Kwintessens
Geschreven door Lieven Pauwels
  • 1316 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

1 september 2023 Rivaliserende groepen en de roep om wraak
Telkens ik de krant opensla om het misdrijfnieuws te lezen, valt het mij op hoe vaak de pers het heeft over een 'nieuw fenomeen', waarvoor dan graag een 'nieuwe verklaring' wordt gezocht. Hier wil ik het hebben over 'happy slapping' en rivaliserende groepjes die opnames maken van gewelddadige acties (waarbij slachtoffers vernederende handelingen moeten stellen) en die dan op sociale media posten, ongehinderd door enige vorm van afschrikking. Hoewel het fenomeen verontrustend is en de publieke opinie terecht beroert, blijft het koffiedik kijken hoe wijdverbreid het fenomeen werkelijk is. Maar vooral stel ik me de vraag of het labelen van een fenomeen als 'nieuw' geen afbreuk doet aan bestaande kennis. We kunnen toch niet voor elk nieuw fenomeen een nieuwe theorie bedenken voor het gedrag op zich? Aan sociale media zitten heilzame én duistere kanten, en dat reflecteert de menselijke variabiliteit. Dat groepsprocessen en individuele eigenschappen elkaar kunnen versterken, is een gekend gegeven uit de sociale psychologie en biologie. Het fenomeen van rivaliserende groepjes verwijst immers naar intergroepsconflicten, een fenomeen ouder dan de mens, terwijl het aantal likes verwijst naar reputatieverhogende mechanismen.
Het aantal likes is misschien niet de beste indicator voor de morele goedkeuring van de achterban van een fenomeen, maar het beïnvloedt zeer zeker de reputatie van de pleger. Maar in plaats van een nieuwe verklaring krijgen we een gedetailleerde beschrijving te lezen van wat men observeert, gekoppeld aan wat speculaties. In het beste geval zijn de verklaringen niet nieuw, maar gebaseerd op jaren van (o.a. criminologisch, psychologisch, biologisch en sociologisch) onderzoek. De disciplinaire tussenschotten verhinderen mijns inziens nog steeds de groei van kennis omtrent de variabiliteit en verschijningsvormen van prosociaal en antisociaal gedrag.
Hierover ben ik het in elk geval eens: verschijningsvormen van (groeps)geweld evolueren constant en zijn op korte termijn het product van culturele en snelle technologische evolutie, onder de vorm van de smartphone en de likes die het posten van filmpjes op Instagram en consoorten met zich meebrengt. Likes zijn belangrijk, want ze fungeren als virtuele bekrachtiger voor individuen met 'slechte bedoelingen'.
Maar wie een beetje onder de virtuele oppervlakte krabt, kan toch niet anders dan een oud fenomeen met enkele nieuwe 'boogvullingen' zien? Of een fenomeen meer of minder voorkomt, hangt onder meer af van de lens waarmee men kijkt, de definitie die men hanteert, de kwaliteit van de registratie, enz. Experten hebben het vandaag over aanzien en likes. Uiteraard valt daar iets voor te zeggen, meer nog, deze aspecten zijn superbelangrijk, maar nieuw is dat niet. Hoewel likes in de jaren 1990 niet op dezelfde manier bestonden – het internet stond nog in de kinderschoenen – wees criminoloog Mark Warr, specialist in zijn studie van groepsgeweld en problematische jeugdbendes al op het belang van reputatie (de likes namen de vorm aan van sociale goedkeuring en de daarbijhorende status, de plaats in de pikorde), maar ook over loyaliteit tegenover de groep waarmee men zich identificeert. Daarbij kwam ook nog de angst om belachelijk gemaakt te worden als men niet meedoet aan die groepsprocessen. Vooral in de puberteit is men daar extra gevoelig (en kwetsbaar) voor. Nog vroeger in de tijd (in de jaren 1960) deden de intussen overleden onderzoekers James Short en Fred Strodtbeck een grootschalige studie naar groepsprocessen. Hoewel de vormen van groepsgeweld anders waren, bleek uit het grootschalige onderzoek toch het belang van reputatie.
In subculturen op plaatsen waar de politie niet (graag) komt, bestaat er volgens socioloog Elijah Anderson zoiets als de straatcode, die ook gebaseerd is op erecodes, het afdwingen van respect met geweld. In de evolutiebiologie spreekt men over harde levensomstandigheden die een impact hebben op de individuele biopsychosociale ontwikkeling en het gebruik van geweld omdat agressie nu eenmaal ook een defensieve en potentieel afschrikkende functie heeft voor groepen die buiten de samenleving (dreigen te) vallen.
Ook vanuit de evolutionaire biologie van niet-menselijke primaten is intergroepsgeweld (en coalitionele agressie), intergroepsconflict en de rol van reputationele mechanismen uitvoerig gedocumenteerd. Sinds enkele jaren geef ik colleges biologische antropologie aan voornamelijk criminologiestudenten. Deze interdisciplinaire benadering biedt zeer relevante kaders voor de studie van variatie, ontwikkeling en (culturele) evolutie van fenomenen, die nauwelijks gekend blijken te zijn. Dit is een gemiste kans, want geen enkele discipline volstaat op zichzelf om prosociaal en antisociaal gedrag te verklaren. Het feit alleen al dat gepraat wordt over nieuwe vormen van zinloos geweld suggereert dat men niet begrijpt waar het geweld vandaan komt (want het is zinloos of het lijkt geen zin te hebben). Hier kan een evolutiebiologische benadering de gedragswetenschappen bijstaan. Reputatie is een van de oudste munten in de evolutiebiologie, aldus Richard Alexander, gekend van zijn theorie van de indirecte wederkerigheid (bv. A doet iets voor B, C ziet dit en doet iets voor A), ontwikkeld als bijkomende verklaring voor de evolutie van coöperatie tussen niet-genetisch verwanten. Die indirecte wederkerigheid is op zich moreel neutraal (evolutie maalt niet om goed of kwaad) en kan ook toegepast worden op tegenculturen in een meer 'negatieve zin', met name onder de vorm van wraak. Agressieve pestkoppen kunnen het hoogst op de sociale ladder staan, maar coalities kunnen daar paal en perk aan stellen. Men neemt aan dat een systeem van bestraffing (onder andere door ostracisme of sociale uitsluiting) van agressieve pestkoppen bij jagers-verzamelaars het geval was.
Hoewel bepaalde vormen van fysiek pestgedrag in groep, zoals 'happy slapping' – toch wel een ernstige vorm van coalitionele agressie – nog steeds in hoofdzaak door mannen gepleegd wordt, is het al lang geen uitzondering meer dat dit fenomeen ook bij meisjes geobserveerd wordt. Sommige ultieme oorzaken zullen verschillen, andere niet. Uiteindelijk zijn geslachtsverschillen in agressie bij de mens, hoewel zeer reëel, niet meer extreem voor alle kenmerken, afgaande op het beperkte seksuele dimorfisme (in vergelijking met diens evolutionaire voorgangers). En uiteraard mogen we niet vergeten dat geslachtsverschillen binnen gewelddadige subgroepen kleiner worden, waarbij vrouwen hogere niveaus van geweld laten zien. De variatie (rond het gemiddelde) is evenwel nog steeds groter bij mannen. Normen die geweld verheerlijken blijken zowel bij jongens als meisjes sterk samen te hangen met individuele verschillen in betrokkenheid bij geweld en bij groepsgeweld. Geweldverheerlijkende normen hangen onder meer sterk samen met lagere niveaus van empathische bezorgdheid.
We kunnen zeggen dat groepsprocessen fungeren als katalysator voor die geweldverheerlijkende normen en dat sociale media dat ook doen, gegeven de snelheid waarmee deze zich verspreiden (als een lopend vuurtje). Gedrag is altijd de uitkomst van de wisselwerking tussen het individu en de context.
_De roep om wraak: eveneens geen nieuw fenomeen
Wie de afgelopen weken (augustus 2023) de berichtgeving over de gevallen van 'happy slapping' volgde, merkte zonder twijfel dat de roep om wraak (onder een deel van de bevolking en begrijpelijk ook onder de directe genetische verwanten van de slachtoffers) voor het gebeurde even snel de kop opsteekt. De roep om wraak is zeker geen absoluut gegeven, er is veel variatie, maar ik ken geen menselijke samenleving waar die niet bestaat. In regel kunnen culturele kenmerken versterkend of remmend werken, waardoor de roep om wraak niet overal gelijkmatig voorkomt. Volgens mij wordt een vorm van morele verontwaardiging (evolutionair mogelijk geënt op morele walging tegenover andere groepen) sterk getriggerd door het zien van deze expliciete beelden van slachtofferschap. Hoewel wraak soms zoet kan smaken, maakt het geen slachtofferschap ongedaan. Het begrijpen van deze mechanismen is cruciaal om gepaste preventieve en repressieve maatregelen te nemen die de kans op daderschap en herval (en slachtofferschap) verkleinen.
_Wat te doen?
De vraag is welke maatregelen succesvol kunnen zijn? Gegeven het beperkte evaluatieonderzoek in België, en het feit dat internationale bevindingen niet zomaar naar de Belgische context kunnen worden geëxtrapoleerd, is de vraag minder eenvoudig dan ze lijkt.
Ik ben voorstander van het zo veel mogelijk offline halen van zulk beeldmateriaal, maar enkel uit respect voor het slachtoffer. Slachtofferschap is een ernstige toestand die verregaande implicaties kan hebben voor het mentale welzijn. Het tast het wereldbeeld van de slachtoffers aan. Tientallen jaren van onderzoek naar de afschrikking van de daders laten maar een droef plaatje zien. Omdat men daders niet over één kam mag en kan scheren, is het belangrijk een onderscheid te maken tussen de meeloper en de verstokte recidivist die elk schuldbesef ontbeert. Die laatste groep heeft een grotere kans op herval. In sommige gevallen moet de maatschappij beschermd worden. Maar tegelijkertijd zijn er weinigen beter geworden door detentie, die veeleer een reflectie is van de roep om wraak. Het is daarom dringend tijd om meer aandacht te besteden aan de effectieve preventie van (groeps)geweld. Daarmee bereikt men meer dan met het publiekelijk uiten van morele verontwaardiging, uiteindelijk om een reputatiemechanisme voor diegene die er gebruik van maakt. Dat preventie het verschil kan maken voor zowel de individuele ontwikkeling als de samenleving, mag blijken uit onderzoek naar preventie-initiatieven met betrekking tot 'problematische jeugdgroepen'. Ik eindig met de vaststelling dat als de samenleving de deuren sluit voor sommige jongeren, de onderwereld ze wagenwijd opent met een warm welkom. Dit is geen pleidooi voor een geitenwollen aanpak, maar voor een genuanceerde visie. Maatregelen kunnen effecten hebben, maar tegelijkertijd neveneffecten. Een goed beleid zoekt een evenwicht en is op gedegen kennis gebaseerd. Zo vermijden we de fout waarbij we fenomenen als nieuw zien en beleidsmatig geen aandacht hebben voor wat we reeds weten.
Kwintessens
Lieven Pauwels (UGent- Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht) doceert onder meer biologische antropologie en criminaliteitspreventie, en is geïnteresseerd in de evolutie van (anti)sociaal gedrag en morele emoties.
_Lieven Pauwels - Recensent
Meer van Lieven Pauwels

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws