1 juni 2026
Panorama van Aotearoa #16: Hannah Arendt in Whangamōmona. Republiek te koop, vrijheid inbegrepen
Ik stond daar dus echt. In Whangamōmona. Niet aan een zwaar bewaakte grens. Niet voor een parlement. Niet onder een vlag die met sacrale ernst door de wereldorde was goedgekeurd. Maar in een dorp op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland dat zich in 1989 tot republiek uitriep, omdat de staat het administratief had ondergebracht op een plaats waar het zichzelf niet in herkende. De bureaucratie dacht in kaarten, stroomgebieden, regio’s en nette lijnen. Het dorp dacht: wij rijden naar Stratford, wij leven richting Taranaki, en laat de heren met hun dossiers vooral niet te snel geloven dat een kaart slimmer is dan een mens.
Ik moest daarbij onweerstaanbaar ook aan mijn heimat Loksbergen denken. Daar werd in de jaren zestig een volksraadpleging gehouden over de aanhechting bij Halen. In mei 1963 sprak de bevolking van Loksbergen zich in een volksraadpleging met praktisch algemene stemmen uit tegen de aanhechting bij Halen. Toch werd de fusie van bovenaf doorgedrukt en trad zij in werking op 1 januari 1964. De CVP-staat had beslist, dus het dorp had zich maar te voegen.
Achteraf bekeken is het bijna jammer dat Loksbergen toen niet dezelfde verbeelding heeft gehad als Whangamōmona. Het had zich met evenveel recht kunnen uitroepen tot ‘Republiek Loksbergen’. Met een dorpscafé als ministerie, een veldkapel als senaat en een jaarlijkse optocht waarin men de bestuurlijke redelijkheid met enige zwier en een pint in de hand ten grave droeg.
Misschien raakt mij dat thema ook daarom zo direct. In Loksbergen liep de plaatselijke geschiedenis niet alleen door de straat, maar ook door de familie. Mijn vader was daar voorzitter van de fanfare Sint-Andreas, dus hij kende het dorp niet als stip op een kaart, maar als klank, adem en gemeenschap. En ergens in de familiekring bewoog zich ook nog het lokaal gezag zelf, met een grootoom die burgemeester was. Voor sommigen is een fusie een dossier. Voor anderen is zij een ingreep in een leefwereld. Een fanfare, een dorpsplein, een stem, een naam, een gewoonte: dat alles laat zich nu eenmaal niet netjes opvouwen in een administratief schema zonder dat er iets van de ziel verloren gaat.
En zo werd daar, tussen koppigheid, lokaal geheugen en een hotel, een republiek geboren. Niet met kanonnen. Niet met barricaden. Niet met een manifest dat eerst zeven commissies moest passeren. Maar met humeur, theater en dorpsverstand. Misschien trof mij dat nog het meest: hier was de republiek geen betonblok van ernst, maar een levend ding. Een lach met tanden. Een feest met geheugen. Een klein politiek mirakel in werkmansschoenen.
De liefde voor een republiek is zelden alleen liefde voor een staatsvorm. Bij Cicero is zij verbonden met waardigheid en plicht, bij Machiavelli met waakzame burgerlijke vrijheid.
Maar bij Hannah Arendt krijgt zij haar meest levende vorm: als liefde voor de publieke ruimte zelf, voor dat kostbare domein waarin mensen in een gedeelde wereld vrij kunnen spreken, handelen en voor elkaar zichtbaar worden. Vrijheid is daar geen bezit, maar een gebeurtenis tussen burgers. De republiek is dan niet alleen een regime, maar een oefening in pluraliteit, verantwoordelijkheid en beginvermogen.
Misschien raakte Whangamōmona mij juist daarom. Niet alleen als grap of folklore, maar als klein republikeins toneel waarin vrijheid nog even iets menselijks, iets gezamenlijks en iets vrolijk onvoorspelbaars mocht zijn.
En zoals in elke ernstige republiek is ook de opvolging van het hoogste ambt verzekerd, zij het zonder overdreven eerbied voor de menselijke soort. In het verleden kon de president daar ook gewoon een dier zijn. Een geit. Een poedel. Nog wat ander pluimvee en pluizigheid passeerden eveneens langs het hoogste ambt. Alleen al daarom verdient Whangamōmona een voetnoot in elk handboek politieke filosofie. Natuurlijk is het geestig. Maar ook hier is de grap slimmer dan ze lijkt. Men maakt zichtbaar wat elders angstvallig onder protocoltapijt wordt geveegd: dat macht altijd iets van theater heeft. Dat waardigheid vaak voor de helft uit decor bestaat. Dat de afstand tussen een staatshoofd en een mascotte in sommige landen kleiner is dan men officieel wenst toe te geven.
Er hing in dat dorp ook iets van een oude, open, licht anarchistische geest. Niet de zure variant die eerst alles wil afbreken en daarna verbijsterd naar de puinhoop kijkt, maar een lichtere onderstroom waarin verbeelding nog even aan de macht mocht blijven. Ik voelde daar, tot mijn eigen lichte schaamte, een verre echo van mijn jeugd. De scholier in mij, ooit kortstondig en met meer vuur dan inzicht door maoïstische dampen beneveld, spitste even de oren. ‘Lénine, reviens’, flitste het door mij heen – een oude, licht versleten echo uit 1968, uit de tijd dat zelfs mislukte revolutiedromen nog een republikeinse kern droegen: het verlangen naar een wereld van burgers, niet van onderhorigen. Waarna ik meteen om mezelf moest lachen. Want als dit al een revolutie was, dan een die ik op mijn leeftijd zonder enig bezwaar kon steunen: met een paspoort uit het hotel, een T-shirt in de tas en een voorzitter – man, vrouw of dier – die meer politieke charme uitstraalde dan de doctrinair verstarde beroepsleiders van Amada uit mijn scholierenjaren. Eerder een vrolijke volksrepubliek dan een doctrinaire: minder Rode Boekje, meer bal populaire.
Panorama van Aotearoa #16: Hannah Arendt in Whangamōmona. Republiek te koop, vrijheid inbegrepen
Zoals elke zichzelf respecterende republiek beschikte ook deze over haar instellingen. In dit geval: het hotel. Daar kocht ik een paspoort. En een T-shirt. Want zelfs de ongehoorzaamheid weet intussen dat merchandising geen verraad is, maar een efficiënte manier om de lichten brandend te houden. Dat hotel is niet zomaar een pub. Het is loket, decor, geheugen, raadhuis, folkloremachine en dorpshart tegelijk. Een republiek in zakformaat, met bierpomp. Dat de opbrengst naar de plaatselijke lagere school gaat, vervolledigt het geheel: zelfs de folklore blijkt hier nog een keurige publieke functie te hebben.
En het staat ook nog te koop, of stond zeer recent onder contract. Ook dat heeft iets verrukkelijks. Zelfs de tegendraadsheid blijkt uiteindelijk verhandelbaar. Vrijheid, maar dan met koopakte. Revolutie, maar dan met vastgoedmakelaar en een mogelijk lek dak. Men kan dus, in theorie, het kloppend hart van een republiek verwerven: loket, toog, geheugen, folklore en staatsparodie inbegrepen. Onvermijdelijk dringt zich dan een licht venijnige vraag op: wie in Vlaanderen voelt zich geroepen? Welke zelfverklaarde republikein, welke confederalist met weekendtas, welke militant met vlag in de kast en bestuursmoeheid in het hoofd, welke burgemeester op rust met heimwee naar gezag, welke ondernemer met te veel cash en te weinig ironie, welke cultuurpaus met een zwak voor symboliek en streekbier, zou hier niet in de verleiding komen?
Die kleine symbolische economie doet intussen wel iets wat veel grote politiek niet meer kan. Ze laat nog zien waar het geld naartoe gaat. Naar het dorp. Naar het feest. Naar de gemeenschap. Naar de infrastructuur van een plek die weinig heeft behalve karakter, herinnering en een gezonde afkeer van opgelegd fatsoen. Dat is misschien bescheiden, maar ook ontroerend. In een tijd waarin politiek vaak oplost in systemen, dashboards en kleurloze presentaties, is het bijna ontregelend om nog eens iets te zien dat recht in het dorpsleven terugvloeit.
Whangamōmona viert zijn tegendraadsheid ook niet met witte papers of strategische visies, maar met iets veel intelligenters: een georganiseerde Franse slag. Men krijgt er dierenshow, schapenrace, dorpsvermaak en iets dat qua geest dicht in de buurt komt van een bal populaire. ‘Republic Day’ zweeft daar tussen kermis, ritueel verzet en staatsparodie. En precies daarin zit de schoonheid. Men maakt van onvrede geen doctrine, maar een feest. Geen ideologische kramp, maar een collectieve knipoog. Geen hoogmis van rancune, maar een republiek die weet dat vrijheid ook moet kunnen dansen.
Daar, ergens tussen die schapen, pinten en rituelen, dacht ik plots ook aan dat andere republikeinse beeld: de vrouw van Delacroix, borst vooruit, vlag in de hand, de revolutie op haar heupen gedragen alsof vrijheid niet alleen een idee was, maar ook een lichaam. ‘Liberty Leading the People’, maar dan hier in de Nieuw-Zeelandse versie: geen barricade in Parijs, wel een dorpsstraat, een hotel, een stempel, een geit en een volk dat weigert zich volledig in een schema te laten stoppen. Ook hier dus iets van die oude republikeinse verbeelding: vrijheid als een levende figuur, niet preuts, niet proper, niet netjes in het gelid, maar schaamteloos aanwezig. Een republiek mag best wat huid tonen. Ze hoeft niet altijd in maatpak.
Als fotograaf vond ik die plek daarom veel interessanter dan men op het eerste gezicht zou denken. Want hoe fotografeer je een republiek die niet officieel bestaat en toch zichtbaar functioneert? Niet door haar te bewijzen, maar door haar tekens ernstig genoeg te nemen. Een bord langs de weg wordt een grens. Het hotel wordt een ministerie. Een paspoort wordt een miniatuurgrondwet. Een T-shirt wordt ideologie in katoen. Een verkiezing met een geit of een poedel wordt een les in de performatieve aard van macht. Ik stond daar dus niet zomaar een dorp te fotograferen. Ik fotografeerde de parameters van een idee: grens, ritueel, embleem, gemeenschap, landschap, absurditeit. Een republiek laat zich niet rechtstreeks vastleggen. Men fotografeert haar mise-en-scène. Misschien geldt dat trouwens ook voor veel erkende staten, alleen hebben die doorgaans minder gevoel voor beeldhumor en slechtere cafés.
Ik geef toe: ook ik stond daar met de nodige zelfrelativering. Kunsthistoricus, emeritus, reiziger, serieuze man met een paspoort van een niet-bestaande republiek in de hand en een T-shirt als tastbaar bewijs dat ironie soms gewoon in maat XL verkrijgbaar is. Men mag op latere leeftijd slechtere vormen van ideologische ontsporing meemaken. Maar precies dat beviel mij. Niet elke gedachte hoeft eerst te worden drooggeblazen in een conferentiezaal. Soms mag een politiek inzicht door het café passeren. Vaak komt het daar zelfs intelligenter buiten.
En toen dacht ik natuurlijk aan Vlaanderen. Hoe kan het ook anders. Aan onze gave om alles wat met identiteit, bestuur, symbolen en bevoegdheden te maken heeft ogenblikkelijk loodzwaar te maken. Aan onze eindeloze zucht over Brussel. Over regels die elders bedacht zijn. Over kaarten die het terrein niet begrijpen. Over instellingen die zich met veel aplomb over het leven buigen, maar er zelden nog met hun voeten in staan.
Ook Vlaanderen heeft een republikeinse onderstroom. Niet alleen rechts, waar militanten al decennia dromen van meer autonomie, confederalisme of een eigen republikeinse vorm, meestal met vlag, canon en historische grieven in de aanslag. Ook links kent die onderstroom. Daar leeft ze als wantrouwen tegenover de federale staat als machine van afstand. Als afkeer van technocratie. Als voorkeur voor coöperatieven, burgerplatformen, commons, cultuurhuizen en lokaal bestuur op mensenmaat. Rechts wil vaak een republiek van identiteit. Links droomt geregeld van een republiek van burgers. Beide wantrouwen, hoezeer ze elkaar ook verachten, dezelfde logge tussenlaag.
Wat mij in Whangamōmona trof, was dat men van die onderstroom geen drassig dossier had gemaakt, maar een feest. Geen communautaire koortsdroom, maar een republikeinse kermis. Geen catechismus, maar een schapenrace. Geen verongelijkt debatpanel, maar een bal populaire. Geen stapel verklaringen, maar een hotel met een stempel. En ik geef toe: daar zat ook jaloezie in. Konden wij dat ook maar eens. Niet altijd meteen de historische lotsbestemming. Niet altijd de gekwetste toon. Niet altijd de gebruikelijke mannen die op televisie kijken alsof zij persoonlijk de beschaving hebben uitgevonden en haar nu nog eens met zichtbare tegenzin mogen uitleggen, alsof stijl alleen al een grondwet is. Maar af en toe gewoon een republiek van één dag. Met een goed café. Een dierenshow. Een paspoort voor de grap. Een T-shirt voor de kas. En voldoende zelfvertrouwen om te tonen dat men iets ernstig neemt zonder er een nationale zenuwinzinking van te maken.
Juist daarom kreeg dat dorp voor mij ook een politieke schaduw. Want wie vandaag met een republiek in een hotel wil lachen, doet er goed aan eerst even de wereldkaart open te vouwen. Taiwan. Gaza. Libanon. Oekraïne. Kosovo. Cyprus. Armenië en Azerbeidzjan. Somaliland. Transnistrië. Westelijke Sahara. Overal zijn grenzen nog altijd plaatsen waar macht, angst, geschiedenis en krenking samenklitten. Juist daarom is Whangamōmona zo interessant: daar mag soevereiniteit nog eens optreden als dorpskomedie, terwijl zij elders opnieuw als tragedie wordt opgevoerd.
Natuurlijk moet men die Nieuw-Zeelandse republiek niet goedkoop gelijkstellen met echte conflictgebieden. Dat zou lui en oneerlijk zijn. Maar men mag er wel dit uit leren: politieke identiteit leeft niet alleen van wet en geweld, maar ook van ritueel, verhaal, herhaling en vrijwillige instemming. Staten vergeten graag dat mensen zich niet eindeloos laten hertekenen zonder weerstand, al is die weerstand soms vermomd als folklore, dorpskermis of presidentiële geit.
Misschien is dat uiteindelijk de ware les van Whangamōmona. Dat geen enkele staat zo ernstig mag worden dat hij geen plaats meer laat voor lokale koppigheid, vrolijke blasfemie en de menselijke behoefte om af en toe tegen de kaart te zeggen dat zij niet het laatste woord heeft. Of nog eenvoudiger: dat vrijheid soms begint waar een dorp besluit niet gehoorzaam, maar levendig te zijn. Hannah Arendt wist dat beter dan de meeste politieke denkers: vrijheid is niet alleen een recht dat men bezit, maar iets wat tussen mensen gebeurt, in een gedeelde ruimte waar men spreekt, handelt, verschijnt en desnoods ook een beetje stoort. In die zin is een republiek niet alleen een staatsvorm, maar een oefening in pluraliteit, initiatief en publieke levendigheid.
Ik kwam er dus weg met foto’s, een paspoort en een T-shirt. Dat klinkt niet als de buit van een staatsrechtelijk denker, eerder als die van een licht verdwaalde toerist met intellectuele neigingen. Maar misschien is dat precies de les. Grote politieke inzichten verschijnen zelden in hun plechtigste vorm. Soms huizen ze in een hotel langs een vergeten weg. Tussen een stempel, een geit, een bal populaire, een Tsjechische nepambassade en een gemeenschap die met zichtbaar plezier tegen de bureaucratie zegt: tot hier, en niet verder. Arendt zou wellicht hebben begrepen dat daar, in die lichte ongehoorzaamheid, iets opflakkert van wat politiek op haar best kan zijn: geen beheer alleen, maar een wereld waarin mensen nog zichtbaar voor elkaar mogen bestaan.
En eerlijk: liever zo’n republiek dan een koninkrijk dat zich zo ernstig neemt dat het niet meer merkt hoe vrijheid juist daar begint waar gezag ook een beetje ironie kan verdragen.