2 maart 2026
Rond de denkerstafel. Flam, Brecht en het ezeltje
Dit essay vertrekt niet uit een these. Het ontstond uit de vaststelling dat ons denken zelden tot afronding komt. Niet door slordigheid, maar omdat het zich moeilijk laat fixeren. Wat volgt is geen dialoog en geen verklaring. Het is een test: een poging om vast te houden wat zich toont en zich telkens weer onttrekt.
We leven in tijden waarin woorden en denkbeelden elkaar sneller vervangen dan zij op waarheid kunnen worden getoetst. Wat vandaag als nieuw verschijnt, herhaalt zich vaak in andere, lege formuleringen. In zulke omstandigheden verdwijnt waarheid niet, maar verliest zij haar gewicht. Zij wordt gebruikt, herhaald, verdacht gemaakt, tot zij nauwelijks nog weerstand biedt. Wat afgesloten lijkt, houdt zelden stand. Het zet zich voort, meestal enigszins verschoven, soms nauwelijks herkenbaar.
Wat volgt is een eenvoudige opstelling.
We bevinden ons in een eindige ruimte: een kamer met een tafel en twee stoelen, meer is hier niet nodig; op de tafel staat een bordje.
Aan één kant van de tafel zit iemand die zijn leven lang heeft nagedacht over breuklijnen en tekortkomingen. Over de mens die zichzelf aantreft in een wereld die geen antwoord geeft. Hij kent het falen van ongefundeerde bekentenissen en ook de neiging dat falen steeds weer te verhullen. Die 'iemand' is Leopold Flam. Denken was voor hem nooit een weg naar zekerheid, maar een manier om het ontbreken daarvan zeker niet toe te dekken.
Zijn blik rust op de man aan de andere kant. Op Bertolt Brecht. Geen tegenstander, eerder een tegenspreker. In het midden van de tafel staat een bordje met een zin die voor beide denkers geen poppenkast duldt: waarheid is concreet. Aan de rand van de tafel staat een klein houten ezeltje, met om de hals een bordje. En zelfs ik moet het kunnen verstaan. Duidelijk.
Meer hoeft hier voorlopig niet te worden verklaard.
Wat volgt, beweegt zich niet rond één afgebakend object, maar onder één voorwaarde: dat waarheid hier niet mag worden geformaliseerd, maar open moet blijven. Flam weet dit. Niet omdat hij sneller begrijpt, maar omdat hij herkent wanneer verklaren op zichzelf geen betekenis meer heeft.
Elke gedachte die zich sluit, laat iets achter. Wat rest is geen fout die moet worden hersteld. Het is wat overblijft wanneer men weigert te liegen. Waarheid verschijnt hier niet als bezit, maar als confrontatie – iets wat weerstand biedt en niet zonder gevolgen kan worden vastgehouden.
Brecht kent dit voorbehoud, maar laat het niet rusten. Hij heeft gezien hoe vaagheid marge schept. Niet plots, niet spectaculair, maar schuivend. Waar woorden hun scherpte verliezen, wordt ook wat aanvaardbaar is verlegd. Waar gesproken wordt, staat iets op het spel. Telkens opnieuw. Ook wanneer het niet samenvalt met wat men wil horen. Niet om gerust te stellen, maar omdat zwijgen hier niet onschuldig is; het maakt medeplichtig.
Brecht zou antwoorden dat twijfel alleen vruchtbaar is wanneer zij het spreken niet verlamt. Dat men moet spreken, ondanks onzekerheid. Niet omdat men weet wat het teweegbrengt, maar omdat niet spreken concrete gevolgen heeft. Wie wacht tot alles onweerlegbaar vastligt, spreekt nooit.
Ook hier lopen hun wegen uiteen.
Flam en Brecht bevinden zich op dezelfde breuklijn van de twintigste eeuw, maar niet vanuit dezelfde noodzaak. Flam denkt vanuit het tekort: de mens die zichzelf aantreft in een wereld zonder antwoord en juist daardoor tot waakzaamheid wordt verplicht. Zijn engagement is terughoudend, ethisch, wars van belofte. Brecht daarentegen wantrouwt elk denken dat zich aan gevolgen onttrekt. Voor hem moet waarheid worden uitgesproken. Begrijpelijk. Hoorbaar. Waar Flam vreest dat waarheid geweld wordt aangedaan wanneer zij te snel wordt vastgelegd, vreest Brecht dat zij verdwijnt wanneer men haar niet benoemt. Wat hen hier onderscheidt, is geen misverstand, maar een verschil in benadering.
Brecht formuleert dit verschil zonder omwegen. In Leben des Galilei laat hij zeggen:
'Wer die Wahrheit nicht weiß, der ist bloß ein Dummkopf. Aber wer sie weiß und sie eine Lüge nennt, der ist ein Verbrecher.'
(Bertolt Brecht, Leben des Galilei, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1988, p. 248)
(Bertolt Brecht, Leben des Galilei, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1988, p. 248)
Flam antwoordt niet met een tegenstelling, maar vanuit een andere positie. In L'homme et la conscience tragique. Problèmes de temps présent schrijft hij:
'Penser, c'est décider — ou se tenir dans la crise.'
(Leopold Flam, L'homme et la conscience tragique, Presses Universitaires de Bruxelles, 1964)
(Leopold Flam, L'homme et la conscience tragique, Presses Universitaires de Bruxelles, 1964)
De opstelling blijft dezelfde. De tijd schuift en de ruimte wordt verstoord door August. De clown. Het type dat struikelt precies daar waar regels te bindend worden. Te grote schoenen. Een lichaam dat altijd net tekortschiet.
August komt niet vooruit. Niet omdat hij tegenwerkt, maar omdat hij te letterlijk neemt wat er gezegd wordt. Hij volgt geen voor hem uitgetekende weg en is altijd net te laat. In het circus is hij degene die uitglijdt zonder dat iemand zich afvraagt waarom.
Hij zegt dat hij de waarheid liegt. Niet om te provoceren, maar omdat hij heeft geleerd wat er gebeurt wanneer waarheid zonder omweg wordt uitgesproken. Ze wordt niet weerlegd, maar terzijde geschoven. Daarom vervormt hij haar soms. Net genoeg om verstaanbaar te blijven.
Zoals Flam staat ook August aan de kant van spreken dat geen plaats krijgt. Beiden spreken vanuit een positie die zichtbaar is, maar niet meetelt. Hun falen is geen persoonlijk tekort. Het is het gevolg van trouw aan wat zich niet laat inpassen.
August blijft waar hij is. Blijft wat hij is. Hij wijkt niet en hij dringt niet aan. Zijn mond trekt tot een streep. Daarmee verhindert hij dat alles wat hier is gezegd zich laat herleiden tot één allesbepalende zin.
En zelfs ik moet het kunnen verstaan.