9 juni 2026
‘Vroeger was alles beter.’
Op 24 mei 2025 bracht ik in Liberas te Gent een voordracht, ‘Hoop in een wankele wereld’. Het essay dat ik hierop baseer, poogt een tegenwicht te bieden voor de teneur ‘Vroeger was alles beter’, zoals die uit de recente VRT-enquête spreekt.
De Duitse econoom en filosoof Max Roser kreeg in 2025 een eredoctoraat uitgereikt aan de KU Leuven, omdat hij de bezieler is van de website Our World in Data. Hierin verzamelen zijn medewerkers en hijzelf zoveel mogelijk betrouwbare informatie over onze wereld en zijn bewoners. Hoe slecht het ook met onze planeet en de mensheid moge gesteld zijn, de statistieken leren ons dat we er globaal op vooruit zijn gegaan, en dit op werkelijk álle vlakken. Deze vaststelling botst met ons aanvoelen omdat het een typisch psychologische reflex is: bij het opmaken van balansen houden we vooral rekening met het onheil uit het recente verleden, terwijl we de rampspoed en de dreiging toedekken die in onze jeugdjaren op ons afkwamen.
We worden door onder andere sociale media dusdanig overdonderd met een stortvloed aan onheilspellend nieuws, dat we er pessimistisch van worden. Want enkel negatieve berichtgeving vult het journaal: goed nieuws is immers geen nieuws.
Bij het overlopen van Our World in Data pik ik er enkele grafieken uit. Beroepsmisvorming allicht wanneer ik me toespits op de geneeskunde. Naast de verbetering van de hygiënische toestanden, vooral op het gebied van waterhuishouding en riolering, en dankzij vaccinaties en ontdekking van medicaties als antibiotica, leven mensen vandaag twee keer zo lang als honderd jaar geleden. Begin 20e eeuw ging nog één kind op twee dood en in 1950 nog één op vier. Het aantal zelfdodingen in de wereld nam de laatste dertig jaar af met 30%.
Uiteraard is het rampzalig gesteld met ons klimaat. We stoten almaar meer CO2 in de lucht uit! En toch: waar zijn al die alarmerende berichten over dat gat in de ozonlaag naartoe? Wie spreekt er nog van zure regen? Samen met de toename van zonnepanelen en van windmolens is hernieuwbare energie veel goedkoper geworden. Nog nooit is er zoveel groene energie geproduceerd …
Schrikwekkend wanneer we het aantal mensenlevens optellen die de gewapende conflicten deze eeuw al gekost hebben in de wereld! In Gaza gaan we de richting uit van 100.000, in Soedan 150.000 en in de Oekraïense oorlog (waarbij we de Russische slachtoffers natuurlijk ook meerekenen) zouden al meer dan één miljoen gesneuvelden zijn gevallen. Was het vorige eeuw dan zoveel beter? Joegoslavië eiste een tol van 140.000 mensen, in de genocide van Rwanda werden een half tot één miljoen burgers afgeslacht. De Goelagarchipel in de Sovjet-Unie: 1,5 miljoen doden. De Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie in China: 40 à 70 miljoen. En voor de beide wereldoorlogen lopen de schattingen uiteen van 40 tot 70 miljoen.
De paradoxale tegenstelling tussen de feiten en onze perceptie zette mij ertoe aan in mijn verleden te duiken en even na te trekken hoe ik de moraal in onze maatschappij grondig heb zien veranderen tijdens mijn leven. Opvallen deed mij in de eerste plaats dat Vlaanderen ‘kleiner’ werd. Vanaf de vroege jaren zestig waren alle uithoeken van ons land opeens makkelijker bereikbaar, enerzijds door de intrede van de auto, anderzijds door het aanleggen van de talrijke verkeersassen. Na de verbinding tussen Brussel en Oostende, was de Boudewijnsnelweg (tegenwoordig E313) de tweede autobweg die in België gerealiseerd werd. Hij verbond Luik met Antwerpen, maar vooral: hij ontsloot Limburg. Het startschot voor mijn ouders om naar het oosten te trekken, naar Genk.
Genk was op dat ogenblik weliswaar nog geen stad, maar je kan het evenmin een boerengat noemen, toch? Niettemin was ik op het Koninklijk Atheneum aldaar in 1965 zowaar de allereerste leerling die zedenleer volgde. Een aardverschuiving, want tot dan toe werd elke scholier geacht gelovig te zijn, en wás hij dat ook! Willy Claes spreekt in dat verband van de ‘zwarte provincie’.
Er moest dus een leraar van buiten de gemeentegrenzen worden aangetrokken. Dat werd Hugo Dufour uit Hasselt. Hij zorgde ervoor dat ik voor het eerst les kreeg over homoseksualiteit, een onderwerp dat hij sereen benaderde en als een variant belichtte – en dat al in 1965! Je moet namelijk weten dat de DSM, zeg maar de psychiatrische bijbel, deze geaardheid niet eerder dan in 1974 schrapte uit de lijst met geestesziekten. De Wereldgezondheidsorganisatie zou deze visie pas beginnen bijtreden vanaf 1990. Geen elektroshocks meer.
Toen paus Franciscus in 2025 werd opgenomen in het ziekenhuis, ruimde het televisiejournaal daar één minuut voor in, de dag erna gevolgd door nog een minuutje toen het een dubbele longontsteking bleek te zijn. Vergelijk even met 1965 toen elke dag opnieuw meer dan de helft van het nieuws besteed werd aan het Vaticaans Concilie – twintig minuten alsjeblieft! En wat een boeiende verslaggeving: een stoet van prelaten en paus Johannes XXIII die in een draagstoel werd rondgetorst. Maar natuurlijk was zo’n reportage belangrijk, omdat zo goed als iedereen gelovig was en dus diende te weten wat hij of zij voortaan voor waar hoorde aan te nemen.
Herinner je wat onze toenmalige premier De Croo rechtstreeks tegen de paus zei naar aanleiding van het seksueel misbruik binnen de Kerk. ‘Woorden volstaan niet langer, er moeten ook concrete stappen worden gezet.’ Het Amerikaanse persagentschap AP noemde deze toespraak in het kasteel van Laken een van de scherpste ooit aan een kerkvader gericht tijdens een buitenlandse reis. En herinner je ook hoe De Croo de nuntius op het matje riep nadat Franciscus had uitgehaald naar de abortuswet en de artsen die de ingreep uitvoerden 'regelrechte huurmoordenaars' had genoemd. ‘Totaal onaanvaardbaar’, waren de woorden van de premier. Acht je zo’n demarche überhaupt mogelijk in die prille jaren zestig? Het land was te klein geweest!
Mijn komst naar Limburg heb ik vaak vergeleken met Streuvels’ Teleurgang van de Waterhoek. Niet dat ik dezelfde rol vervulde als het hoofdpersonage Mira in deze roman: de omslag in het Atheneum gebeurde niet door mij, ik was gewoon een symptoom van de nieuwe tijd. Want toen mijn secundaire studies erop zaten in 1969, waren we al met een tiental die de lessen zedenleer volgden. En daarna trokken we naar de unief. Óók de meisjes! De democratisering van het onderwijs had zich volop ingezet.
De unief! Zoveel keuze bestond er nog niet in die tijd. Vanuit Genk lag Leuven het meest voor de hand, vanwege de afstand. Maar als je geen christelijk onderwijs wilde volgen, moest je naar Gent. En in die jaren was dat een hele trektocht, bijna een dagreis! Eerst naar Hasselt om de trein te kunnen nemen, en dan langs Brussel – gewoonweg álles verliep langs daar in het gecentraliseerde België! Want er bestond nog geen verbinding tussen Antwerpen en Gent. Ook was het nog even wachten op de Kennedytunnel om met de wagen van de ene naar de andere stad te kunnen rijden.
Waarom geen VUB? Die werd pas opgericht in 1969. En waarom niet kiezen voor mijn geboortestad? Daar was nog geen volledig uitgebouwde universiteit, enkel een volwaardige dierentuin. Trouwens, mocht je in Antwerpen geneeskunde willen studeren, diende je eerst je kandidatuur (tegenwoordig bachelor) elders te halen, om nadien je opleiding verder te zetten aan de UFSIA, de Universitaire Faculteit … jawel: Sint-Ignatius. Wéér bij de katholieken! Want het is opvallend hoe de christelijke zuil zowat overal de doktersopleidingen in de hand had en er op die manier in slaagde de artsen te impregneren met haar conservatieve moraal, waardoor die dus ook rotsvast verankerd werd in onze gezondheidszorg. Vandaar onder andere de continue problemen met ethische kwesties, waarbij de religieuze aanhang telkens opnieuw de hakken in het zand zet en obstructie voert bij graduele wijzigingen in de wetgeving.
Tweede helft van de jaren zestig. The times they are a-changin’, om het met Bob Dylan te zeggen. Er was de Summer of Love in ’67 met de vrije liefde: dankzij de pil werd seks losgekoppeld van de voortplanting. Mei 68 met de verbeelding aan de macht. 1969 kende dan weer de Stonewall Inn Riots. In de Verenigde Staten vielen politieagenten geregeld binnen in gaybars, want homoseksualiteit was toen nog bij wet verboden aan de andere kant van de oceaan. Maar bij de zoveelste inval in juni van dat jaar lieten de homo’s zich niet meer als slachtvee de combi indrijven. Ze vochten terug, wat dagenlang rellen tot gevolg had in en rond Christopher Street. Om dit heuglijke feit te herdenken, trok een jaar later de allereerste Gay Pride ter wereld door de straten van New York.
Eind jaren zestig daverde de wereld op zijn grondvesten. De Gentse alma mater zinderde mee. In 1969 kwamen in het Prinsenhof drie koppen samen in het cafeetje van Gust Van De Kerkhove: Jos Van Ussel, Bob Carlier en Steven De Batselier overlegden om deze laatste, hoogleraar criminologie in Leuven, in het auditorium E van de Blandijnberg een uiteenzetting te laten geven rond homoseksualiteit. Het werd – volgens het modewoord van die tijd – een teach-in die resulteerde in de oprichting van de GSWH, de Gentse Studentenwerkgroep Homofilie. En in het bewuste café werd de allereerste homofuif van de stad georganiseerd, waarvoor de politie wel de straat afsloot. Uit bescherming. Niet van de gays tegen de omgeving, maar omgekeerd.
Natuurlijk bestaat er onder Trump, Orbán en Poetin een terugschakeling van de lgbtqia+-rechten, en natuurlijk worden we geconfronteerd met gaybashing, maar we mogen toch niet vergeten waar we vandaan komen! In de prille jaren zeventig moest je een beroep doen op de Spartacus Guide als je ergens bij nacht en ontij gaybars wilde terugvinden. Op die adressen diende je dan aan te bellen om door een luikje bespied en beoordeeld te worden, en vervolgens was het afwachten geblazen of men je toeliet, ja dan neen. Homo’s waren bij hun soortgenoten vaak niet bekend onder hun echte naam, maar droegen een pseudoniem – een schuilnaam in de letterlijke zin van het woord – zodat ze elkaar bij eventuele politiecontrole niet konden verraden. En die controle gebeurde niet omdat seks tussen mensen van hetzelfde geslacht volgens de wet verboden zou zijn, het was louter een vorm van intimidatie.
Een bewijs van de angst die er toen heerste is ook het feit dat de GSWH er in 1973 niet in slaagde twee studenten te vinden die hun handtekening durfden te zetten onder een aanvraag tot erkenning door het Politiek en Filosofisch Konvent. Die erkenning was niet zozeer bedoeld om subsidies los te weken, dan wel om toegang te verkrijgen tot faciliteiten als vergaderlokalen, auditoria, stencilmachines en dergelijke. Hoe gevoelig de zaken in die tijd lagen bewijzen de afwijzende reacties van rector Daniël Vandepitte en vooral van burgemeester Geeraard Van Den Daele, die eiste dat de toelagen aan deze studentenwerkgroep onmiddellijk zouden worden stopgezet. Weken heb ik er niet van geslapen, omdat ik mij geout had, vooral in het oerconservatieve en christelijke bastion van het Academisch Ziekenhuis, zoals dat toen nog heette. Wie had ooit gedacht dat ik met het plaatsen van een simpele handtekening zo’n revolutionaire daad zou stellen …
Toch een positieve noot. In het academiejaar ’74-’75 stond prof. Karel Vuylsteek toe dat een vijftiental medische studenten, onder wie de toen nog onbekende Marleen Temmerman, een onderzoek deden naar de stand van de wetenschap en de houding van gezondheidswerkers rond het item in kwestie. We brachten er naderhand verslag van uit in een vol auditorium: ‘Homofilie is een maatschappelijk probleem dat dringend uit de medische sfeer moet worden gehaald’, luidde de titel. En het was meteen ook de conclusie van deze werkgroep. Naast de hoogleraar zelf, zouden vier van de meewerkende academici later toetreden tot de maçonnerie. Vrijmetselarij doet de samenleving soms echt het spoor inslaan naar maatschappelijke veranderingen.
De prille jaren zeventig zetten nog wel meer in beweging. Zo leidde de tweede feministische golf tot de oprichting van Dolle Mina. Vraag is of deze dames evenveel bereikt zouden hebben, mochten zij in achterafkamertjes studies en verslagen hebben opgesteld om nadien de resultaten ervan in een perscommuniqué naar buiten te brengen. Door hun ludieke en gemediatiseerde acties, zoals het verbranden van hun bh’s en het nafluiten van mannen op straat, trokken deze Nederlandse vrouwen veel aandacht van de internationale pers en haalden ze het televisiejournaal. Vrij vlug ging de emancipatiebeweging een fundamenteler koers varen, waarvoor ze naar de Verenigde Staten trok, om bij de Women's Liberation Movement de technieken van empowerment onder de knie te krijgen.
Tal van eisen legde de vrouwenbeweging op tafel, waarvan het recht op abortus allicht het meest in het oog sprong. Waar Nederland vrij vroeg een gedoogbeleid was beginnen te voeren, trad justitie in ons land in de jaren zeventig nog altijd hard op, zodat heel wat Belgische dames de grens moesten oversteken voor een zwangerschapsafbreking. Het lemma ‘abortustoerisme’ maakte zijn intrede in de Dikke Van Dale.
‘Baas in eigen buik!’ Zo luidde de slogan. En de strijd hiervoor was heftig. Getuige hiervan is Willy Peers, een gynaecoloog die in Namen abortussen uitvoerde onder medisch verantwoorde omstandigheden. Hij deed dat niet clandestien, maar wilde openlijk getuigen van zijn sociale bewogenheid. In 1973 kwam het gerecht echter in actie, toen hij een 27-jarige vrouw met mentale beperking had geholpen nadat ze verkracht was. Vijfendertig dagen bracht hij in voorhechtenis door, wat resulteerde in een storm van protest bij alle lagen van de bevolking: massale betogingen in zowat alle steden. De regering Leburton schrok hiervan en schoof als zoenoffer een toegeving naar voren: vrouwen kregen opeens vrije toegang tot ‘de pil’, een anticonceptiemiddel dat weliswaar al bestond sinds 1961, maar waarover informatieverbod gold. Net als trouwens over voorbehoedsmiddelen in het algemeen. Brengen we in dit verband even de clash in herinnering van Peers met de Orde van Geneesheren; die beroepsvereniging was namelijk opgetreden omdat de gynaecoloog het had aangedurfd een voorlichtingsavond in te richten rond geboortebeperking …
Vrije toegang tot ‘de pil’, dat moet toch even gerelativeerd worden. Vrouwen hadden namelijk een voorschrift nodig, wat ze dienden af te halen bij een geneesheer, want in die tijd oefenden bijna enkel heren het beroep van dokter uit. Het bleven dus nog altijd mannen die bepaalden hoe vrouwen moesten leven, wat dames wel en niet mochten doen! En dat bleek ook. Ongehuwde meisjes kregen geen voorschrift. Dat is katholicisme in de praktijk: de voorkeur geven aan ongewenste zwangerschappen en illegale abortussen boven een efficiënt voorbehoedsmiddel. Maar zelfs getrouwde vrouwen waren niet verzekerd geholpen te worden door hun arts, want het Bijbelvers ‘Gaat en vermenigvuldig u’ (Gen. 1:28) leidde dokters ertoe hun het middel te onthouden. Dames moesten dus vaak naar andere dorpen en gemeentes uitwijken om aan hun gerief te komen. ‘De goeie ouwe tijd.’
De strijd om abortus zou nog jarenlang woeden en pas beslecht worden in 1990 met de stemming van het wetsvoorstel van Roger Lallemand (PS) en Lucienne Herman-Michielssen (PVV). En met dit jaartal bengelde België binnen Europa mee aan de staart van het peloton.
In bovenstaande alinea’s hebben we ons beperkt tot de eis die in de jaren ’70 en ’80 het luidst weerklonk: het recht op abortus. Toch even aanstippen hoe vrouwen altijd als tweederangsfiguur zijn beschouwd in onze samenleving.
Via auteur Paul Borghs viel mij Homofilie in de praktijk in handen, een voorlichtingsboekje uit 1965, dat bewijst hoezeer de emancipatiestrijd van vrouwen en homo’s samenvalt: ‘Veel homofielen zullen wanneer zij de juiste partner hebben gevonden “een huwelijk” aangaan en samen gaan wonen. De meest ideale toestand wordt bereikt in veler ogen als de “mannelijke” partner zijn werk zoals iedere man buitenshuis heeft, terwijl zijn vriend thuis is en het huishouden doet.’ Dit zegt niet alleen iets over de manier waarop wij zestig jaar geleden naar homoseksuelen keken, maar ook hoe wij de rol van de vrouw binnen de samenleving toen inschatten en reduceerden. Het komt erop neer dat het klassieke rollenpatroon de grondwet vormde van onze moraal. De tradwives hebben het dus van geen vreemden.
Een kleine opsomming van feiten die we vergeten zijn of verdrongen hebben. Zoals het stemrecht dat vrouwen niet eerder verwierven dan in 1920 op gemeentelijk vlak en pas in 1948 volledig, telkens in aansluiting op een wereldoorlog. De allereerste keer dat een vrouw minister werd (van Gezin en Huisvesting) liet op zich wachten tot 1965 met Marguerite De Riemaecker-Legot. Voor het afdwingen van gelijk loon voor gelijk werk legden in 1966 meer dan drieduizend vrouwelijke arbeidskrachten het werk neer in FN te Herstal. Zo’n actie was tot dan toe ongezien. Pas in 1976 werd een wet gestemd die verplichtte dat alle beroepen toegankelijk moesten zijn voor beide geslachten en in datzelfde jaar kreeg iedereen gelijke rechten binnen het huwelijk – pas vanaf dat ogenblik konden gehuwde vrouwen een zichtrekening bij de bank openen zonder toestemming van hun man. Tot slot werd in 1993 de Salische wet afgeschaft en mogen vrouwen de Belgische troon bestijgen. Het is nog maar 25 jaar geleden dat vrouwen echte politieke macht uitoefenen. In de eerste regering-Verhofstadt treedt het duo Laurette Onkelinx (PS) en Isabelle Durant (Ecolo) voor het eerst toe tot het kernkabinet als vicepremiers. Niettemin mogen we Miet Smet (CVP-cd&v) niet vergeten te vermelden uit de generatie hiervoor; al was ze nooit vicepremier, toch zat ze als minister van Tewerkstelling en Arbeid in de regeringen-Dehaene (1992-99), waarmee ze de eerste politica werd in de cockpit van de regeringsmacht.
Soms lijkt het wel of vrouwen zelf niet in hun eigen inherente waarde geloven. Het blijft mij opvallen hoe zij zich decennialang verschuild hebben achter de naam van hun echtgenoot. De Riemaecker heette eigenlijk Legot, Annemie Neyts (voorzitter van Vlaamse liberalen) is Uyttebroeck, Paula Dhondt (Koninklijk Commissaris voor het Migrantenbeleid) heette Van Opdenbosch, onze jarenlange Vlaamse minister van Cultuur, Rika De Backer was Van Ocken.
En Angela Merkel … Zij bleef de naam van haar eerste man dragen – niet die van Kasner, zoals ze die bij haar geboorte had meegekregen – zelfs nadat ze van hem gescheiden was. En hou je vast: ook vandaag de dag draagt de Voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, nog altijd de naam van haar man, een Duitse arts. Geboren werd zij als Ursula Gertrud Albrecht.
