Xavier Dorison (scenario) en Thimothée Montaigne (tekeningen)
Yves Claeys
fictie
  • 40 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

29 augustus 2025 1629, De apotheker van de duivel
Bij onze zuiderburen werd ‘1629, Apotheker van de duivel’ onthaald als een klein chef d’oeuvre en bekroond met de BD-prijs van ACORAM Marine Bravo Zulu 2023, uitgereikt voor uitmuntend maritiem werk. Laat u daar niet door afschrikken: dit verhaal over de noodlottige reis van het zeilschip de Batavia, het eerste deel van een tweeluik, is veel meer dan een fraai uitgegeven dweepzuchtig stripje over stoere zeebonken tijdens de Gouden Eeuw van onze andere buren, die uit het Noorden.
De voorgeschotelde lotgevallen van de Batavia zijn gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen en niet aan hun eerste bewerking toe. Ze dienden al als inspiratie voor verschillende boeken, films en podcasts. Ook al zijn het niet de grootste blockbusters of bestsellers, de Batavia is toch bekend genoeg om er in Lelystad een replica van open te stellen voor het publiek (https://www.batavialand.nl). Om het wrak zelf te bezichtigen moet u iets verder, naar Australië, waar de site van de schipbreuk en de plaats waar de overlevenden kamp maakten nationaal erfgoed zijn (https://visit.museum.wa.gov.au/batavia-1629).
In zijn voorwoord haalt scenarist Dorison The Lucifer Effect aan, een psychologisch werk uit 2007 van Philip Zimbardo waarin wordt gesteld dat elk van ons in staat is om in bepaalde omstandigheden gruwelijke daden te stellen. Hij verwijst naar verschillende genocides, maar niet naar de gebeurtenissen in Gaza, die pas een jaar na het verschijnen van het eerste deel in de oorspronkelijke versie uitbraken.
Het gros van de hoofdpersonages uit 1629 wordt dan ook eerder genuanceerd neergezet. Er zijn duidelijk herkenbare helden en schurken, doch de meesten van hen paren minder fraaie kanten aan een karaktertrek, kleine daad, gedachte of uitspraak die toch enige empathie opwekt. Voor heel wat bijkomende personages is dat echter niet het geval: de heren van de Oost-Indische Compagnie zijn enkel gekenmerkt door ongebreidelde hebzucht en de bemanning van de Batavia, van de matrozen tot de scheepsdokter, bestaat uit uitschot dat enkel ten einde raad zijn toevlucht neemt tot de gruwelijke levensomstandigheden die er heersen. In 1629 is de ander overwegend de hel. Vergeet de scenarist bij zijn nevenpersonages dat we allen tot goed en kwaad in staat zijn, is het in hun geval de moeite niet meer om dit nogmaals in de verf te zetten of belicht hij net dat iedereen iets duivels heeft, wat bij de een al dichter aan de oppervlakte zit dan bij de ander?
De Gouden Eeuw van Nederland, op een aantal vlakken vaak afgeschilderd als een tijd van openheid, wordt eerder ontmaskerd dan verheerlijkt. In Amsterdam is het bedreigen van bedienden met de zweep courant taalgebruik en is de vrijheid van vrouwen beperkt tot die om cassante opmerkingen te maken in de trant van ‘Als u een goede man voor mij had gekozen in plaats van een goede partij, dan stonden we hier nu niet.’ Op schepen als de Batavia is het al helemaal slecht toeven. Van de driehonderdkoppige bemanning wordt verwacht dat in normale omstandigheden slechts de helft de reis zal overleven. Eens nat – en lang duurt dat niet op zee – blijft het scheepsvolk benedendeks gedurende weken doorweekt, gezien de onmogelijkheid om van kleren te wisselen of deze te laten drogen: men bezit er enkel het hemd op de rug. Slechte voeding leidt tot scheurbuik en gebrekkige hygiëne tot andere ziektes. Van de luttele vier toiletten, niet veel meer dan een plank met een gat en een overboord hangend nat koord om het gelijknamige lichaamsdeel mee af te vegen, zijn er twee gereserveerd voor de officieren en de enkele passagier uit de betere klasse. Luizen kunnen dan weer dragers van tyfus zijn. Ook de ijzeren discipline aan boord vergt zijn tol.
Geen wonder dus dat de gedachte aan muiterij nooit veraf is: door sommigen verhoopt, door anderen gevreesd. De apotheker van het schip, belust op de rijkdommen die cruciaal zijn voor de diplomatieke missie van de Batavia, hoeft niet veel te intrigeren om deze uit te proberen lokken. Slechts met veel moeite wordt ze verhinderd door een mooie heldin en een matroos, de verstoteling met nobele inborst. De stereotypen van het genre halen hiermee de bovenhand op de pessimistische mensvisie, die lijkt te verworden tot een laagje vernis. 
Het belang van vernis is echter niet te veronachtzamen. Zelfs met wat imperfecties maakt ze voldoende verschil om het scenario boven de middelmaat uit te tillen. De scheepsdokter is vertrouwd met Pico della Mirandola en de duivelse apotheker informeert zijn reisgenoten aan de dis over Rabelais, diens Gargantua – op dit forum ongetwijfeld welbekend als de bijbel der vrijzinnigen – en de erin opgevoerde orde van Thelema. De dominee aan boord heeft er minder mee op dan de analfabete zinnelijke kapitein. Het doet altijd goed om deze opgevoerd te zien in zijn oorspronkelijke vorm en niet als het wansmakelijk afkooksel dat Aleister Crowley er later van zou maken. Ook al krijgt de lezer geen aanwijzing dat het motto ‘fay ce que vouldras’ bij Rabelais meer inhoudt dan de jacht op zintuigelijk genot. Dorison neemt bovendien een zekere vrijheid met de tijdslijn. Gargantua werd voor het eerst gepubliceerd in 1534. Wanneer Rabelais in 1629 wordt voorgesteld als ‘nieuwe dichter’ klopt dat enkel voor wie vandaag Hendrik Marsman als zodanig zou bestempelen.
De tekenstijl is er één die door velen als realistisch wordt bestempeld, al moet men zich afvragen hoe de wereld er voor hen dan wel uitziet. Schip, zee en omgeving worden met veel detail weergegeven in indrukwekkende panorama’s en vanuit knappe kikvors- en vogelperspectieven. Lichaamsverhoudingen worden gerespecteerd. Oren, neuzen of voeten worden niet uitvergroot, karikaturaal of opzettelijk kinderlijk, primitief of expressionistisch weergegeven, op de wel erg ranke nek van de vrouwelijke protagoniste na of om een gemoedsstemming in de verf te zetten. Oordeelt u zelf:
Tekenstijl
Het spel van schaduw en contrast, waar tekenaar Montaigne graag mee uitpakt, zal u hier niet zijn ontgaan. Veel aandacht gaat ook naar kleur en opbouw van de volledige pagina en niet enkel van de individuele kaders. De compositie is nu eens symmetrisch, dan weer complementair en maakt vaak gebruik van cinematografische technieken. Het verhaal opent met twee prachtige platen van twee pagina’s, waarin kleinere individuele kaders een soort camera travelling simuleren. Met enige verbeelding kan men zich aan het begin van Hitchcock’s Psycho wanen. Eenzelfde travelling, maar tegen een blanco achtergrond, wordt gebruikt voor de cliffhanger aan het einde. Tussen opening en slot hanteert Montaigne op meesterlijke wijze een palet aan technieken dat hij ten volle beheerst. Onder één hoedje zal men hem niet vangen. De variatie die wordt geëtaleerd, en die nergens gezocht overkomt, draagt in hoge mate bij tot het leesgenot.
Op de vertaling is niets aan te merken. Het meervoud ‘officiers’, in plaats van het meer gebruikelijke ‘officieren’, is niet incorrect en ‘kanons’ blijkt na enig opzoeken een vorm die gebruikt wordt in maritieme context. Al lijkt die wat in onbruik, het is toch een mooie toets. De term ‘snickersnee’ waarmee wordt verwezen naar een messengevecht onder matrozen (steken en snijden) blijkt dan weer een oude Engelse term ontleend aan Nederlandse zeemanstaal, eerder dan de oorspronkelijke Nederlandse term, zoals hier wordt gesuggereerd. Sommigen onder u zullen erbij denken aan Lewis Carroll’s Jabberwocky : ‘the vorpal blade went snicker-snack’. De naam van het schip tenslotte is hersteld in ‘Batavia’, daar waar het Franse origineel er de ‘Jakarta’ van had gemaakt. Voor wie bij ‘Batavia’ enkel aan Romeinen denkt: tot 1942 was het wel degelijk de naam van het huidige Jakarta.
In Frankrijk moest men twee jaar wachten op het tweede deel, van 2022 tot 2024. De Nederlandse versie ervan ligt in oktober al in de rekken, minder dan een half jaar na het verschijnen van dit eerste deel. Iets om naar uit te kijken.

Yves Claeys
Xavier Dorison (scenario) en Thimothée Montaigne (tekeningen)
Yves Claeys
fictie
Yves Claeys (1965) studeerde wijsbegeerte en bedrijfskunde. Lang geleden vroeg hij zich af wat Godfried van Bouillon met vleesnat te maken had.
_Yves Claeys Recensent
Meer van Yves Claeys

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies