2 juni 2026
Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman. Een zoektocht naar menselijkheid, deel II.
Vijf jaar na het eerste deel ligt nu deel twee van ‘Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman’ op de plank. Deze “zoektocht naar menselijkheid” - zoals de ondertitel luidt – is een collectie essays, waarin Johan Braeckman zijn filosofische inzichten uiteenzet in een vraaggesprek met Dirk Verhofstadt. De zoektocht naar menselijkheid is gearticuleerd in vijf welomlijnde hoofdstukken. Maar zoals het hoort in een amicaal gesprek is de argumentatie nooit strak of streng.
Als lezer kan men zich laten meevoeren door de meanderende wijsheid van een immens erudiet man. In zijn poging om te definiëren wat het is om mens te zijn, spant Braeckman het hele arsenaal van de voorhanden zijnde kennis in het gareel: de Bijbel, filosofen van de pre-socratici tot de postmodernen, mythes en literatuur, een galaxie aan wetenschappers uit de meest diverse disciplines. Samen met het eerste deel biedt het voorliggend volume een exhaustief beeld van de menselijke conditie in het licht van wetenschap en filosofie - aan de hand van een argumentatie die gekenmerkt wordt door diepgang zonder grootspraak.
Het interviewformaat is op zich een veelzeggende keuze. Als hoofdauteur heeft Braeckman zich het comfort van het apodictisch statement ontzegd. Hij verkondigt geen ideeën ex cathedra, maar laat ze in een conversatie met een mede-geleerde (tevens vriend) in de loop van het gesprek en de daarvan afgeleide schriftuur geboren worden.
Naast eruditie, kenmerkt dit anti-dogmatisme het hele opzet. Zo wordt de menselijke conditie in de eerste plaats belicht vanuit de evolutietheorie. Maar dit evolutionair perspectief is niet zo overweldigend dat het alle andere inzichten versmacht. Het onderzoek naar het wezen van de mens wordt eclectisch gevoerd: het vertrekt vanuit de constatering dat de mens een dierlijke afstamming heeft en dat die genealogie een verklaringsgrond biedt voor tal van humane fenomenen. Maar evenzeer wordt beklemtoond dat door het verwerven van bewustzijn – op zichzelf een evolutief proces – de mens zijn dierlijke aard overstijgt. Bij de antecedenten van de mens gelden de darwinistische wetten onverminderd. Bij de mens worden die biologische determinanten aangevuld met de normen van de ethiek. De mens wordt vooral geduid als een moreel wezen. En op die manier wordt de zoektocht naar de mens synoniem met een zoektocht naar menselijkheid.
Die menselijkheid – zo blijkt uit iedere pagina van het boek – heeft twee hoofdcomponenten. Mens-zijn betekent eerst en vooral verwonderd zijn. De auteur noemt zijn bestaan “– en dat van iedereen op aarde – een wonderlijk toeval” (210). Verwondering kleurt dan ook de hele argumentatie. De mens wordt geschetst in de volle onbegrijpbaarheid van het bestaan, in de volledige naaktheid en onverklaarbaarheid van de pure existentie - als een vreemdsoortig schepsel, de vrucht van miljoenen jaren evolutie, verloren in een oneindig heelal. In het overschouwen van de menselijke conditie passeren de meest wonderbaarlijke dingen de revue: het gezang van bultrugwalvissen, het dansen van bijen, de “espaces infinis” die Blaise Pascal vrees aanjoegen, de stappen die het leven op aarde heeft doorgemaakt van de eencellige prokaryoten tot de hominiden en uiteindelijk de Homo sapiens, en tenslotte de al even verbluffende ontwikkeling van een embryo tot volwassen mens. Kortom, de hele evolutie van heelal en mens, zowel fylo- als ontogenetisch, wordt geëvoceerd in een adembenemend panorama.
Als voorbeeld van een “wonderlijk toeval” wordt uitvoerig ingegaan op ontstaan en ontwikkeling van het taalkundig vermogen van de mens. In het dierenrijk zijn er vernuftige vormen van communicatie en cultuuroverdracht. Japanse makaken leren van elkaar hoe voedsel te wassen, en chimpansees gebruiken een repertoire van geluiden om betekenis over te brengen. Maar het expressief vermogen van dergelijke dierlijke communicatievormen verbleekt bij de creatieve potentie van natuurlijke mensentaal - een oneindig wendbaar instrument, in staat tot het ongelimiteerd scheppen van communicatie en cultuur. Dankzij de taal heeft de humane kennisoverdracht zich pijlsnel ontwikkeld: van de kleitabletten uit Mesopotamië tot de informatie-explosie op het internet in een tijdspanne van nauwelijks 5000 jaar. In vergelijking met de biologische evolutie is dit een nanoseconde.
Wat in hoge mate bijdraagt tot de verwondering over het bestaande is het feit dat taal en de andere verbluffende menselijke vermogens er gekomen zijn door louter toeval – door een kosmische samenloop van omstandigheden zonder enig naspeurbare grondslag of reden. In een pakkende sleutelpassage wordt die toestand van doelloosheid waarin de mens zich bevindt als volgt omschreven:
Binnen een tijd die zich uitstrekt over miljarden jaren, in een ruimte waarvan ik de dimensies niet echt kan bevatten, bevind ik me op een van de vele miljarden planeten die volstrekt doelloos rondzweven in het universum. Ik ben een exemplaar van een soort die miljarden leden kent en die naast of met tientallen miljoenen andere soorten leeft. Mijn lichaam bestaat uit miljarden atomen die zich enkele decennia hardnekkig verzetten tegen de tweede wet van de thermodynamica, maar uiteindelijk die strijd moeten opgeven, waarna ik verdwijn. (331-2)
De ongerichtheid en eindigheid van het bestaan hoeven echter in het allerminst een reden te zijn tot angst of neerslachtigheid:
Maar die clustering van al die atomen, in het bijzonder het onderdeel dat mijn hersenen vormt, zorgt ervoor dat ik kan voelen, kan denken, lachen, wenen, liefhebben, ontroerd kan zijn, kan praten, ruiken, proeven, genieten, voelen en zien, en ga zo maar door. Hoe wonderlijk en verbazend! Wat een geluk, toch voor mijzelf, dat net die constellatie van atomen is ontstaan – ongericht
en onbedoeld dan nog – die mijn bestaan mogelijk maakt. (332)
Het wonderlijke toeval dat materie, heelal en het bestaan van de mens mogelijk maakt, roept traditioneel de vraag op of er geen bovennatuurlijk wezen deze toevalligheden dirigeert. Is wat arbitrair lijkt niet een onderdeel van een goddelijk scheppingsplan? In dit verband citeert Braeckman met instemming een anekdote (misschien apocrief) waarin Napoleon vraagt aan de wiskundige en astronoom Pierre-Simon Laplace waar ergens in zijn systeem God zich bevindt. Laplace antwoordde laconiek: ‘Sire, ik heb geen nood aan die hypothese.’ Om het toeval van het bestaande – de ruimte, de materie, de mens – te verklaren is de hypothese van een bovennatuurlijke Schepper niet nodig. Een theologische verklaring laat immers de vraag onbeantwoord waar de Schepper vandaan komt. Met andere woorden, het mysterie wordt nog mysterieuzer, een complexe vraagstelling wordt nog complexer. Het mysterie beantwoorden met een dogma biedt mogelijks een emotionele of intellectuele uitweg. Maar het is geenszins een afdoende verklaring. En terwijl het religieus dogma troost en zekerheid biedt aan sommigen, vormt het voor anderen een voorwendsel tot wreedheid en intolerantie.
Sommige kosmologen en vooral filosofen en theologen wijzen op de precieze afstelling van natuurwetten en -constanten, waardoor leven op aarde mogelijk wordt, en zien daarin het bewijs van een transcendent opzet achter de schepping. Volgens deze redenering is het ontstaan en voortbestaan van het heelal en het leven allemaal veel te bijzonder om louter toevallig te zijn en wijst de finetuning van het universum op een teleologie, een ultieme doelstelling, die het arbitraire overstijgt. Ook deze zienswijze wordt door Braeckman op een resolute en terzelfdertijd speelse wijze ontkracht. “Er zijn gebeurtenissen, zoals het ontstaan van het leven, die zodanig onwaarschijnlijk op ons overkomen dat het lijkt alsof er een ontwerper aan te pas kwam” schrijft hij (272). Maar in een universum met miljarden hemellichamen en over een tijdspanne van miljoenen jaren is het toevallig verschijnen van leven ergens in die enorme ruimte een reële mogelijkheid:
Als we één chimpansee op het keyboard van een laptop laten trommelen, is de kans dat hij iets zinvols typt niet erg groot. Maar als we dat door miljarden chimpansees laten doen en ze krijgen genoeg tijd, dan is het bijna onvermijdelijk dat er hier of daar eentje iets betekenisvols typt… De wetten van de waarschijnlijkheidsrekening zijn misschien contra-intuïtief, maar daarom niet minder waar. (272).
De mens is in een absurdistisch universum geworpen. Het bestaat om geen enkele naspeurbare reden. Dit betekent echter niet dat het universum zich in een chaotische toestand bevindt. Integendeel, zoals Braeckman stelt: “alles in de natuur verloopt volgens deterministische, causale wetten” (237). De krachten die de toevallig ontstane werkelijkheid beheersen, beantwoorden aan vastgelegde structuren en oorzaak-gevolg patronen, die de wetenschap progressief weet te onthullen. Als we die wetten exhaustief zouden kunnen doorgronden, dan zou blijken dat alles onveranderlijk vastligt. De conclusie die hierop volgt is ontnuchterend: “Al hetgeen we toeval en vrijheid noemen, illustreert simpelweg onze onwetendheid over de oorzaken” (237).
Met andere woorden, de mens leeft in een universum zonder externe gronding, waarbinnen het verloop van alle natuurfenomenen – eens ze zich voordoen - onwrikbaar vastligt. Het is tegen die dubbele aanname dat Braeckman het tweede hoofdkenmerk van het mens-zijn (naast verwondering) formuleert: de individuele en collectieve verantwoordelijkheid. Op het eerste gezicht is zo’n stellingname uiterst verrassend en zelfs paradoxaal. Zowel de accidentele, random oorsprong van het universum als het determinisme in de natuurwetten schijnen ons te beroven van alle vrijheid en terzelfdertijd te ontslaan van elke verplichting. En toch demonstreert de auteur door vele voorbeelden hoe “nurture” evenzeer een rol speelt in menselijk gedrag als “nature”. Bij de mens wordt de natuurlijke, biologische predestinatie gecomplementeerd door culturele formatie. Geweld, bijvoorbeeld - een intrinsiek kenmerk van de natuur - wordt gemilderd door beschaving op collectief vlak en door zelfdomesticatie op persoonlijk vlak. Bewustzijn stelt ons in staat tot verwondering. Datzelfde bewustzijn maakt het ook mogelijk gedeeltelijk de natuurwetten te overstijgen. Zo ontstaat de menselijke moraal. En verschuift het relaas van het mens-zijn ook noodzakelijkerwijze van het descriptieve naar het normatieve, van de wetenschap naar de ethiek.
Wat dat essentiële moreel aspect van het mens-zijn betreft, worden vooral Spinoza en Nietzsche en, in het spoor van Nietzsche, de existentialisten geduid als de wegbereiders en gidsen. Spinoza was er zich van bewust dat de werkelijkheid bestaat uit een keten van steeds verder teruggaande oorzaken. Alles ligt onveranderlijk vast. Maar de mens heeft de unieke eigenschap te kunnen handelen in overeenstemming met zijn eigen natuur. In die zin is de mens vrij: “Hoe meer de oorzaken van je gedrag uit jezelf komen, hoe vrijer je bent. Hoe meer je handelt als gevolg van externe oorzaken, hoe onvrijer” (248-9). Met andere woorden, vrijheid bestaat uit zelfbepaling. Om tot die zelfdeterminatie te komen moet men zich laten leiden door de rede, door rationele reflectie: “[a]ls die je gedrag determineert, doe je aan zelfbepaling – wat overeenkomt met vrijheid” (249).
Dit spinozistisch inzicht staat, merkwaardig genoeg, niet zover af van Nietzsches concept van de Übermensch – tenminste als dit begrip correct wordt geïnterpreteerd. De Übermensch, zo stelt Braeckman,
is een mens die het leven ten volle beleeft, net omdat een goddelijk plan onbestaande is. Die Übermensch bestaat niet echt. Het is een ideaal om na te streven, een vorm van levenskunst om de vertwijfeling en het nihilisme te overstijgen. De Übermensch leeft in harmonie met zichzelf. Hij aanvaardt de eindigheid en intrinsieke zinloosheid van het bestaan en put net daaruit vreugde en betekenis. (288).
Het is Dirk Verhofstadt die in deze context de link legt met het existentialisme en meer bepaald met Camus’ Le Mythe de Sisyphe. Als straf van de goden wordt Sisyphus verplicht een rotsblok naar de top van een berg te duwen, waarop het rotsblok telkens weer de berg afrolt en Sisyphus met de arbeid moet herbeginnen, opnieuw en opnieuw. Voor Camus is dit een zinnebeeld van het absurde bestaan, dat geen metafysische grondslag kent en noodzakelijkerwijze eindigt in de vergetelheid. Maar dit vooruitzicht leidt geenszins tot defaitisme of wanhoop. Het boek eindigt met de bekende woorden: “La lutte elle-même vers les sommets suffit à remplir un cœur d'homme. Il faut imaginer Sisyphe heureux.”
Er is in het universum en het menselijk bestaan geen externe zingeving te bespeuren. Maar door de gave van het bewustzijn en van de rede is de mens in staat zelf betekenis aan het leven te verlenen. Dit gebeurt, zo betoogt Braeckman in een bewogen conclusie tot zijn majestueuze magnum opus, dankzij het beheersen van de humanistische levenskunst. Het uiteindelijk doel is het goede leven, dat bereikt wordt als het mens-zijn samenvalt met (mede-)menselijkheid:
als je niet leeft met het oog op een hiernamaals, dan leef je voor jezelf en hopelijk ook voor anderen. De enigen die last van je dood kunnen hebben, zijn je nabestaanden, je vrienden en je geliefden. Daarom moet je een leven leiden dat je nabestaanden de kans biedt om zich te troosten met wat je voor hen betekende tijdens je leven. Je maakte tijd voor hen vrij, je steunde hen met woorden en daden, je bracht vreugde en geluk in hun leven, je schonk hen datgene waaraan ze nood hadden. Als je zo leefde, veroorzaakt je dood veel verdriet, maar dat wordt oprecht getemperd door het zinvolle van je bestaan in het leven van anderen. (337)
Kristiaan Versluys