld – handig, want dan zijn wij klaar. Vaak zit er schaamte, trots, trauma achter, of het besef dat 'hulp' voorwaarden heeft, soms vernederend. Jones stierf uiteindelijk in een goot. Toch kwamen honderden Wellingtonians naar zijn begrafenis: de stad die hem dagelijks passeerde, groette hem collectief. Hard en zacht in één adem.
Blanket Man, Ben Hana – lendendoek, deken, dreadlocks, hoofdtelefoon – werd een mythe en bleef juist daardoor onbeschermd. Er was ooit stabiliteit; later volgden straatleven, mentale ontregeling en alcohol. Zijn bijna-naaktheid duidde hij als religieuze observantie, als devotie voor Tama-nui-te-rā. Dat detail blijft precair: het kan geloof zijn, toe-eigening, of noodzaak, betekenis maken wanneer bescherming ontbreekt. Ben stierf in 2012. De stad hield het beeld vast; de werkelijkheid was ruwer.
Mike the Juggler, Mike Wahrlich, was bijna dertig jaar een vaste waarde op Wellingtons Golden Mile: glimlach, constant jongleren, en altijd bereid het voorbijgangers te leren. De straat als school, hij als leraar zonder loon. Hij stierf in een brand in 2023. Dat is geen voetnoot, maar het moment waarop je beseft dat straatcultuur verdwijnt zoals mensen verdwijnen: snel, en meestal zonder monument.
Waarom kies ik, tussen al die grote namen, precies voor dit anonieme werk? Omdat het niet om prestige draait, maar om erkenning. Omdat het de stad binnensmokkelt in een landschap dat anders te gemakkelijk een esthetisch reservaat wordt. Omdat het gemeenschap bouwt met namen, niet met slogans. Het zegt: dit waren mensen. Niet decor, niet probleem, niet folklore. Mensen.
En dan is er de grond onder dit alles. Battle Hill en Pāuatahanui zijn geen ansichtkaartwoorden. Hier liggen verhalen van land, conflict, onderhandelingen, eigendom en verlies in de bodemlaag. Whenua is in een Māori-wereldbeeld nooit zomaar grond; het is relatie, geheugen, verantwoordelijkheid. Wie hier kunst plaatst, schrijft mee in een verhaal dat ouder is dan het park en ouder dan onze behoefte om alles 'mooi' te maken. De heuvels rond Wellington zijn geen neutraal decor, ze zijn archief.
Toen ik terugreed en Transmission Gully weer onder mij doorschoof als een onvermijdelijke stroom van efficiëntie, bleef één woord hangen: anoniem. 'Anonieme kunstenaar', staat er. Je kunt er een naam op zetten, met cataloguswaarde en geruststelling. Maar precies het ontbreken van die naam maakt het werk scherp: niet 'we weten het niet', eerder 'we doen even niet mee'. Een kleine weigering, die harder binnenkomt dan menig monumentaal gebaar.
En toen kwam, heel even, een gedachte die ik niet eens als beschuldiging bedoel, maar als een zacht soort ironie die zich vanzelf aandient wanneer kunst en macht elkaar te dicht naderen: wat als die anonieme kunstenaar niet 'iemand' was, maar misschien, heel misschien, Gareth Morgan zelf? Ik zeg niet dat het zo is. Ik zeg alleen dat het idee op de terugweg een verrassend elegante sluitsteen werd. Stel u voor: de econoom die data en redelijkheid predikt, de filantroop die grond koopt om kunst te laten spreken, de politicus van het midden die 'honesty' als merk voert, en die dan, in stilte, zonder naam, het meest menselijke werk van het hele park zou hebben gemaakt. Dat zou pas een statement zijn. En voor mij, als provenance-researcher, is dat een heerlijk lastig detail: hoe noteer je een maker die er juist alles aan doet om níét genoteerd te worden, maar die je toch in elke lijn van het werk blijft vermoeden?
Heel even drong zich dan nóg een gedachte op, opnieuw geen beschuldiging, maar een Antwerps gedachte-experiment met veel lawaai: stel dat cultuurschepen Lien Van de Kelder 's nachts een persoonlijk werk in het Middelheim plaatst, herkomst: anoniem. Geen commissie, geen catalogusfiche, geen opening – enkel een sokkel die er gisteren niet stond en vandaag wel. U hoort het koor al: de ene helft roept 'deontologie', 'belangenvermenging', 'schande'; de andere helft prijst plots, met grote ernst, spel, vrijheid en 'artistieke interventie'. En het debat gaat dan niet over vorm, spanning of ruimtelijke werking, maar over de naam: wie mag in Antwerpen onzichtbaar zijn, en wie nooit?
Misschien is dat de lakmoesproef voor een park dat publiek wil zijn: niet of het indrukwekkend is – dat is het – en niet of het groot genoeg is – dat ook. Maar of het, tussen kraanwerken en grote namen, ruimte laat voor iets dat niet te koop is: een ethiek van aandacht. Aandacht die de marge niet wegpoetst, maar haar een plek geeft in het hart van de stad – en, opvallend genoeg, ook op een heuvel.