Of neem Gisèle Pélicot, wier echtgenoot haar door honderden mannen liet verkrachten. Haar echte naam is Gisèle Guillou. En toppunt van al, de excellentie die zorgde voor een mijlpaal in de emancipatiebeweging en de abortuswetgeving door het parlement wist te sluizen, wij kennen haar als Lucienne Herman-Michielssen – eerst de naam van haar man!
Ondanks het terugschroeven van allerlei verworvenheden, zouden we bijna vergeten hoezeer wij er op ethisch vlak op vooruitgegaan zijn. In hun boeken demonstreren Jos Van Ussel, Jan Hendrik Van den Berg en Norbert Elias hoe sinds midden 16e eeuw de verburgerlijking van de westerse maatschappij ervoor zorgt dat de vrijmoedigheid uit onze leefomgeving verdwijnt. Michelangelo die lendendoekjes moet aanbrengen op zijn schilderijen, sculpturen uit de Oudheid waarvan de geslachtsdelen met ‘vijgenbladen’ worden afgeschermd of zelfs worden afgekapt, teksten die men ‘zuiverde’ … wat in de 19e eeuw ten slotte zal leiden tot een volledige bedekking van het menselijk lichaam. Het Westen wordt ‘modern’.
Keerzijde hiervan is onze overgevoeligheid voor een glimp naakt. Steeds meer woorden, gebaren, lichaamsdelen worden een signaal van mogelijk gevaar en lust; ze worden geladen met erotische spanning. Een lukraak gekozen voorbeeld om te illustreren tot hoever dit kon gaan, vormt La Cenerentola van Gioacchino Rossini: in het sprookje moet de prins Assepoester een glazen schoen aanpassen, maar in de opera van 1817 zou dit impliceren dat een blote enkel op de scène werd getoond, en dat hoorde natuurlijk niet. Het zou het publiek op zwoele gedachten kunnen brengen. Dus bewerkte men het libretto zodat men voor een armband kon kiezen in plaats van voor een muiltje. Wie het schoentje past trekke het aan.
We kunnen ons vandaag nog moeilijk de ongelooflijke preutsheid voorstellen van de vroege jaren ’70. Vlaanderen was geschokt toen Mary Porcelijn uit de kleren ging bij het zingen van haar chanson op tekst van Boris Pasternak: de eerste blote billen op televisie. Deze kont, meer dan haar liedje, zou nog maanden blijven nazinderen in de huiskamers en ervoor zorgen dat alle optredens van deze artieste geboekt bij christelijke organisatoren werden geschrapt. Een cancelcultuur avant la lettre.
Wie lid was van het CGSO (Centrum voor Gezinsplanning en Seksuele Opvoeding) kreeg maandelijks ook het baadje Sextant in de bus, uitgegeven door de zustervereniging NVSH (Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming). In juni 1969 evenwel prijkte op de cover voor het allereerst een blote man: er is haast niets te zien, want het kiekje is genomen van rechts boven de kruin. Voor de Belgische politiediensten was dit evenwel het sein om de grenzen van het rijk af te sluiten zodat geen enkel exemplaar het vaderland kon besmetten. De winkels die desondanks toch enkele nummers van het tijdschrift hadden bemachtigd en het te koop aanboden, mochten rekenen op een indrukwekkende machtsontplooiing van de ordehandhavers die alle uitgaven van het ‘pornoblaadje’ confisqueerden. Tussen haakjes: het was ook in dat jaar onzes Heren dat in Nederland de eerste seksshops verschenen aan de grenzen met ons land. Dus alle Belgen daarheen natuurlijk. Met rode koontjes weliswaar. Hypocrisie. Typisch voor een katholiek gewest.
Softporno kon je wel vinden in de buurt van de treinstations, zoals het Duitse Him Applaus. Opvallend daarbij was dat men alle piemels met een viltstift had bewerkt. Je zag dus niks. Ik stelde me voor hoe in Brussel een reeks mensen zich een hele dag aan een bureau onledig hield met het zwartkleuren van de mannelijke kroonjuwelen. En daar nog voor betaald werden ook. Het trok alleszins de werkloosheidscijfers naar beneden …
In oktober 1971 viel de BOB (Belgische Opsporingsbrigade) binnen in het theater Arena te Gent om de vertoning stop te zetten van Fernando Arrabals En ook de bloemen werden geboeid, een toneelstuk dat de fantasieën van gedetineerden tot onderwerp heeft en hun verlangen naar vrouwen. Maar er dook ook een actrice op die het publiek een blote borst toonde. Alle medewerkers van het gezelschap werden opgepakt en afgevoerd naar de politiecel.
Om zich tegen de herhaling van een dergelijk optreden te wapenen, had het NTG (Nederlands Toneel Gent) in 1975 voorzorgen genomen en een keure professoren uitgenodigd die als wetenschappelijk panel plaatsnamen op het podium om het theaterpubliek voorafgaandelijk een toelichting te geven over het stuk dat geprogrammeerd stond. Een tiental eminente geleerden, onder wie prof. Gerda De Bock, Bob Carlier, prof. Leo Apostel, prof. Steven De Batselier verleenden de voorstelling een aureool van eruditie en wijsheid. Het stuk in kwestie was de toenmalige kaskraker van Peter Shaffer, Equus, in Gent op de planken gebracht onder de titel Paard en ruiter. Mogelijk probleem kon het feit zijn dat de hoofdrolspeler, Hans Rooyaards, op de scène compleet uit de kleren ging. Gerard Reve zat in het publiek en snoepte van de voorstelling: hij gaf een staande ovatie.
Het is toch onvoorstelbaar dat dit kneuterige en oerconservatieve lapje grond aan de Noordzee een dergelijke evolutie heeft doorgemaakt, dat het zich zou aaneensluiten met Nederland en Luxemburg, en dat we samen als onooglijk stipje op de wereldkaart een lichtend baken zouden betekenen voor de rest van de mensheid! We hinkten in België achterop met de abortuskwestie, maar we werden wel mee vaandeldragers voor euthanasie, openstellen van het huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht en de adoptie binnen een dergelijk gezin. Misschien vinden sommigen dat het homohuwelijk niet hoeft en dat het een idee is dat zich plooit naar de bestaande conformistische normen. Niettemin valt het niet te ontkennen dat het de zaak van homoacceptatie op de kaart heeft gezet: door het openstellen van het huwelijk haalt het item overal ter wereld de agenda in de wetgevende parlementen, wordt erover gesproken, gediscussieerd, toegelicht en kan men het onderwerp niet langer zomaar terzijde schuiven.
En inderdaad, de wereld is er nog altijd slecht aan toe … Jongeren hebben het niet onder de markt. Werk moeten aanvaarden met tijdelijke contracten of stages doorlopen zonder zekerheid; wonen met het almaar stijgen van huur- en koopprijzen; studeren met toename van stress, prestatiedruk, kosten voor kot, materiaal en levensonderhoud; onzekerheid voor de toekomst door klimaat, economie, geopolitiek … Toch gaat men voorbij aan hoe het vroeger was, aan de situatie waarmee ik me bijvoorbeeld geconfronteerd zag in 1980 toen ik aan het (beroeps)leven begon. De diepe recessie – de zwaarste arbeidscrisis sinds de jaren ’30 – met werkloosheidscijfers die opliepen tot 14%. Niet voor niets sprak men van de lost generation – en geen toeval dat toen de punkbeweging en haar muziek een explosie kende. De inflatie liep op tot 10%, en om die te lijf te gaan verhoogden de centrale banken hun rente tot extreme interestvoeten!
Je moest maar eens proberen in die jaren een zaak op te starten! Met mijn universitair diploma schurkte ik zelf tegen de armoedegrens aan. Gelukkig mocht ik een beroep doen op een gunsttarief, een zogenaamd jongerenkrediet, waarmee ik kon lenen tegen slechts 18,5% ...
Inderdaad, de wereld is er nog altijd slecht aan toe, maar hij gaat er tegelijk sterk op vooruit. De paradox van Max Roser … Quod erat demonstrandum.
(Een eerdere versie van deze tekst verscheen eerder in Zaterdaglezingen voor vrijmetselaars 2025.)