29 mei 2026
Zien & Geloven. Zintuiglijke ervaring in de late middeleeuwen
Wanneer een getijdenboek uit 1480 een miniatuur toont waarop de duivel eigenhandig is weggekrabd omdat de toenmalige gebruiker hem zo zijn macht wilde ontnemen, staat men voor een historisch feit dat de gangbare kunsthistorische categorieën op slag overbodig maakt.
Geen stilistische analyse, geen iconografisch schema, geen atelier-context verklaart die kras. Alleen de greep van een angstige of gelovige hand verklaart hem, een hand die eeuwen geleden een afbeelding aanraakte alsof ze daarmee de werkelijkheid zelf kon bijsturen. Dat soort objecten, en dit boek wemelt ervan, onthult iets wat de museale vitrine systematisch verbergt: dat middeleeuwse kunst niet gemaakt werd om beschouwd te worden, maar om gebruikt, versleten, gekust, geroken, opgegeten en aanbeden te worden.
Nelleke de Vries en Kathryn M. Rudy stellen in deze tentoonstellingscatalogus bij de gelijknamige expositie in Rijksmuseum Twenthe een enkelvoudige maar verstrekkende these centraal: de gelovige van de vijftiende en zestiende eeuw beleefde zijn of haar religie met het volledige, ongedeelde lichaam.
Zien was slechts de eerste stap in een veellagige beleving die ook het tasten, het ruiken, het horen, het smaken en het bewegen omvatte. Die these is op zichzelf niet nieuw, historici en kunstwetenschappers hebben haar de voorbije decennia grondig uitgewerkt, maar de manier waarop ze hier wordt geconcretiseerd via de materële slijtage van de objecten zelf, is van een overtuigende directheid die puur conceptueel betoog niet haalt.
Wie dit alles leest vanuit een humanistisch perspectief, en dat is de bril waarmee ik dit boek ter hand heb genomen, kan niet anders dan getroffen worden door een paradox: wat hier als religieuze devotie wordt beschreven, is in wezen een radicaal menselijke aangelegenheid. De vijftiende-eeuwse gelovige zocht het heilige niet in abstracte dogma’s maar in de tastbare, lichamelijke werkelijkheid van alledag, in de kus op een versleten miniatuur, in de geur van wierook, in de gladgepolijste rozenkranskorrel tussen de vingers. Dat is een diep mensgerichte omgang met het transcendente, ook al droeg ze een streng religieus gewaad.
De wetenschappelijke grondslag daarvoor is grotendeels het werk van Kathryn Rudy, die aan de Universiteit van St. Andrews in Schotland, een van de oudste universiteiten van de Britse eilanden, een uitzonderlijk vernuftige methode ontwikkelde: zij meet met een densitometer de mate van vervuiling op perkamentpagina’s en leidt daaruit af welke teksten en afbeeldingen de middeleeuwse lezer het intensiefst benaderde.
De donkerheid van een vingerafdruk correleert rechtstreeks met de frequentie van aanraking, en die correlatie maakt van de slijtage zelf een historische bron. Dat verplaatst de aandacht resoluut van de maker naar de gebruiker, van de intentie naar het gebruik, van het object als autonoom kunstwerk naar het object als levend hulpmiddel in een dagelijks ritueel.
Mijns inziens is dat tegelijk de kracht en de beperking van deze aanpak: slijtage bewijst gebruik maar levert geen betekenis. Ze vertelt ons dat de kus er was, maar zwijgt over de innerlijke toestand van de kussende gelovige.
Wat dit boek op zijn sterkst doet, is de absurde rijkdom van devotionele praktijken teruggeven aan hun logische samenhang. De zogeheten Schluckbildchen, kleine devotionele prentjes die gelovigen letterlijk opaten om de heilende krachten van de afgebeelde heilige lichamelijk in zich op te nemen, lijken bij een eerste lectuur bizarre uitwassen van bijgeloof.
Maar ze zijn in feite de meest letterlijke uitwerking van een principe dat ook aan de eucharistie ten grondslag ligt: het heilige wordt werkzaam doordat het lichaam het opneemt. Dat principe loopt als een rode draad door het gehele boek, van de rozenkranskorrels die door ontelbare vingers glad en glanzend werden gebeden tot de paxtafeltjes, kleine devotionele plaquettes die tijdens de mis werden gekust en daarna rondgereikt, opdat ook de gelovigen in de kerkbanken iets van die kus zouden ontvangen.
De materële ongelijkheid die daarin schuilgaat, de vergulde zilveren exemplaren voor de clerus tegenover de goedkope exemplaren in wit gebakken aardewerk voor de gewone gelovige, verdient overigens grondiger aandacht dan het boek haar gunt.
De beweging van de Moderne Devotie, die de Deventer prediker Geert Grote in de late veertiende eeuw in de Nederlanden op gang bracht en die een bijzonder persoonlijke, lichamelijk ingezette vroomheid propageerde als tegenwicht voor de verambtelijkte kerkelijke vroomheid, vormt de diepste historische grond van alles wat hier wordt getoond.
De intensivering van de devotionele aanraking, het veelvuldiger kussen van heiligenbeelden, het ruiken van relikwiehouders, de kostbare kistjes waarin beenderen of bezittingen van heiligen werden bewaard, het meetronen van een houten Christus op een ezel in de Palmzondag-processie door straten en stegen: dat zijn geen geïsoleerde gebruiken maar samenhangende uitdrukkingen van een spirituele cultuur die het lichaam beschouwde als het voornaamste instrument van godservaring.
Dat wij het geloof sindsdien radicaal hebben geïnternaliseerd, tot iets wat zich uitsluitend ‘tussen de oren’ afspeelt en weinig te maken heeft met materialiteit of lichamelijkheid, is een historische verschuiving van de eerste orde. Dit boek maakt die verschuiving voelbaar zonder haar ooit expliciet te benoemen.
Daarin zit, naar mijn aanvoelen, de eigentijdse relevantie van dit project, en die is aanzienlijk groter dan de keurige museale context doet vermoeden. Wij leven in een cultuur die de zintuigen tegelijk overprikkelt en uitdunt: schermen produceren onophoudelijk beelden maar ontnemen de tastzin, muziek stroomt permanent maar via oortelefoons die de luisteraar isoleren van de gedeelde klankomgeving, voedsel wordt gefotografeerd vóór het wordt geproefd.
De middeleeuwse gelovige die een rozenkrans tussen de vingers liet glijden terwijl de lippen een gebed prevelden en de wierookgeur de kapelruimte vulde, beleefde zijn devotie met een totale, geconcentreerde lichamelijke aanwezigheid die wij, versnipperd over tien simultane aandachtskanalen, goeddeels zijn verleerd. Dat is geen nostalgische idealisering van een verdwenen wereld, maar een scherpe vraag over wat de moderniteit ons heeft gekost aan werkelijke beleving.
Dat die vraag breed resoneert, blijkt uit de overweldigende publieke ontvangst: de tentoonstelling trok meer dan 21.000 bezoekers en werd genomineerd voor de beste tentoonstelling van het jaar in Nederland. Grote kranten lieten zich uitzonderlijk positief uit, en die bijval is op zichzelf al een maatschappelijk signaal. Kennelijk raakt dit onderwerp een latente behoefte aan een beleving die de uitsluitend visuele overstijgt en het lichaam opnieuw als drager van betekenis erkent.
Wie dit boek ter hand neemt na de tentoonstelling te hebben bezocht, en dat was bij mij het geval, al lag er inmiddels een dik half jaar tussen het bezoek en de lectuur van deze catalogus, merkt onvermijdelijk een zekere asymmetrie op. Wat na al die tijd het sterkst is blijven hangen, zijn merkwaardig genoeg niet de reproducties of de curatorsteksten, maar de lichamelijke herinneringen: de geur van was en perkament, de kille hardheid van een bidbank die eeuwen geleden al versleten was, de akoestische naklank van gezongen psalmen in de audiotour.
Dat die lichamelijke indrukken hardnekkiger zijn dan de intellectuele, is op zichzelf al een kleine bevestiging van de centrale these van het boek. En het maakt het gemis des te voelbaarder: wat de catalogus niet kan bieden, had de tentoonstelling in overvloed.
Een boek van 160 pagina’s voor zeven thematische categorieën en honderdvijftig objecten verdeelt zijn aandacht bovendien noodgedwongen dun, en de theoretische vragen die de centrale these oproept, over wat slijtage wél en niet bewijst, over de grenzen van dit soort gebruik-gericht onderzoek, over de verhouding tussen gebruik en betekenis, worden eerder aangestipt dan uitgediept.
Dat hoeft geen bezwaar te zijn voor wie het boek leest als wat het in eerste instantie is: een uitnodiging. Maar wie na de lectuur verder wil, en die neiging zal de meeste lezers niet vreemd zijn, zal elders moeten aankloppen, bij Rudy’s strenger wetenschappelijk werk over het aanraken en kussen van manuscripten, of bij de bredere kunsthistorische literatuur over zintuig en devotie in de middeleeuwen.
Toch dringt zich, naar mijn aanvoelen, een vraag op die het boek zelf liever niet stelt: wat blijft er van die totale lichamelijke betrokkenheid over wanneer het transcendente kader wegvalt? Wanneer er geen God meer is om naar te reiken, geen heilige wiens krachten door aanraking overgaan, geen eucharistie die het lichaam en bloed van Christus werkelijk aanwezig stelt, wat doet de mens dan met die onlesbare behoefte aan zintuiglijke verankering van de betekenis? Het antwoord ligt misschien niet ver: in de concertzaal waar men zwijgend luistert, in het museum waar men gefluisterd spreekt voor een schilderij, in de voetbalstadions waar tienduizenden stemmen samenvallen in één collectieve roes. De vormen veranderen, de behoefte blijft. En dat is, naar mijn aanvoelen, de diepste les die dit boek een niet-religieuze lezer te bieden heeft.
Wat het boek echter ook doet, en dat is zijn blijvende verdienste, is de kijker definitief behoeden voor de naïeve veronderstelling dat het museale object buiten zijn vitrineglas ooit zo heeft bestaan als het er nu uitziet: koel, onaangeroerd, autonoom en tijdloos.
Elk bevlekt perkamentblad, elke weggekuste miniatuur, elke door talloze handen versleten rozenkrans draagt het onweerlegbare bewijs dat religieuze kunst in de late middeleeuwen niet werd beschouwd maar geleefd, niet bewonderd maar verbruikt, niet vereeuwigd maar tijdelijk en intens bezeten door de gelovigen die er hun angst, hun verlangen en hun hoop in legden. Dat inzicht is, eenmaal verworven, niet meer terug te draaien.
Amen.
Benny Madalijns