Jaron Beekes
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 306 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

9 april 2021 Kunsjt! Een Joodse kijk op kunst in 50 meesterwerken
De op Netflix druk bekeken tv-serie Shtisel volgt de levens van rabbijn Shulem Shtisel en die van de andere leden van zijn familie, met name van zijn jongste zoon, de charmante en ongetrouwde kunstschilder Akiva. De Shtisels wonen in een buurt waar men leeft volgens de strikte gebruiken van de Haredi (ultra-orthodox). De serie is een uitnodiging om verder te kijken dan het uiterlijk. Onderdompeling in de serie is tegelijk bevreemdend én herkenbaar.
De makers zijn er met name in geslaagd een zo correct mogelijk beeld van de gemeenschap te geven zonder in eendimensionale clichés te vervallen. Geen enkele groep spreekt immers met één mond en denkt met één hoofd. De menselijke neiging daar vanuit te gaan, wordt in de serie mooi geïllustreerd door een gesprek tussen Akiva en zijn galeriehouder Izzy Kaufman. Kaufman, zelf niet religieus, heeft een uitnodiging voor een interview met Akiva gekregen van een nationale televisiezender, een enorme kans voor de jonge kunstenaar. Hij legt het aan Akiva voor, een beetje aarzelend, want ‘ik weet dat jullie niet zo van media houden’. Waarop Akiva scherp en terecht antwoordt: ‘Jullie? Ik ben hier alleen.’

Enfin. Als toerist in Jeruzalem werd ik zelf ooit bij binnenkomst in een museum op de stringente regels gewezen: gepaste kleding, het eerbiedigen van de sjabbatrust en geen foto’s maken van de aanwezigen. De gesloten gemeenschap zit er overduidelijk niet op te wachten gefascineerd bekeken te worden, al zijn ze daarmee onbedoeld nog meer op een bezienswaardigheid gaan lijken. Voor velen is het jodendom, net als de kunstwereld een exclusief en haast ondoordringbaar fort, waar je vooral in omzichtige termen over hoort te spreken. Hoe zit dat met het tweede van de Tien geboden: ‘Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.´?  (Exodus 20:4.) Wat bindt schilders als Marc Chagall, Mark Rothko en Isaac Israëls? Was Rembrandts Joodse bruidje eigenlijk wel Joods? En waarom stond Vincent van Gogh als devoot christen met een bos sneeuwklokjes op de stoep bij zijn Joodse leermeester?
Als eindredacteur en columnist voor het Nieuw Israëlitisch Weekblad beantwoordt Jaron Beekes (°1982) vragen als deze in zijn boek Kunsjt! Een Joodse kijk op kunst. Een eigenzinnige zoektocht naar zoiets als Joodse identiteit binnen de kunsten. Lees en ontdek dat creëren een bij uitstek religieuze daad is. Zoals Picasso al zei: ‘God is ook maar een kunstenaar. Hij bedacht de giraffe, de olifant en de kat. Hij heeft geen eigen stijl; hij probeert gewoon steeds iets anders.’ (p. 12)

De 50 kunstwerken die hij bespreekt zijn heel divers en komen uit de periode van pakweg 1500 tot vandaag. Oh ja, “kunsjt” is het jiddische woord voor “kunst”.
_Een voorhuid van marmer en ander leuks
Florence. David is niet besneden. En dat vindt Beekes ronduit raar. Zijn verklaring is dat David door de kunstenaar niet als Bijbelse koning is afgebeeld, maar als symbool voor de underdog, die de heidense reus verslaat. Er zit volgens de schrijver maar één ding op: besnijden, die David: ‘Van Michelangelo himself is immers de uitspraak dat het ideale beeldhouwwerk al verscholen zit in het marmer, het hoeft alleen te worden bevrijd; volgende keer als ik naar Florence ga, neem ik mijn hamer en beitel mee.’ (p. 16) Niet onbelangrijk detail: het iconische beeld siert voyant de omslag van het boek.

Het Bijbelse verbod om afbeeldingen te maken heeft volgens de schrijver betrekking op het afbeelden van levende wezens en wordt bevestigd door de middeleeuwse filosoof Maimonides, een soortement tweede Mozes: ‘…want voor je het weet kniel je ervoor neer en dat is afgoderij, een doodzonde. Een afgodenvereerder is zo’n beetje het ergste wat je kunt verzinnen, vindt de Rambam (letterwoord, afkorting van rabbi Mosjee Ben Maimon).’ (p. 58/p. 181). (1)

Natuurlijk kan ook Beekes niet om Marc Chagall heen – volgens hem is een Joods interieur niet compleet zonder een reproductie van zijn werk. Je kunt in Buitenveldert en omstreken bijna geen huis binnenlopen of de koeien en de kippen, de rebbes en profeten zweven je om de oren (p. 17). Maar toch vindt hij hem maar zus en zo; een beetje van dit en een beetje van dat. Een middelmatig gedreven artiest die het kubisme net niet helemaal begreep en die koketteerde met al dan niet verzonnen sjtetl-folklore (Oost-Europees dorp of stadje). En citeert met graagte het gedicht Liever niks (1973) van Gerard Reve. Denk er zelf de sonore basstem bij.
Als ik een doek van Chagall zie,
zie ik terstond een juff rouw met knotjeshaar
die zegt jongens en meisjes dit is dus
wat de schilder als het ware droomt met zijn geestesoog
zoals het uit die viool die speelt opstijgt
en werkelijkheid wordt: de innerlijke
belevingswereld zoals de kunstenaar die ervaart
want dat paard dat vliegt niet echt door de lucht
dat begrijpen jullie wel.
Maar als ik ook iets zeggen mag,
of dat paard echt door de lucht vliegt of niet:
liever helemaal geen kunst dan Marc Chagall.

 
De zelfbenoemde volksschrijver mag dan een racist, provocateur pur sang en allround nare man geweest zijn, in dit geval snap ik hem wel. Marc Chagall is edelkitsch. Je hebt er al snel genoeg van, maar het hoort er nu eenmaal bij, want het is zo lekker Joods.’ (p. 17-18)
Lijkt Superman op Mozes? Als je met een Joodse blik naar kunst kijkt, vallen je de gekste dingen op. Veel superhelden hebben een Joodse achtergrond, weet beekes. Van Superman (geschreven door Jerry Siegel en getekend door Joe Shuster, beiden Joods) wordt wel eens beweerd dat hij sprekend lijkt op de Bijbelse Mozes: ‘Joseph Goebbels was er zeker van: Superman is Joods. De naziminister van Propaganda zou niet de eerste zijn die dit beweerde en zeker niet de laatste. Nog altijd zien veel lezers in Supermans afkomst een parallel met die van Mozes: een uitverkoren kind dat in een vaartuigje wordt weggestuurd van zijn tot ondergang gedoemde volk, en wordt geadopteerd in een wereld waar hij zijn ware identiteit verborgen moet houden’ (p. 98).

Vast staat dat veel Joodse illustratoren in de jaren twintig en dertig in de Verenigde Staten door discriminatie niet binnenkwamen bij vooraanstaande uitgeverijen en reclamebureaus. Dus gingen ze strips maken, een genre waarop werd neergekeken. Met alle gevolgen vandien: Boem! Paf! Oy!

Maar Joden zijn niet alleen oververtegenwoordigd in de wereld van vliegende halfgoden in te strakke maillots. Halverwege de jaren tachtig kwam de graphic novel op, het boeklange, meer volwassen equivalent van de strip. De beroemde graphic novel ‘Maus’ werd geschreven door de Joodse Art Spiegelman. Daarin verwerkt hij de kampherinneringen van zijn vader en stelt hij Joden als muizen voor, Duitsers als katten, Amerikanen als honden, Polen als varkens enzovoort. Het werd een schoolvoorbeeld voor de serieuze, literaire strip. En Beekes kan het weten, want hij schreef en tekende zelf twee graphic novels, waarvan er een gaat over Baruch de Spinoza en de ander over Brian Epstein. (p. 99)
Tijd nu voor een streepje muziek. Voor een levensgrote hit van The Beatles.

Waren die Joods dan? Nee, maar wie zoekt vindt vroeg of laat wel wat aanknopingspunten. Toen de  single ‘Hey Jude’ uitkwam in 1968, hadden de Fab Four net een joekel van een zakelijke miskleum achter de kiezen. Eén van hun Londense kledingwinkels moest sluiten wegens gebrek aan succes. Om toch nog iets aan het lege pand te hebben, kreeg Paul McCartney het lumineuze idee de titel van de nieuwe single met zwarte verf op de witgekalkte winkelruiten te schilderen. Hey Jude: ‘Lees de twee woorden even hardop in het Duits en je snapt dat de link met de nazi’s snel gelegd was. Er kwamen protesten van de Joodse gemeenschap en de ruiten werden door voorbijgangers ingegooid, wat de associatie met de Kristallnacht alleen nog maar sterker maakte.’ (p. 43) Waargebeurd!

Trouwens, McCartneys latere vrouw Linda was Joods. En manager Brian Epstein ook.

Waarom, denken jullie, vindt Beekes dat het werk van de abstract-expressionistische Amerikaanse schilder Markus Rothkowitz (1903-1970) erg goed in de Joodse traditie past? Markus wie? Vooreerst omdat hij zijn Joodse naam verengelst zoals behoorlijk wat kunstenaars en artiesten dat deden: Mark Rothko dus! Bovendien is de abstractie een typisch Joodse manier om beelden te maken. Herinner jullie dat het tweede van de Tien geboden immers verbiedt om herkenbare beelden te maken, dus dat lag altijd wat gevoelig. Joden hebben nu eenmaal een verhalende traditie, het beeld hobbelde er altijd wat achteraan en iemand als Rothko zocht juist daarom in de schijnbaar betekenisloze kleurvlakken naar een goddelijke aanwezigheid: ‘Als kunstliefhebber hoor je voor zijn kleurvlakken een religieuze, ja zelfs transcendentale beleving te ondergaan, als je de verhalen moet geloven. Velen schijnen in huilen uit te barsten wanneer ze oog in oog met zijn schilderijen staan.’ (p. 148)
Verder vindt Beekes Rembrandts vroege, intieme schilderijtje - ter grootte van een A4’tje - De schilder in zijn atelier (1626-1628) wel honderd keer mooier dan die overschatte, bombastische Nachtwacht: ‘Op de kunstacademie heb ik geleerd hoe belangrijk het is om af en toe afstand te nemen. Om tijdens het schilderen voortdurend heen en weer te lopen, voor- en achteruit. Om te dansen voor je ezel. Wat dat dansen voor je ezel voor de kunstenaar is, is sjabbat (rustdag van vrijdagavond tot zaterdagavond) voor de jood: afstand nemen om alles eens van een afstand te bekijken. Want als je niet oppast. Verlies je het grote geheel uit het oog: waar ben ik eigenlijk mee bezig? Wat is echt belangrijk. Kleur ik niet te veel buiten de lijntjes, of juist te weinig?’ (p. 78)

Vincent Van Gogh vond Het Joodse bruidje van Rembrandt dan weer het mooiste schilderij dat hij kende. Overigens was dat bruidje waarschijnlijk niet Joods, want volgens Beekes is er hier sprake van een wijdverbreid misverstand. Het ziet er helemaal niet uit als een Joodse bruiloft. En er wordt bij bruiloften ook maar heel zelden een hand op de borst van een vrouw gelegd: ‘Dit is gewoonweg een verkleedpartij van Amsterdammers,’ schrijft Beekes, ‘Het was in die tijd niet ongebruikelijk jezelf als Bijbelfiguur te laten afbeelden. Een voornaam Amsterdams echtpaar heeft zich hier zich uitgedost als de Bijbelse Isaak en Rebekka. De negentiende-eeuwse kunstverzamelaar Adriaan van der Hoop heeft het schilderij later de naam Het Joodse bruidje gegeven. Je zou denken dat het in het calvinistische Holland van de Gouden Eeuw als ijdeltuiterij of als blasfemie werd gezien om jezelf de Bijbel in te schilderen, maar niets is minder waar. Zo verkleedde de meester zelf zich als apostel Paulus of de verloren zoon uit de gelijknamige parabel.’ (p. 20-21) Maar dat is alweer een ander wetenswaardig verhaal.
_Aanbeveling
Beekes studeerde algemene cultuurwetenschappen en illustratieve vormgeving en maakt illustraties voor tijdschriften, posters, flyers etc. Daarnaast heeft hij een wekelijkse cartoon in Folia, het onafhankelijk medium voor studenten en medewerkers van de Universiteit Amsterdam, en werkt hij als freelance recensent voor onder andere de Joodse Omroep en Metropolis M, het blad van de studenten kunstgeschiedenis van de Unversiteit Utrecht. Hij werkte ook mee aan het NPO3 tv-programma Dwars door de Diaspora.

Maar hoe schrijf je als cultuurwetenschaper en illustrator over kunst en kunstenaars in een tijdscharnier met amper ijkpunten? Beekes’ op het jodendom geïnspireerde antwoord mag niet verrassen: door van diezelfde vrijheid gebruik te maken. Hij creërt in het boek dan ook overduidelijk specifieke invalshoeken om het leven en het werk van de door hem geselecteerde kunstenaars te belichten. Dit biedt allicht nieuwe, vaak gedurfde interpretaties voor wat er zoals in het hoofd van een (Joodse) kunstenaar omging bij het aanbrengen van die ene verftoets en voor de ontrafeling van allerlei godsdienstige en psychologische achtergronden bij de uitgebeelde taferelen. Mogelijkheden zat.

Al met al is dit een anekdotisch, vrolijk en bijzonder relativerend boek voor wie van luchtige schrijfsels houdt, en af en toe een witz (grap) wil lezen. Gefundenes Fressen voor wie zich wil laten verrassen door bijwijlen even vrije als originele associaties van een Joodse columnist. Voor wie graag, en liefst ongevraagd, op theevisite gaat bij beroemdheden als Vermeer, Warhol, Basquiat, Dali, Dix, Mondriaan, Magritte & co en voor wie van aardige weetjes houdt zal dit boek wellicht een erg leuke publicatie zijn.

Dit is heus geen kunstboek dat je diepgravende en welafgewogen inzichten voorschotelt. Wie een historisch verantwoorde en genuanceerde uiteenzetting over het fenomeen Joodse kunst en de Joodse visie op kunst zoekt moet niet bij Beekes aankloppen. Hopelijk werken zijn aanmoedigende verhalen even inspirerend als het abondante palet van het gros der kunstenaars die hij jullie wil laten (her)ontdekken. Met andere woorden: Kunsjt! is een boek waarin in een beperkt aantal luchtige woorden iets vrij omvattends uit de doeken wordt gedaan. Geen boek dat je van a tot z moet lezen, laat staan herlezen…
_Noten
De schrijver verwijst geregeld naar Bijbelteksten waaronder ‘Spreuken, Samuël, Exodus, Genesis, psalmen’. Hij gebruikt ook vaak joodse en jiddische woorden. In de verklarende woordenlijst, van drie bladzijden achteraan het boek, staan er veel toegelicht, ook van woorden die niet in het boek voorkomen.
Jaron Beekes
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. Hij is ondervoorzitter bestuursorgaan Instelling Morele Dienstverlening Vlaams-Brabant. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies