2 juni 2026
Vraag 7
Een Tasmaniër op zoek naar de verloren tijd.
Als er een schaal van Richter voor literatuur zou bestaan, dan was ‘Vraag 7’ van Richard Flanagan voor mij een schok van de hoogste magnitude. De sterren die in kranten worden uitgedeeld zijn een momentopname en vaak het resultaat van een vluchtige indruk. Voor mij ligt de echte waarde van een boek in de nawerking, in de naschokken die het veroorzaakt. De meeste romans laten zich makkelijk neerleggen en worden al snel gevolgd door andere. Maar van ‘Vraag 7’ moest ik even bekomen en op dit moment probeer ik nog steeds te begrijpen waar de schok vandaan kwam.
Op het eerste gezicht is dit een zoveelste voorbeeld van autofictie waarbij de auteur zijn ervaringen beschrijft in de hoop dat de lezer er enige connectie zal mee krijgen. Dat ligt niet voor de hand omdat het leven van de schrijver en vooral dat van zijn vader niet alledaags is. Het boek begint bij een bezoek aan een Japans kamp waar de vader tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid verrichtte. We krijgen geen gruwelijke verhalen te horen maar alleen glimlachende Japanners te zien die vergeten zijn wat er is gebeurd.
Maar omdat literatuur een roeien is tegen de stroom in van het vergeten, legt de schrijver meteen zijn roeigerief op tafel in het tweede hoofdstuk. Hij is niet van plan het hierbij te laten. “Soms vraag ik mij af waarom we steeds terugkeren naar het begin; waarom we zoeken naar die ene draad die misschien, wanneer we eraan trekken, het tapijtwerk dat we ons leven noemen zal doen ontrafelen, in de hoop dat we daarachter de waarheid van het waarom zullen vinden. Maar er is geen waarheid. Er is alleen dat waarom. En als we goed kijken, zien we dat er achter dat waarom alleen maar een ander tapijt ligt. En daarachter nog een, en nog een, tot we in de vergetelheid belanden.”
De strijd tegen het vergeten begint voor Flanagan op 6 augustus 1945, de dag waarop de atoombom boven Hiroshima werd gedropt. Zonder die atoombom zou vader Flanagan zijn gevangenschap niet hebben overleefd en zou de schrijver nooit geboren zijn. De ontwikkeling van de atoombom is een belangrijke verhaallijn in het boek en kent vele onverwachte wendingen. Zo komen we terecht bij de Britse science-fictionschrijver H.G. Wells die in een roman van 1912 voor het eerst een atoombom liet ontploffen. Daarmee legt de auteur een verrassende link tussen fictie en realiteit. Een van de deelnemers van het Manhattan-project, de Hongaarse natuurkundige Leo Szilard, had immers het boek van Wells gelezen en het zou hem op het idee gebracht hebben hoe de bom er uiteindelijk moest uitzien. Wat Flanagan doet besluiten: “Fictie mag pure fantasie zijn, de werkelijkheid is vaak niet meer dan ons eigen, enthousiaste antwoord op dromen en nachtmerries.”
Zonder de verbeelding van H.G. Wells was er misschien geen atoombom geweest en zou dit boek nooit geschreven zijn. Met dit verhaal is een van de tapijten van de herinnering ontrafeld maar het is niet het laatste. Verder terug in de tijd ligt de wrede geschiedenis van de strafkolonie die Tasmanië eeuwenlang is geweest. De voorouders van de schrijver zijn Ieren die naar het andere eind van de wereld werden afgevoerd om er dwangarbeid te verrichten. Ze waren niet veel beter af dan de aboriginals die systematisch werden opgejaagd en vermoord om plaats te maken voor schaapfokkerijen. De genocide van de oorspronkelijke bevolking ging hand in hand met de uitroeiing van de Tasmaanse tijger, een buideldier dat in het boek even voorbijflitst in de koplampen van de auto van zijn ouders. Op dat moment werd het dier als uitgestorven beschouwd maar de tijd maakt vreemde kronkels in de wouden van Tasmanië.
Voor de schrijver ontvouwt zich een nieuw tapijt waanneer hij begint te vermoeden dat een van zijn grootmoeders van oorsprong aboriginal was. Dat leidt tijdens een verblijf in Londen tot een openbaring van gespletenheid: “Lange tijd begreep ik niet dat het mogelijk was tegelijkertijd zowel bij de kant te horen die de macht heeft, die de vernietiging – even alomvattend als onbeschrijfelijk – heeft ontketend, als bij de kant die alles kwijtraakt.” Flanagan schrijft immers in het Engels, de taal van de heersers, maar hij voelt zich alleen thuis in de bossen van Tasmanië tussen de afstammelingen van gevangenen en inboorlingen. En hij is altijd het kind gebleven dat zich die avond herinnert waarop de auto stopte voor een Tasmaanse tijger, “het kind dat op zoek gaat naar iets dat zijn ouders vlak tevoren gezien hebben en dat al voor altijd verdwenen was, en nooit meer zou terugkomen.”
De magie van dit boek ligt in de manier waarop de lineaire tijd wordt opgeheven. Als Europeanen hebben wij de gewoonte in rechte lijnen te denken en de meeste van onze verhalen vertonen een lijn van begin naar einde. Dat schema klopt niet in Tasmanië. In vergelijking met de oeroude verhalen van de aboriginals is de Europese literatuur “aanstellerij van adolescenten”. Als dit boek ons iets leert, is het een andere omgang met de tijd. “In Tasmanië was de geschiedenis onbestendig en de werkelijkheid anders: geschiedenis faalde voortdurend, geschiedenis keerde telkens terug, niet als antwoord of troost, niet als vooruitgangsverhaal, maar als de plaats van een bloedbad, een leeggekapt, afgebrand bos, veroordeeldentaal die sprak van wat niet kon worden uitgesproken, lang gestorven, mythische wezens die maar bleven rondspoken, een vraag stelden die ik een heel leven zonder succes heb trachten te beantwoorden. (..) De geschiedenis volgde geen rechte lijn, alleen een cirkel. Uiteindelijk bleek alles zoals de oeroude petrogliefen het afbeelden: een cirkel cirkelend binnen cirkels, het grootse idee van tijd op het eiland, dat zich in veertigduizend jaar menselijke ervaring gevormd had.”
Het gevoel van gespletenheid maakt een nieuwe tijdservaring mogelijk, zoals de madeleine bij Proust het moment in het verleden zijn diepere dimensie geeft. En hoewel hij in tijd en ruimte enorm ver afstaat van de Franse verkenner van de verloren tijd, gaat Flanagan op zijn manier dezelfde weg op. Niets is proustiaanser dan deze uitspraak: “We verzinnen het verleden zodat we verder kunnen. Misschien is het verleden de plek waar we heen gaan”. En op de laatste bladzijde van zijn boek, wanneer hij vaststelt dat zijn vriendin zwanger is, bedenkt hij dat hij geen excuus meer heeft om het schrijven van zijn boek nog langer uit te stellen. Ook dat klinkt vertrouwd in de oren maar toch helemaal anders omdat het niet bedacht werd in het Parijse salon van de prinses van Guermantes maar aan de oevers van de Franklin rivier in het regenwoud van Tasmanië.
Johan Gezels