Leopold Flam herlezen
Geschreven door Benny Madalijns
  • 19 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

29 juni 2026 Waar het zwijgen aanvangt. Leopold Flam en het begrensde weten
Vandaag (wanneer ik dit schrijf) is het 16 juni, Bloomsday, de dag waarop de literaire wereld de fictieve wandeling van Leopold Bloom door Dublin herdenkt, de protagonist van James Joyce’s 'Ulysses' uit 1922. Dat ik dit essay schrijf op de dag die de naam van een andere Leopold draagt, is een samenloop die ik niet onvermeld wil laten.
Joyce en Beckett kenden elkaar goed in hun Parijse jaren: Beckett werkte in 1930 aan een Franse vertaling van Anna Livia Plurabelle, het latere achtste hoofdstuk van Finnegans Wake, maar Joyce verwierp het resultaat en liet het herschrijven door anderen. Beide schrijvers duiken op in wat volgt.
Er bestaat een moment in het denken dat gewoonlijk onbenoemd blijft, omdat het moeilijk te verdragen is: het moment waarop het denken niet verder kan, niet omdat het faalt, maar omdat het eerlijk is. Wie denkt in de veronderstelling dat denken altijd uitbreiding betekent, stuit vroeg of laat op iets wat die beweging niet volgt en wat zich niet laat benoemen als een hogere kennis of een overschrijding, maar eenvoudig als een rand, de plek waar het denken ophoudt te groeien en begint te weten wat het niet weet.
Leopold Flam heeft dit ongemakkelijke moment nooit willen omzeilen. In het voorwoord van De gekwetste existentie schrijft hij: ‘Door de reflectie overschrijden we de drempel tussen de chaos en het min of meer verhelderde, daarom nog niet het geordende, namelijk het ordentelijke leven’ (Filosofische Kring Aurora vzw, Antwerpen, 1983; heruitgave Het zoekend hert & Humanistisch Verbond, 2025).
Wat de reflectie oplevert is verheldering, geen oplossing, en de weg die daarachter ligt naar zekerheid blijft gesloten. Flam voegt er onmiddellijk aan toe dat hij in dat boek dan ook geen oplossingen voorstelt, ‘want wij zijn zo verwaand niet om te durven zeggen wat er eigenlijk door de gemeenschap of door de maatschappij dient gedaan te worden’ (ibid.).
Geen bescheidenheid spreekt hier, maar een diepgewortelde terughoudendheid tegenover elk denken dat al te zeker meent te weten hoe het anders moet. Denken begint bij Flam niet bij het verlangen om te weten, maar bij het nuchtere besef dat weten eindig is.
Vandaar het diepe wantrouwen tegenover systemen die alles verklaren. In Filosofie en politiek schrijft Flam over wat hij de ‘schone ziel’ noemt: zij die ‘met mooie gedachten goochelen en geparfumeerd over verheven problemen spreken’, en hij kwalificeert dat meedogenloos als ‘de ergste belediging voor en de eigenlijke “doodzonde” van de geest.’ (In: Zelfvervreemding en Zelfzijn, Wereldbibliotheek, Amsterdam/Antwerpen, 1966, pp. 406-410)
Het denken dat zich boven zijn eigen grenzen verheft, verliest precies wat het beoogde te bereiken: levend contact met de werkelijkheid van de enkeling. In datzelfde essay formuleert hij de filosoof als wezenlijk oppositioneel: ‘Geen enkele Staat of geen enkele regering vindt bij de filosoof enige genade, want elke regering beledigt en vernedert in mindere of meerdere mate de mens, en de filosoof getuigt voor de mens met heel zijn bestaan, met heel zijn denken’ (ibid.).
Zodra de filosoof die getuigende houding loslaat en grenzeloos zeker wordt, wordt zijn denken rechtvaardiging.
Het gevaar dat Flam het scherpst waarneemt, is niet de dwaling maar de zelfgenoegzaamheid. In zijn essay over Samuel Beckett beschrijft hij het reële nihilisme van zijn tijd als een toestand waarin ‘aan het individu elke grond, elke gemeenschap, elk doel ontnomen’ wordt, zodat het ‘zich maar heeft te bewegen volgens vastgestelde normen, zelfs indien het gelooft vrij te zijn’ (In: Ontbinding en protest, Wereldbibliotheek, Amsterdam/Antwerpen, 1967, pp. 66-71).
De grens wordt hier niet erkend maar sluipend verdoezeld, en juist daarin schuilt de gevaarlijkste dwaling: menen te begrijpen terwijl men de grens al lang heeft verloren. Flam besluit zijn Beckett-analyse met een zin die ik hier wil citeren omdat zij dit treffend scherper trekt dan ik het zelf zou kunnen: ‘Waar mededeelzaamheid is, daar kan ook schoonheid zijn, waar het zwijgen aanvangt, begint ook het lelijke, dat sprakeloos maakt’ (ibid.).
Beckett toont voor Flam de grens van binnenuit, als een bewoonde leegte. Flam zelf kiest een andere positie: de grens is geen reden om te zwijgen, maar de enige plek van waaruit spreken nog werkelijke ernst heeft.
Naar mijn aanvoelen zit in die Beckett-passage een van de helderste impliciete omschrijvingen van wat Flam met grensbewustzijn bedoelt: het nihilisme is niet de erkenning van de grens, maar haar verloochening door de gladde schijnzekerheid van conventies, systemen en collectieve praat.
Wie werkelijk op de grens denkt, verschijnt in Flams werk als het tegendeel van die figuur: als iemand die, zoals hij het in De gekwetste existentie formuleert, ‘zijdelings kan staan en weer tot adem kan komen’ (ibid.). Zijdelings staan is geen capitulatie maar een bewuste positie, een welgekozen afstand van het lawaai van zekerheden.
Dat vraagt geen ascese en geen verheffing, maar wat Flam in Filosofie en politiek de verantwoordelijkheid van het mens-zijn noemt: stelling nemen ‘niet als partijman, wel als denkende enkeling, overal en steeds waar de verantwoordelijkheid van het mens-zijn hem hiertoe verplicht’ (ibid.). Het is geen wijken. Het is de positie van waaruit spreken nog ernst heeft, precies omdat het niet kan terugvallen op een groter geheel dat het gelijk garandeert.
Vrijheid wordt bij Flam geen project of toekomstgerichte opdracht, maar een onherroepelijke conditie waaraan men niet ontsnapt en die geen comfort biedt. Wie haar ontkent, maakt van het denken een instrument, en van de filosofie een theologie, ‘met of zonder God, dat doet er niet toe’, zoals hij in Filosofie en politiek schrijft (ibid.).
Wat nu opdoemt in deze reeks, is de vraag wat er overblijft wanneer zelfs het denken zijn grens ontmoet en toch weigert te zwijgen. Flams antwoord ligt besloten in die ene, terloopse zin uit het voorwoord van De gekwetste existentie: het gaat erom zijdelings te kunnen staan en weer tot adem te komen (ibid.).
Mijns inziens is dat de eerlijkste omschrijving van wat Flam bedoelt.
Leopold Flam herlezen
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws