26 mei 2026
De affectieve plot
Ik wist niet dat ik het in mij had…
Marcel Möring zei het zelf, na afloop van de promotieverdediging van Gerda van de Haar aan de Universiteit Leiden in maart 2026. Hij had er als schrijver bij gezeten, nauwelijks iets gehoord door zijn ernstige gehoorproblemen, en naar eigen zeggen had hij een sereen gevoel van onthechting ervaren terwijl zijn gedachten afdwaalden naar de moeizame totstandkoming van zijn drie vroege romans. En toen hij het proefschrift las, was zijn reactie ontwapenend eerlijk: hij wist niet dat hij het in zich had.
Dat zegt naar mijn aanvoelen veel over de schrijver, en niet minder over deze opmerkelijk rijke studie. De affectieve plot doet immers iets wat literatuurwetenschap zelden lukt: ze legt behendig bloot hoe een schrijver werkt zonder hem nodeloos uit te leggen. Ze tast behoedzaam af wat er met een lezer gebeurt, zonder die ervaring te reduceren tot een formule. En ze doet dat aan de hand van drie romans waarmee Möring zijn naam definitief vestigde: Mendel (1990), Het grote verlangen (1992) en In Babylon (1997).
Möring zelf had als motto voor het boek een uitspraak gekozen die op het eerste gezicht raadselachtig klinkt maar bij nader inzien zijn hele schrijverschap samenvat:
'Er komt een moment dat je het in je verhaal over iets moet hebben, dat breng je echter ter sprake door over iets anders te beginnen.' (Marcel Möring, geciteerd als motto in De affectieve plot.)
Wie In Babylon heeft gelezen, dat rijke, labyrintische boek over Nathan en zijn nicht Nina die een barre sneeuwstorm uitzitten in een vervallen familielandhuis terwijl het beladen verleden zich als een onafwendbare vloedgolf aandient, begrijpt onmiddellijk wat hij bedoelt. Er wordt in dat meesterlijke boek over van alles gesproken, behalve precies datgene waar het over gaat. En toch laat het je niet los.
Die vraag is ook de centrale vraag die Van de Haar stelt, en het antwoord dat ze geeft is naar mijn aanvoelen even eenvoudig als verrassend: het ligt aan de affectieve plot. Niet de plot die je kunt navertellen, maar de gevoelsmatige samenhang die de hele leeservaring draagt, de stemming die zich geleidelijk opbouwt, de spanning die niet wordt ingelost maar voortdurend wordt gevoed, de merkwaardige resonantie die blijft hangen wanneer het boek al lang dichtgeslagen is. Van de Haar formuleert het zo:
Analyse van de poëticale uitspraken leert dat voor Möring het affectieve, het voelen en geraakt-zijn, het belangrijkste element van literatuur en kunst is. Andere elementen blijkt de schrijver in de praktijk als ondergeschikt te beschouwen aan een reiken naar voelen, beleven en ervaren op alle niveaus: van de schrijver, voor de lezer; binnen de plot, in de stilistiek en zelfs in de romanstructuur. (Gerda van de Haar, p. 20)
Van de Haar (1965) is literair essayist, oud-hoofdredacteur van het gerespecteerde tijdschrift Liter en acquirerend redacteur bij uitgeverij Skandalon. Ze schreef dit proefschrift in haar vrije tijd, naast een veeleisende uitgeverspraktijk. Het is geen lichte lectuur, maar een studie die de lezer beloont die bereid is mee te denken over een vraag die het vrijzinnig humanisme al decennia bezighoudt: waarom raakt literatuur ons, en wat ondergaan we lijfelijk voordat we het rationeel begrijpen? Dat verklaart ook waarom het geen koud academisch betoog is geworden maar een studie die werkelijk ademt, die de teksten met volle ernst benadert en de lezer nooit kwijtraakt in een al te theoretisch apparaat, al is dat degelijke apparaat er wel.
Van de Haar bouwt haar begrippenkader zorgvuldig op aan de hand van de Leidse filosoof Gerard Visser, wiens fenomenologie van het affectieve haar de instrumenten geeft om de subtiele gevoelswerking van literaire teksten te beschrijven zonder haar te reduceren tot psychologie of emotieleer. De begrippen open vormen en resonantieruimte zijn haar centrale sleutels: opengelaten verbanden in de tekst, suggesties die bewust niet worden uitgewerkt, beelden die veelzeggend resoneren zonder te verklaren. Het zijn precies die vindingrijke openingen die de lezer binnentrekken en hem tot medeauteur maken van de betekenis die het boek genereert.
Wie Möring echt wil begrijpen als schrijver, moet ook zijn verhouding tot religie kennen, en ook die verhouding neemt Van de Haar serieus. Zo citeert ze in haar biografiehoofdstuk uit een lezing die Möring in 2009 hield over Freud, waarin hij terugblikt op zijn religieuze ontwikkeling en zichzelf vergelijkt met een maraan, een term die verwijst naar de Portugese joden die zich tijdens de inquisitie gedwongen lieten dopen maar binnenshuis trouw bleven aan hun joodse tradities. Möring voelt zich zo: van geen van beide werelden volledig, maar van beide ook niet los te maken. Seculier genoeg om elk dogma te weigeren, joods genoeg om de onontkoombaarheid van die afkomst elke dag te voelen. Die verhouding is niet abstract: zij doortrekt zijn romans op elk niveau.
'Mijn religieuze kinderfantasie, de halve verhalen en de steeds veranderende werkelijkheid hebben ertoe geleid dat ik een zeer particuliere vorm van jodendom beleid, één die op een onorthodoxe wijze orthodox is en waarschijnlijk nog het meeste lijkt op een soort zwarte sprookjes waar uitgerekend de Duitsers zo goed in zijn.' (Marcel Möring, Freudlezing 2009, geciteerd in het boek op pp. 53-54)
Dit citaat raakt naar mijn aanvoelen de kern van wat Van de Haar in haar studie probeert te vatten. De fantasiewereld die Möring hier beschrijft is niet louter biografisch: ze is ook poëticaal. Wie opgroeit met halve verhalen, met een werkelijkheid die voortdurend van gedaante wisselt, met een religieus gevoel dat geen vaste naam heeft maar hardnekkig aanwezig blijft, die schrijft onvermijdelijk romans die niet af willen zijn, die de lezer binnenlaten in een stemming eerder dan in een plot.
Dat is precies wat Van de Haar de affectieve plot noemt: de gevoelsmatige samenhang die niet verklaard kan worden maar wel ondergaan. En het verklaart ook waarom Möring op diezelfde drempel staat als de maraan: noch volledig seculier, noch gelovig, maar schrijvend vanuit precies die onopgeloste ruimte ertussenin.
Van de Haar structureert haar onderzoek in vier delen waarvan het eerste Mörings biografie en poëtica inventariseert via interviews en essays, en de receptie bespreekt van de drie vroege romans, inclusief twee naar mijn aanvoelen bijzonder pikante hoofdstukken: de plagiaatbeschuldiging die Het grote verlangen bij verschijning trof, en het debat rond Mörings Kellendonklezing van 1999, waarin hij zich uitsprak over experiment en lezersemotie. Het tweede deel biedt een uitvoerige fenomenologie van het affectieve, met uitstappen naar Husserl, Heidegger, Meister Eckhart en Aristoteles, en een kritische vergelijking met het Anglo-Amerikaanse affective criticism. Het derde en omvangrijkste deel beslaat de drie close readings, elk ontleed op hun affectieve plot en hun stilistische samenhang. De slotbeschouwing evalueert de methode en formuleert haar uitdrukkelijk als uitnodiging aan anderen om de benadering toe te passen op ander literair werk.
In de nauwgezette analyses laat Van de Haar zien hoe de affectieve plot in elk van de drie romans anders en telkens verrassend wordt gerealiseerd. Mendel stoelt op een fundamentele, ongemakkelijke onzekerheid over wat werkelijk is en wat verbeelding. Het grote verlangen voert de lezer mee in een allesoverheersende stemming van verlangen dat nooit wordt ingelost, en dat is, zo toont Van de Haar overtuigend aan, precies de bewuste bedoeling. En In Babylon is de meest complexe en ambitieuze realisering: een roman die zijn eigen leeservaring thematiseert, het onbetrouwbare geheugen als onderwerp neemt én als structuurprincipe hanteert. Haar heldere eindconclusie over wat de affectieve plot uiteindelijk is, klinkt zo:
‘In de praktijk hebben de analyses geleid tot een werkwijze waarbij een affectieve plot werd geformuleerd naast de gewone plot. Aan de affectieve plot, net als de plot beschouwd als structuurelement van een roman, draagt ook de affectieve potentie van de romantekst bij.’ (p. 38)
Van de Haar citeert ook uit een interview dat zij zelf met Möring voerde voor het tijdschrift Liter, waarin hij het religieuze gemis als een grondtoon in zijn leven beschreef: niet het geloof zelf, maar het verlangen ernaar, het bewustzijn van een leegte die geen seculier leven volledig kan opvullen. Die uitspraak is veelzeggend voor een vrijzinnig publiek, omdat ze een schrijver toont die noch gelovig is, noch onverschillig tegenover het transcendente. Möring staat op de drempel, zoals de maraan op de drempel stond tussen twee werelden, en schrijft van daaruit.
'En nu lukt het me niet meer, geloven. Dat mis ik nog steeds enorm. Het is net als met een liefde die ophoudt. Dat is ook een binding die onafhankelijk van je denken ontstaat, buiten elke sociale context om, meer vanuit een heel diep gevoel. Ik weet niet waarom de wetenschappelijke uitleg van de wereld ineens zo'n grip op mij kreeg. [...] ik begrijp ook niet goed waar dat verlangen uit voortkomt. In Sinterklaas geloof ik ook niet meer, maar dat mis ik niet. Terwijl ik wel een verlangen heb naar het geloof in God.'
(Marcel Möring, interview in Liter, geciteerd in het boek op p. 54)
Dit is naar mijn aanvoelen een van de meest onthullende uitspraken die Möring ooit over zichzelf heeft gedaan, en Van de Haar heeft er goed aan gedaan haar in haar studie een prominente plaats te geven. Want wat hij hier beschrijft is geen godsdienstige crisis en al zeker geen bekering: het is een beschrijving van het affectieve als zodanig. Het verlangen naar God dat hij niet kan verklaren maar evenmin kan wegdenken, de binding die onafhankelijk van het denken ontstaat, het gemis dat dieper zit dan elk rationeel argument: dat is precies de gevoelsmatige laag die Van de Haar de affectieve plot noemt, maar dan niet als literair begrip, maar als levenshouding.
Möring schrijft vanuit dat gemis. Niet om het op te lossen, maar om het bewoonbaar te maken. En dat is mijns inziens ook wat zijn drie vroege romans zo ongewoon sterk maakt: ze bieden geen antwoorden, ze bieden resonantie. Ze laten de lezer achter met een gevoel dat hij niet goed kan benoemen maar dat hij ook niet wil loslaten. Van de Haar heeft als eerste de woorden gevonden om dat gevoel literair-wetenschappelijk te funderen.
Die onverzettelijkheid heeft intussen ook uitgevers voor problemen gesteld en leidde in 2024 tot een principiële breuk: na bijna twee decennia verliet Möring De Bezige Bij. In het manuscript van zijn nieuwe roman Mordechai, die speelt in 1967, komt het woord "neger" voor. De redactie verzocht hem dat woord te vervangen. Möring weigerde: het woord was in die historische context literair onvervangbaar, zijn hoofdpersoon reageert er immers op, de term is er om te worden bevraagd, niet om te worden weggeschreven. Dat in hetzelfde manuscript antisemitische en homofobe uitlatingen voorkwamen waartegen niemand bezwaar maakte, voltooide de asymmetrie, zo lichtte hij het publiekelijk toe. Möring publiceerde Mordechai bij Prometheus en noemde het, zonder omwegen, een principekwestie.
Het is een principiële houding die mij, als vrijzinnig humanist, uiterst vertrouwd en uiterst sympathiek voorkomt. Literatuur die haar eigen woorden uitwist om niemand te mishagen is geen literatuur meer maar slappe public relations.
De kostbare vrijheid van schrijven en spreken, ook wanneer het ongemakkelijk is, ook wanneer het weerstand oproept, is geen luxe maar een absolute basisvoorwaarde voor elk ernstig intellectueel project. Van de Haar begrijpt dat ook: haar doorgedreven studie legt bloot hoe de diepe gevoelswerking van Mörings vroege romans samenhangt met precies die onverzettelijke bereidheid om het onopgeloste open te laten, de lezer niet in de watten te leggen maar ronduit aan te spreken.
De affectieve plot is geen lichte lectuur, en wie academisch proza schuwt zal af en toe moeten doorzetten. Maar Van de Haar schrijft consequent helder en altijd met een onaflatend oog op de concrete tekst, en dat maakt uiteindelijk het doorslaggevende verschil. Want de kern van wat ze zo overtuigend betoogt is uiteindelijk eenvoudig: literatuur werkt niet in de eerste plaats via de koele rede, maar via de bevindelijkheid, via wat we lijfelijk ondergaan voordat we het rationeel begrijpen. Wie Möring wil lezen zoals hij wil worden gelezen, begint precies daar.
Möring beoefent een genre dat men het best omschrijft als de mythisch-filosofische of existentiële roman: romans die zich weinig aantrekken van chronologie en conventionele plotopbouw, die het geheugen, het verlangen en de thuisloosheid als structuurprincipe hanteren, en die de rijke joodse verteltraditie verbinden met een breed filosofisch denken over schuld, herinnering en identiteit. In de Nederlandse literatuur staat hij daarmee naast Oek de Jong en de late Mulisch, maar internationaal eerder bij Kafka, Sebald en soms Isaac Bashevis Singer. Het is een veeleisend maar uiterst bevredigend genre voor wie bereid is zich over te geven aan de leeservaring in plaats van te wachten op een afloop.
Mijns inziens is De affectieve plot een buitengewoon boeiend en zeldzaam geslaagd boek dat ik ten stelligste kan aanraden aan iedereen die van Möring houdt, maar evenzeer aan wie zich meer in het algemeen interesseert voor de vraag hoe literatuur haar lezer raakt en waarom dat raken, dat lijfelijke ondergaan van taal, eigenlijk het hart is van wat lezen ons kan geven.
Van de Haar heeft met dit proefschrift een wetenschappelijke studie geschreven die je als lezer bij de baard grijpt.
Mogelijk die van Sinterklaas.
Benny Madalijns