Kwintessens
Geschreven door Nick De Clippel
  • 259 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

1 september 2021 Journées de l'Héritage
'Le ridicule ne tue pas', zeggen ze aan de andere kant van de taalgrens. Dat vond waarschijnlijk ook de Waalse opiniemaker Alain Gerlache. In De Morgen van 23 augustus ergert hij zich aan de naamsverandering die Pascal Smet als staatssecretaris voor Brusselse Cultuur zijn Franstalige onderdanen in de strot heeft geduwd. De succesvolle 'Journées du Patrimoine' heten vanaf nu 'Heritage Days'. Gerlache is boos omdat er belangrijkere dingen zijn dan ondoordachte taalpolitiek. COVID bestrijden met 'Vaccination Days' gaat de lage inentingsgraad van de hoofdstad niet beter oplossen dan een Franstalige campagnenaam. Niet de onstuitbare opmars van de nieuwe lingua franca stoort mij, maar wel de argumentatie die de staatssecretaris gebruikt. 'Patrimoine' verwijst naar 'vader' en dat is patriarchaal taalgebruik, welke smet een politicus vandaag niet meer op zijn blazoen wil zien. Professor taalkunde Rik Vosters fileerde die etymologische uitleg een dag eerder in De Standaard als 'pseudotaalkundig geneuzel' dat weinig weet heeft van hoe betekenis echt ontstaat. Het gaat mij trouwens niet enkel over gendergerelateerde woorden. De taalpolitie doet ook haar ronde als het over rassen en klassen gaat.
Lenny Bruce (1925-1966) was een Amerikaanse stand-up comedian die ook wel eens het geweten van Amerika werd genoemd. Hij nam nooit een blad voor de mond. Onder meer daardoor werd hij verschillende keren opgepakt en zag hij zich genoodzaakt zowat al zijn centen te verdoen aan allerlei lawsuits. Are there any niggers here tonight? is waarschijnlijk zijn bekendste sketch. Het n-woord was toen al not-done, maar in dezelfde act van 1959 gebruikt hij ook onoorbare termen voor joden, homo's, Polen … Voor al wie in de zaal aanwezig was. Discriminatie was hem vreemd, maar het punt dat hij wilde maken, is dat hij met die termen het publiek evengoed op zijn hand kon krijgen als tegen zich in het harnas jagen. De betekenis of lading van een uitdrukking wordt niet enkel bepaald door de veronderstelde impact, maar ook door de intentie en de context. Bovendien, zei Bruce, verliezen woorden hun angels door gebruik, niet door verbod. Het kan dus best dat een woord als patrimoine door het sociale dirigisme van de overheid aan toxiciteit gaat winnen. Eind de fifties was het verboden het woord 'shit' publiek te gebruiken. Lenny en vele anderen na hem deden dat toch, maar ik ken geen motherfucker die daar nog aanstoot aan neemt. En mensen die willen kwetsen, zullen daar altijd wel wat voor vinden, voegde Lenny daar nog aan toe. Voor de volledigheid: Lenny Bruce kreeg in 1964 een proces aan zijn been voor obsceen taalgebruik. Zijn vrijspraak werd een juridische en ideologische referentie voor de vrijheid van meningsuiting. Een heilige was hij overigens niet, want ook drugsbezit en oplichterij zaten op zijn kerfstok.
_Taal en denken
Soit, de etymologie van patrimoine krijgt alleen maar politieke betekenis als men die daar mordicus in wil leggen, wat dan duidt op een zekere activistische ingesteldheid. Hoever men daarin wil gaan, is een leuke vraag, want als men die weg inslaat, is het einde niet in zicht.
De staatssecretaris meent allicht dat hij aan emancipatie werkt, maar vergeet dan dat emancipatie refereert aan de Romeinse term voor de vrijmaking van de zoon of de slaaf die vanaf dan niet meer onder de hand van de pater familias moest leven. Met gelijkheid had dat weinig te maken. Met zijn mansplaining begeeft de politicus zich dus op glad ijs. Misschien moeten we hem influisteren om aan evrouwcipatie te werken om uit de patrix te geraken. Dat is allicht te gek voor woorden en/of slechte humor, maar het zijn – weliswaar marginale – bestaande termen, zoals Google de lezer kan bewijzen. Gerlache wijst erop dat men in sommige middens matrimoine een goed alternatief vind voor patrimoine. Het huwelijk als erfgoed. 'Ondanks negatieve reacties dringt matrimoine beetje bij beetje binnen in het taalgebruik', noteert Gerlache nog. Gaat het dan om geleidelijke taalevolutie of om een symptoom van een langzaam sluipend gif dat met mondjesmaat, woord voor woord, concepten in ons hoofd besmet en vernietigt? Het zijn immers niet alleen maar woorden die op de index moeten. Samen daarmee verdwijnen gedachten en ideeën. In taalfilosofie is de Sapir-Whorfhypothese niet onbekend (en evenmin onbesproken). Genoemd naar twee antropologen uit het begin van de vorige eeuw, stelt die dat elke taal haar eigen structurerende principes heeft, waardoor ze het denken beïnvloedt en (in de sterke, maar foute versie) zelfs helemaal bepaalt. Zo fundamenteel willen we hier niet gaan, maar een (door anderen) beperkt vocabularium kan er wel voor kan zorgen dat we allemaal hetzelfde denken, en veel nuance verloren laten gaan. Die nuances zijn soms fout en/of veranderlijk, maar ze behoren vrij te zijn.
De nieuwe woordpolitiek wil dingen als genderongelijkheid wegwerken door genderneutrale termen naar voor te schuiven. Dat lijkt logisch, maar het gaat in tegen de natuur van de taal om onderscheidingen in de werkelijkheid aan te brengen of te registreren. Op die manier krijgen mensen vat op de dingen en ontstaat de mogelijkheid om met nuance en precisie over alles en nog wat te denken en te praten. Begrippen winnen aan duidelijkheid als ook hun historiek bekend is. Historiek verrijkt en kan bijdragen aan inclusie. Het is best leuk om weten dat wereld afgeleid is van het proto-Germaanse uueroldi, wat leef-tijd van de mens betekende, (dat wat bestaat aan gene zijde van de dood), en dat matras, alcohol en bazaar van oorsprong Arabisch zijn. Het patrimonium is inderdaad vooral een zaak van mannen geweest. Dat we dat vandaag fout vinden, is ongetwijfeld een stap in de goede richting, maar dat verandert de geschiedenis niet. Het mag op school best aangeleerd worden dat patrimonium refereert aan andere tijden en andere zeden. Dat niet doen lijkt me zelfs schuldig verzuim, maar dan moet het woord wel nog in de handboeken staan. Met het schrappen van woorden wordt het lastiger om de vinger op de wonde te leggen of zelfs om positief te discrimineren.
_Aansturen van de taal?
Maar goed, laat ons patrimonium maar schrappen, net als tamtam, jungle, kaaskop, wentelteef, directrice … De lijst wordt lang, maar er zijn woorden genoeg, toch? Kleine moeite, we kunnen er wel een paar missen. En misschien komen er na een volksraadpleging, een parlementaire onderzoekscommissie en de vereiste stempels nieuwe voor in de plaats. Zo suggereerde Bambi Ceuppens, de bekende antropologe van het Koninklijk Museum van Midden-Afrika, het woord slaaf te vervangen door mens die verhandeld wordt als koopwaar. Al komt zo'n suggestie er eigenlijk op neer dat we in de dikke Van Dale de lemma's en de uitleg gewoon van plaats verwisselen. Als we daar consequent in doorzetten, worden woordenboeken overbodig. Dat is dan dubbele winst.
Ter info: ook elders wordt taal geschrapt. En dan heb ik niet over de Oeigoeren die geen eigen taalonderwijs mogen hebben, iets wat bijvoorbeeld ook de Koerden en de Ieren al overkwam. Of over Ronald Reagan die rechtse rebellen verving door freedom fighters, of Mobutu Sese Seko die van citoyen de verplichte aanspreekvorm maakte, ten koste van het koloniale monsieur en madame. Allemaal woorden die om een of andere reden niet meer sporen met de politieke gevoeligheden van vandaag. Neen, ik denk aan schrappen als doen verdwijnen, zoals de termen Chino, Keizer en 1984 overkwam, die sinds kort niet meer te vinden zijn op het Chinese internet. In de Verenigde Staten staat het woord mankind op de tocht, maar ook niggardly (hoewel dat niets met het n-woord te maken heeft), stewardess, titties en zelfs American zou het veld moeten ruimen voor citizen (met dank aan het Zaïrese staatshoofd). Niet zo erg als bij Xi, maar het gaat wel dezelfde kant op.
Nu we net een autocraat vernoemd hebben, even een citaat uit George Orwells 1984 (1949):
'Je snapt de schoonheid van de vernietiging van woorden niet. Weet je dat Nieuwspreek (Newspeak) de enige taal is ter wereld waarvan de woordenschat elk jaar kleiner wordt? […] Snap je dan niet dat het hele opzet van Nieuwspreek erin bestaat de breedte van het denken te versmallen? Uiteindelijk zullen we denkmisdaad (thoughtcrime) letterlijk onmogelijk maken, want er zullen geen woorden meer zijn om ze mee te begaan.' (eigen vertaling).
De uitleg bij de demarche van het staatssecretariaat doet denken aan Bananas (1971), de tweede langspeelkomedie van Woody Allen. In de fictieve bananenrepubliek San Marcos grijpt een nieuwe, Havana's rokende dictator in Castro-outfit de macht. Onmiddellijk worden nieuwe wetten ingevoerd: ondergoed moet elk half uur ververst en boven de kleding gedragen worden, alle minderjarigen worden meteen zestien (weet de advocaat van Mia Farrow dat Allen zelf het scenario schreef?) en de officiële taal is voortaan Zweeds. Zelden werd taal zo radicaal politiek gestuurd als in dit derde decreet. Dergelijke taalrevoluties zijn er bij mijn weten nooit geweest, maar evoluties dan weer wel. Woorden die vroeger niet kwetsend waren, zijn dat geworden, maar dat gebeurde nooit van dag op dag. Betekenisverschuivingen hebben ook niet altijd iedereen mee. Nieuwe woorden en/of talige gevoeligheden behoren zelden meteen tot het gemeenschappelijke referentiekader. Het is evident dat we rekening moeten houden met gevoeligheden van anderen, maar – zo vraagt ook Rik Vosters zich af – hoeveel mensen voelen zich eigenlijk gekwetst door een woord als patrimonium? Dat is een suggestieve vraag waarop het antwoord ergens in de buurt van zes moet liggen.
Het is geen goed idee als de politiek de taal wil aansturen. Niet alleen riskeert ze zich de vingers te verbranden of zich over te geven aan de waan van de dag, ze mag ook nog eens beschuldigd worden van weinig denkwerk.
_De nieuwe strijd
Taal is een machtig ding. Wie de taal beheert, beheert het denken. Eerst worden woorden geschrapt, dan worden boeken verbrand … Dat gebeurt altijd omdat men gelooft aan de juiste kant van de geschiedenis te staan. Dat dachten de mensen achter de Inquisitie ook. Het woord autodafe verwijst naar hun middeleeuwse brandstapels. Het stamt uit het Portugees en betekent een acte (daad) van geloof. Maar wat wordt er eigenlijk geloofd door de nieuwe taalpolitie? Waar wil men naartoe met een politiek correct vocabulaire? Denkt men dat verdrukking verdwijnt als men dat woord niet langer hoort, of omgekeerd dat tolerantie ophoudt als die letterreeks niet meer wordt afgedrukt? Heeft Gent zijn problemen met immigranten opgelost door het woord allochtoon te schrappen? En hebben ze daar ondertussen begrepen dat ze daarmee evengoed autochtoon ongewenst hebben gemaakt?
Gerlache verwijst naar Jérôme Fourquet, die in 2019 met L'Archipel français – Naissance d'une nation multiple et divisée de fragmentatie van de Franse samenleving onderzocht. Fourquet volgt de klassieke classificatie van politieke breuklijnen, maar voegt er, zoals ondertussen de meeste commentatoren, die van globalisten versus de souverainisten aan toe. Die loopt zowat samen met die tussen de elites en het precariaat aka de gilets jaunes. Er kan stilaan nog een breuklijn aan toegevoegd worden, die daar ook al in grote mate mee samenvalt. Gerlache heeft het over de nieuwe strijd. Wat hij daarmee bedoelt, legt hij niet uit, maar ik heb mijn vermoedens. Het lijkt er inderdaad op dat een elitair segment van de samenleving zich van de echte problemen heeft losgezongen om een woke-kosmopolitisme te propageren waarmee het een steeds groter deel van het racistische, homofobe, misogyne, reactionaire, gewone volk naar rechts treitert.
_Taalkundig Absurdistan
Bijna dagelijks lees ik in een van de kwaliteitskranten die Vlaanderen rijk is de sirenezang van een of andere opiniemaker (m/v/x) die alweer een kwetsuur wil aankaarten en de lezer aanspreekt op zijn taal, sorry haar taal, sorry de gebruikelijke taal. Het wordt een vaste rubriek, het treurige, eenzijdige, verdelende vertoog van mensen uit activistische bubbels die elkaars jargon napraten, maar moeilijk kunnen worden beschuldigd van een verbindend project. Daar lijkt het hen ook niet om te doen. Liever willen ze de maatschappij opdelen in mannen, vrouwen, LGBT'ers en in verschillende kleuren. Identiteit voor alles.
Ene professor Chadran Kukathas vond in The Liberal Archipelago (2003) een samenleving van naast elkaar levende gemeenschappen een liberaal paradijs. In zijn visie moest de staat zich (ook juridisch) zo weinig mogelijk moeien met minderheden, omdat zo maximale vrijheid gegarandeerd zou zijn. Laat alle gemeenschappen gewoon naast elkaar leven. Dat was een radicale communautaire insteek die ervan uit leek te gaan dat Romeo en Aïcha elkaar nooit zouden tegenkomen. Gelukkig volstaat een academische graad niet altijd om voor de praktijk ernstig genomen te worden. Toch kunnen we als denkoefening de lijn van Kukathas' denken over de gesegregeerde maatschappij even doortrekken naar taalgebruik. Elke gemeenschap kan dan beslissen welke woorden geschrapt moeten worden. Maar als ik sommige feministen lees, vormen ook vrouwen een aparte minderheid. Taal zal zich dus permanent en intersectioneel moeten aanpassen aan de gesprekspartners. Het is duidelijk dat een taalkundig Absurdistan volgens sommigen het Beloofde Land is.
Ten overvloede, er loopt wel wat volk rond dat sterk mag worden aangemoedigd om af en toe de mond te gaan uitwassen met zeep. Ik pleit niet voor boertigheid of het negeren van de impact die woorden kunnen hebben, maar het lijkt me beter aan begrip, burgerschap en attitudes te werken dan aan een kleiner woordenboek.
Kwintessens
Nick De Clippel is master in de filosofie (KULeuven).
_Nick De Clippel -
Meer van Nick De Clippel

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws