17 maart 2026
Panorama van Aotearoa #8: Māori en atheïst. Een open deur in Hastings
Een bijzonder nieuw verhaal in Panorama van Aotearoa: Johan Swinnen in gesprek met Māori-kunstenaar en atheïst Eru Hiko-Tahuri. Een zeldzaam interview over identiteit, ritueel, gemeenschap, vrij denken en menselijke waardigheid. Een sterke blog voor wie humanisme niet abstract wil houden, maar wil toetsen aan de levende werkelijkheid van vandaag.
Ik hoefde niet aan te bellen. De deur stond open.
Dat beeld klopte meteen. Niet omdat ik er per se een groot symbool van wil maken, maar omdat het gewoon juist was: met de man, met het huis, met de toon van de middag. Kom binnen. Geen ceremonie, geen façade, geen gedoe. Wie gevormd is in Brussel en Parijs leest al snel tekens, met Barthes nog ergens in het achterhoofd. Maar soms is een open deur gewoon een open deur. En precies dat maakte het sterk.
We waren in Hastings, in een jonge wijk. Nieuwe straten, jonge bomen, huizen die nog bezig zijn zich in het landschap te nestelen. Geen ansichtkaart-Aotearoa, geen ingekaderde folklore, geen decor voor toeristische projecties. Gewoon leven. En dat paste perfect. Wie hier alleen het mythische Nieuw-Zeeland zoekt, mist vaak het echte.
Eru Hiko-Tahuri ontving ons niet, hij begroette ons. Meteen stelde hij ons voor aan zijn twee zonen. Warm, vanzelfsprekend, zonder theater. Familie eerst. Geen slogan, maar praktijk. In de woonkamer hingen zijn schilderijen. Vogels als kākāpō, hoiho, huia en rowi uit Nieuw-Zeeland – herkenbaar en toch niet illustratief – en portretten, met die merkwaardige spanning tussen nabijheid en stilering. In mijn portretfoto van hem staat hij hier niet voor wat decoratief werk, maar voor een geschilderde wereld die terugkijkt. De figuren achter hem lijken voorouders, dubbelgangers of wachters: niet folkloristisch, wel geladen. Met hun hoeden en brillen verbinden ze traditie aan ironie, geheugen aan verbeelding. Zo wordt de achtergrond hier geen decor, maar een tweede stem. Alsof dit portret wil zeggen: een mens komt nooit alleen in beeld. Ik wist meteen: dit is iemand die niet alleen denkt en spreekt, maar ook kijkt. En wie kijkt, schildert anders. Ik vertrouw al een leven lang op dat trage, kunsthistorische instinct dat zegt dat een huis waar portretten hangen bijna altijd een huis is dat gelooft in mensen. Niet in abstracties, niet in slogans, maar in gezichten.
Panorama van Aotearoa #8: Māori en atheïst. Een open deur in Hastings
Eru is een vrijdenker met wortels, iemand die zijn cultuur niet verraadt, maar haar juist ernstiger neemt dan wie haar tot dogma reduceert. Hij is radiomaker, schrijver, muzikant en kunstenaar. Maar vooral: hij is iemand die zijn positie niet abstraheert. Nog voor het gesprek goed begon, zette hij zorgvuldig zijn opnameapparatuur klaar. Professioneel, precies. Niet uit wantrouwen, maar uit respect voor het woord. Dat detail zei al genoeg.
Hij werd bekend met het boek Māori Boy Atheist uit 2015. Alleen al die titel liep niet bepaald op kousenvoeten door het landschap. Maar de betekenis van dat boek zit niet in het effectbejag. Het veroorzaakte een rimpeling in een vijver waarin men zich iets te graag spiegelde als harmonieuze gemeenschap zonder barsten. Het maakte zichtbaar wat men liever onzichtbaar houdt: dat je tegelijk diep Māori kunt zijn en toch niets moet hebben van God, geesten of andere bovennatuurlijke administratie. Dat is geen voetnoot. Dat is dynamiet in vertraagde ontploffing. Eru is voor mij een bezieler zonder altaar: diep geworteld in zijn Māori-wereld, maar te eerlijk om zich nog te onderwerpen aan het bovennatuurlijke.
Eru's boek volgt zijn weg van religieus geloof naar atheïsme, al is 'weg' bijna te netjes geformuleerd. Alsof hij met een rugzakje en wat innerlijke frisheid een overtuigingspad bewandelde. Nee, het ging over schuring, over tegenwind, over de maatschappelijke druk die je over je heen krijgt zodra je in een religieus geoliede omgeving zegt: tot hier en niet verder, ik geloof het niet meer. Dat is geen vrijblijvende intellectuele oefening. Dat is jezelf blootstellen. En precies daarom heeft zijn stem gewicht.
Niet omdat hij zo nodig wilde provoceren. Integendeel. Hij deed iets veel gevaarlijkers: hij was eerlijk. Hij schreef zich een plaats toe op een snijvlak waar velen liever zwijgen, uit schroom, uit beleefdheid of uit angst om als verrader van de groep te worden gezien. Maar Eru weigerde dat toneel mee te spelen. Hij maakt duidelijk dat seculiere Māori geen vergissing in de marge zijn, maar een werkelijkheid waar dringend meer ruimte en aanvaarding voor nodig is.
Tegelijk houdt hij vast aan het belang van een culturele renaissance. Tradities moeten leven, maar dan wel als echte praktijk, niet als opgepoetste etalage vol eerbiedige clichés of als folkloristisch museumstuk voor toeristen met goede wandelschoenen. Authenticiteit en respect zijn bij hem geen holle termen voor op een subsidieformulier. Het betekent: wees eerlijk over wie je bent, cultureel én persoonlijk, en kruip niet terug in de kast omdat anderen ongemakkelijk worden van jouw overtuiging.
Wat in het gesprek nog scherper naar voren kwam dan in om het even welke samenvatting, was zijn radiowerk. Dat was geen randdetail, dat was de motor. Geen abstracte mediafiguur, geen beroepsbabbelaar met microfoon en ego, maar een man van de dagelijkse praktijk. Lokale radio. In het Māori. Als deel van taalrevitalisering. Dat is geen symbolische geste voor de sier, dat is werk met ruggengraat. Politiek, economie, wereldnieuws: alles kan aan bod komen, maar de taal blijft Māori. En daarin zit de kern. Niet alleen wat hij zegt telt, maar de taal waarin hij het zegt. De taal zelf is hier geen decor, maar daad. Hij verdedigt geen identiteit vanop afstand. Hij leeft erin.
En ja, hij poseerde ook zonder enige reserve voor mijn camera. Trots, waardig, meewerkend, zonder sociaal gedoe of omwegen. Als interviewer en fotograaf weet ik hoe vaak je eerst door lagen beleefdheid en zelfbewustzijn moet breken voor er iets echts verschijnt. Hier niet. Ik hoefde niets los te wrikken. Het vertrouwen was er meteen. De deur stond open, letterlijk en figuurlijk. Daardoor zat het gesprek vanaf het eerste moment juist: geen rolspel, geen auditie, maar een ontmoeting.
Zijn Māori-tatoeages troffen me ook. Niet als versiering, maar als betekenisdragende tekens, verbonden met genealogie en levensloop. In Europa kijken we vaak te snel naar vorm. Hier voelde je meteen dat betekenis vooropstaat. Sommige tekens lees je niet. Je ontmoet ze.
Waarover spraken we? Over een vraag die tegelijk persoonlijk, cultureel en politiek is: hoe leef je als Māori én atheïst, zonder je wortels op te geven, zonder je verstand op te bergen, zonder je gemeenschap te verraden? Dat lijkt een nichevraag. Dat is het niet. Het raakt aan iets veel breders: hoe blijf je trouw aan je afkomst én vrij in je denken?
Eru's antwoord is niet theoretisch. Het is geleefd. Hij schreef zijn boek niet om een beweging te stichten, en al helemaal niet om anderen te bekeren. Hij schreef het omdat hij nauwelijks voorbeelden vond van mensen die openlijk Māori én atheïst waren. Hij zocht. Hij vond bijna niets. Dus schreef hij zelf. Niet als heroïek, eerder als document. Als spoor. Als een vorm van waarachtigheid.
De diepste reden lag nog dichter bij huis. Hij vertelde hoe op een begrafenis de overtuigingen van een overledene achteraf religieus werden ingekleurd, alsof een leven alsnog in een passend ceremonieel verhaal moest worden geduwd. Dat wilde hij zijn kinderen niet aandoen. Hij schreef dus ook om iets exacts na te laten: dit ben ik, dit geloof ik niet, dit is mijn positie. Zodat later niemand voor hem hoeft te spreken. Dat was een van de sterkste momenten van de middag: een vader die zijn kinderen geen misverstand wil nalaten.
Over het schrijfproces sprak hij zonder pose. Een kort boek, zei hij, maar traag geschreven: ongeveer anderhalf jaar werk. Dat klonk niet als zelfverheffing, maar als ambacht. Sommige teksten mogen niet snel. Juist omdat ze lang blijven nazinderen.
Een sleutelwoord in het gesprek was whanaungatanga: verbondenheid, verwantschap, relationele verantwoordelijkheid. Eru verbindt dat vanzelfsprekend met waardigheid, zorg en empathie. Eerst de mens. Eerst de relatie. Dat ligt dichter bij humanistische uitgangspunten dan men op het eerste gezicht zou denken.
Maar er is spanning. Reële spanning. Op een bepaald moment zei hij bijna droog: culturally, we live in two worlds. Niet dramatisch, wel precies. Hij werkt in het publieke domein, in de radio. Tegelijk heeft hij verantwoordelijkheden tegenover zijn iwi, zijn gemeenschap, zijn mensen. Op de marae spreekt hij, verwelkomt hij, neemt hij rollen op. Dit is geen buitenstaander die vanaf de zijlijn kritiek levert. Hij draagt de cultuur mee. Juist daarom is zijn onderscheid tussen cultuur en bovennatuurlijk geloof geloofwaardig.
Hij beschreef hoe religieuze taal en rituelen in Māori-contexten vervlochten zijn met sociale en familiale praktijken, vooral bij rouw. Op de marae wordt niet alleen een ceremonie gehouden; er wordt samen geleefd met verlies: blijven, koken, zingen, huilen, verhalen vertellen. Dicht op elkaar. Dicht op de dode. Dat is een rijke, relationele vorm van rouw.
En net daar zit voor hem de spanning. Hij wil voluit deelnemen aan die culturele en familiale vormen, maar niet doen alsof hij de bovennatuurlijke laag deelt. Wanneer religieuze momenten opduiken, blijft hij respectvol aanwezig, maar hij speelt geen toneel. Dat is een integere positie: geen provocatie, geen schijn, wel helderheid.
Het gesprek leverde daar een scherp voorbeeld voor. Door zijn leeftijd, zichtbare Māori-identiteit en taalkennis wordt hij in bijeenkomsten vaak automatisch geacht de opening te doen: gebed, karakia, rituele start. Men ziet hem binnenkomen en de rol lijkt al verdeeld. Hij vertelde dat bijna achteloos, zonder retoriek. Niet met woede, eerder met vermoeidheid. Altijd opnieuw uitleggen. Dat is vaak de echte last: niet de grote botsing, maar de eindeloze herhaling van een verwachting die niet de jouwe is.
Nog preciezer was wat hij zei over zijn houding op zulke momenten. Wanneer er gebeden wordt, blijft hij stil. Hij verstoort niets, maakt geen scène, maar hij staat ook niet mee recht omdat het zo hoort. In zijn boek noemt hij dat zijn eerste vorm van protest. Een kleine zin, maar een sterke. Respect zonder simulatie. Aanwezigheid zonder onderwerping.
Dan die andere, harde zin die hij meer dan eens te horen kreeg: je bent geen Māori als je dit niet gelooft. Daar wordt geloof dus een douanepost voor identiteit. Dat mechanisme kennen we ook elders. Altijd hetzelfde procédé: wie afwijkt, wordt minder echt verklaard.
Opvallend was zijn analyse van die reactie. Niet in de eerste plaats haat, zei hij, maar angst. Een fear response. Mensen zien iemand die in alle zichtbare opzichten Māori is – taal, lichaam, rol, aanwezigheid – en horen dan dat hij het bovennatuurlijke niet deelt. Dat ontregelt. Die analyse is sterk juist omdat ze morele luiheid vermijdt.
Hij maakte ook een sociologisch interessante nuance. Vaak zijn het jongere generaties die sterker bewaken en afbakenen, mee vanuit een begrijpelijke drang om cultuur te beschermen in tijden van herwaardering. Ouderen reageren volgens hem vaker met teleurstelling dan met strijd. Dat onderscheid maakt zijn verhaal rijker. Minder slogan, meer observatie.
Zijn toon bleef intussen opvallend licht. Er zit humor in zijn manier van spreken. Hij lachte om reacties van mensen die bij het verschijnen van het boek eerst wilden weten of zijzelf erin voorkwamen. Ze lazen niet voor het idee, maar voor de spiegel. Heerlijk menselijk. Hij zei ook, met droge zelfkennis, dat velen hem altijd al een beetje raar vonden. Dat soort humor schept vertrouwen.
Veel Māori-seculieren blijven intussen stil of onzichtbaar. Niet uit lafheid, maar uit voorzichtigheid. De vraag hoe je dit aan ouders of familie vertelt, is reëel. Wie dat te licht opneemt, begrijpt weinig van binding. Na de publicatie was er stilte, zei hij. En hij las die stilte cultureel: soms is zwijgen de vorm van teleurstelling. Maar er waren ook discrete reacties: telefoons, berichten, stille dankbaarheid. Mensen die zeiden: dit denk ik ook, maar ik durf het niet publiek te zeggen. Zulke reacties zijn zelden zichtbaar, maar maatschappelijk vaak belangrijker dan luid applaus. Dan verschuift er iets. Dan ontstaat er ruimte.
Een neef uit een sterk religieuze context belde hem zelfs om te zeggen dat hij zich in het boek herkende. Dat vond ik een kernmoment. Niet omdat iemand gewonnen heeft, maar omdat taal hier herkenning mogelijk maakt. Iemand krijgt woorden voor wat hij al voelde.
Familie bleef de onderlaag van alles. Eru mijdt bijeenkomsten niet. Hij gaat. Omdat familie familie is. Hij gaf het voorbeeld van een feest waar meerdere neven religieuze gewaden droegen, terwijl hij zelf die geloofslaag niet deelt. En toch was er contact, gesprek, nabijheid. Het verschil werd niet ontkend, maar ondergeschikt gemaakt aan de relatie. Dat is een volwassen vorm van samenleven waar wij in Europa, met onze hobby om alles meteen ideologisch te verharden, nog iets van kunnen leren.
We spraken ook over zijn intellectuele weg. Over opgroeien in een religieus kader waarin christelijke en oudere Māori-opvattingen door elkaar liepen. Over lezen, vergelijken, onderzoeken. Over langzaam loskomen van bovennatuurlijk geloof. Namen zoals Joseph Campbell passeren dan, niet als intellectuele trofeeën, maar als werkmateriaal in een persoonlijke denkoefening.
Wat me daar trof, was zijn methodologische eerlijkheid. Als je één geloofssysteem kritisch onderzoekt, moet je ook de andere onderzoeken – ook dat van je eigen gemeenschap. Anders ben je niet eerlijk. Dat is tegelijk academisch streng en existentieel moedig.
Zijn lezing van mythologie is daarin bijzonder vruchtbaar. Hij spreekt met respect over Māori-scheppingsverhalen, maar leest ze niet letterlijk. Hun kracht zit voor hem in relationele betekenis: hoe mens, natuur en gemeenschap met elkaar verbonden worden. Niet in empirische waarheid. Dat is een volwassen onderscheid. Mythen kunnen cultureel waar zijn zonder wetenschappelijk letterlijk te zijn.
Een van de scherpste passages ging over instellingen. Eru vertelde over een ervaring in de hulpverlening. Hij zocht steun bij een counselor. Nog voor er vertrouwen was opgebouwd, werd een karakia verondersteld, want zo stond het in het handboek. Toen hij aangaf dat hij dat niet wilde, werd dat niet echt gehoord. Hij deed uiteindelijk mee, zei hij, vooral om de counselor gerust te stellen.
Dat is een klein verhaal met grote betekenis. Hier zie je hoe inclusie, zodra ze protocol wordt zonder nuance, kan omslaan in uitsluiting. Men wil cultureel correct handelen, maar vergeet de variatie binnen de groep. In beleidsjargon: een script dat de interne pluraliteit niet herkent. In menselijke termen: iemand wordt niet gezien. En nog erger: die ervaring tastte zijn bereidheid aan om later opnieuw hulp te zoeken. Dat is institutionele schade. Juist omdat ze zo vaak onzichtbaar blijft, is ze ernstig.
En toch bleef het gesprek licht van toon. Geen slachtofferregister. Geen verbittering. Wel precisie, humor en verantwoordelijkheid. Zijn zonen bewogen af en toe door het huis, de recorder liep, de schilderijen keken mee. Het was een gesprek met gewicht, maar zonder lood.
Op een bepaald moment vroeg hij mij hoe het er bij atheïsten in Vlaanderen aan toegaat. Hoe wordt dat geleefd? Hoe werkt dat binnen families? Leidt het tot conflict, of blijft het eerder stil en impliciet? Ik moest glimlachen en antwoordde dat wij Europeanen er soms zelfs in slagen onze vrijzinnigheid in commissies, raden en structuren te organiseren. Hij lachte mee. Precies daarin zat de schoonheid van dat moment: wederzijdse herkenning, zonder dat iemand de ander hoefde te worden.
Wat mij vooral bijblijft, is zijn manier van spreken. Rustig. Geen pamflet. Wel vuur, maar geen haat. Hij luistert eerst, spreekt daarna. Hoe langer ik in Aotearoa reis, hoe meer ik dat als een kwaliteit herken. In Vlaanderen zouden we daar gerust een verplichte bijscholing van kunnen maken.
Aan het einde van ons gesprek bracht hij het terug tot de essentie:
Being a good person.
Be yourself.
Care about people.
Keep going.
Being a good person.
Be yourself.
Care about people.
Keep going.
Geen grote theorie. Geen zuiverheidsleer. Geen ideologische gymnastiek.
Ik nam die woorden mee naar buiten, de jonge straat in, langs de kleine bomen en de huizen die nog niet helemaal in het landschap liggen. En als je daar met een veel te grote camper voorzichtig een bocht neemt, leer je vanzelf iets over proportie. Je denkt al snel minder in grote gebaren.
Misschien is dat de les van die middag in Hastings. Niet Māori versus atheïst. Wel deze vraag: hoe blijf je jezelf zonder de band met anderen te breken?
Eru Hiko-Tahuri toont dat het kan. Niet zonder spanning. Niet zonder frictie. Maar wel met humor, met familie, met kunst aan de muur en met een open deur.
Misschien is dat uiteindelijk waarom dit gesprek blijft nazinderen. Omdat het niet alleen over geloof of ongeloof ging, maar over vorm. Over hoe je aanwezig bent in een gemeenschap. Over hoe je verschil draagt zonder theater. Over hoe je trouw kunt zijn aan je geweten én aan je mensen. Eru is een man die de taal dient zonder voor de dogma's te knielen.
En ja, de semioticus in mij ziet daar nog altijd tekens in. Dat raak je na een leven van kijken niet meer kwijt. Maar zelfs zonder Barthes is het helder genoeg.
De deur stond open. En het gesprek ook.