8 mei 2026
Focus: Christopher Boehm (°1931-2021) (deel 2)
De mens achter de wetenschap
Over Christopher Boehm is opvallend weinig persoonlijke informatie publiek beschikbaar. Wie zich een beeld wil vormen van de mens achter zijn ideeën, moet het vooral zoeken in Boehms werk. Daarin beschrijft hij geregeld persoonlijke ervaringen. Uit die fragmenten tekent zich het portret af van een onderzoeker met een scherpe analytische geest, een opvallend oog voor detail en een zeldzame combinatie van theoretische en methodologisch-empirische deskundigheid. Zijn fascinatie ging een leven lang uit naar de politieke en morele evolutie van menselijke samenlevingen, de sociopolitieke dynamiek van jager‑verzamelaars en de evolutionaire oorsprong van altruïsme.
In het eerste deel van dit essay stond Boehms intellectuele erfenis centraal. In dit tweede deel verschuiven we de focus naar de mens achter de wetenschap.
_Jaren 1950-1960: eerste veldwerk
Boehms eerste kennismaking met antropologie dateert uit 1951, toen hij in New Mexico een Hopi- en Navajo-ritueel observeerde, inclusief een rain dance met ratelslangen. Hij beschreef deze ervaring als een vorm van culture shock die zijn belangstelling voor culturele praktijken en morele systemen blijvend aanwakkerde.
Na het behalen van een bachelor in filosofie aan Antioch College (Ohio) in 1959 vervolgde hij zijn studies in sociale antropologie aan Harvard University (Cambridge, VS). Tijdens zijn legerdienst in Duitsland reisde hij met zijn vrouw Alice door Europa. Een toevallige ontmoeting met een afgelegen Montenegrijnse samenleving maakte diepe indruk. De complexe erecodes, bloedwraakpraktijken en impliciete morele logica intrigeerden hem zo sterk dat ze besloten terug te keren om de gemeenschap grondig te bestuderen.
In 1963 vestigde het koppel zich met hun twee jonge kinderen in het bovenste Morača-dal, een regio zo afgelegen dat de dichtstbijzijnde weg pas na vijf uur stappen te bereiken was. Na de tweede winter keerden Alice en de kinderen terug naar de Verenigde Staten. Boehm bleef. Nog een jaar leefde hij volledig ingebed in de lokale gemeenschap. In Blood Revenge (1984) beschrijft hij hoe intens dat veldwerk was, hoe hij het dagelijkse sociale leven in de gemeenschap observeerde, eindeloze gesprekken voerde met dorpsbewoners en stap voor stap reconstrueerde hoe groepsbeslissingen tot stand kwamen, conflicten ontstonden en hoe ze binnen aanvaardbare grenzen werden gehouden.
Tegelijk is hij opvallend open over de keerzijde: het isolement, het heimwee, fysieke ontberingen en langdurige periodes van dysenterie die hem geregeld wekenlang aan zijn bed kluisterden. Soms werd de afstand tot zijn eigen cultuur hem te veel. Dan pakte hij in een impuls zijn rugzak, liep uren naar beneden tot waar zijn Land Rover geparkeerd stond en reed hij door de nauwe Morača‑kloof naar Titograd, het huidige Podgorica, om zich in het Grand Hotel tegoed te doen aan een grote steak en een dessert van ijs en te genieten van witlinnen en zilverwerk. Soms, schrijft hij, was het heimwee naar zijn eigen cultuur zo groot dat hij zeven uur noordwaarts naar Belgrado reed, recht naar het restaurant van de Amerikaanse ambassade – ‘om er een ijskoude Coca‑Cola te bestellen’.
Aan het einde van de jaren zestig, terwijl hij aan Harvard zijn proefschrift afrondde, kwam Boehm geregeld in aanraking met de opkomende tegencultuur. Hij belandde op een huisfeest van LSD‑onderzoeker Timothy Leary, waar ook Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Richard Alpert aanwezig waren, en voerde er gesprekken over de morele grenzen van psychedelisch onderzoek. Een andere keer nam een medestudente hem mee naar een motorbar in Boston, waar ze hem voorstelde aan Smitty, lid van de Hells Angels. Gefascineerd door Boehms verhalen over zijn verblijf in Montenegro nodigde Smitty hem uit om een weekend te kamperen met de groep. De contacten verwaterden niet onmiddellijk. Boehms dochter Jenny herinnert zich hoe vanzelfsprekend haar vader zich tussen zulke uiteenlopende milieus bewoog, hoe Smitty bij hen thuis kwam eten en hoe ze daarna samen cheating poker speelden.
_Jaren 1970-1990 – een nieuwe richting
Een belangrijke intellectuele wending in Boehms carrière kwam er in 1978, toen de sociale psycholoog Donald T. Campbell hem uitnodigde om samen een speculatief artikel te schrijven over mogelijke biologische wortels van democratisch gedrag. Voor Boehm, toen nog vooral cultureel antropoloog, leek dat idee aanvankelijk wat vergezocht. Maar het werd het begin van zijn latere evolutionaire denkrichting.
In 1983 ontmoette hij de primatologe Jane Goodall tijdens een fondsenwervingsevenement. Dat gesprek was het begin van een langdurige samenwerking. In 1984 reisde hij naar Gombe om veldwerk te doen bij de chimpansees. Dat veldwerk gaf zijn nieuwe evolutionaire denkrichting een doorslaggevende diepgang. Boehm schreef later dat hij zonder de chimpansees Hierarchy in the Forest (1999) nooit had kunnen schrijven. Goodall gaf hem niet alleen toegang tot Gombe, maar trainde hem ook intensief in ethologische observatietechnieken.
Eén anekdote is treffend. Tijdens het veldwerk gaf Goodall hem een praktische regel mee: bij observaties altijd met één hand een boomstam vasthouden wanneer er dominante mannetjes in de buurt waren. Na enkele dagen van schijnbaar rustige observaties van het mannetje Goblin liet Boehm die voorzichtigheid even varen, met als onmiddellijk gevolg dat Goblin op hem afstormde en hem met grote kracht de lucht in gooide. Hij kwam meters verder neer, geschrokken maar ongedeerd.
Pas achteraf begreep hij wat hij had gemist: kleinere mannelijke chimpansees houden in de nabijheid van een alfa instinctief een boom vast en laten korte, gespannen vocalisaties horen. Zijn nonchalance had Goblin het signaal gegeven dat hij diens dominantie negeerde. Het incident maakte toch diepe indruk, niet alleen door het fysieke gevaar, maar vooral door de sociale precisie die het blootlegde: een subtiel en strikt gereguleerd systeem van signalen rond dominantie en onderwerping.
Samen met de intensieve training van Goodall werd deze ervaring het uitgangspunt voor ideeën die Boehm enkele jaren later, tijdens een sabbatical aan de University of Southern California in 1998, zou uitwerken in zijn boek Hierarchy in the Forest.
_Jaren 2000-2021 – synthese en nalatenschap
In de jaren 2000 werkte hij zijn evolutionaire hypothese over altruïsme uit, met in 2012 de publicatie van Moral Origins: een synthese van een halve eeuw veldwerk, primatenvergelijking en theoretisch denken. Minder bekend, maar zeer belangrijk, is zijn intensieve werk aan de opbouw van een wereldwijde etnografische database van hedendaagse jagers-verzamelaars. Boehm wilde empirisch nagaan welke vormen van sociale controle, inclusief de doodstraf (capital punishment), daadwerkelijk cross-cultureel voorkomen.
Hij borduurde voort op het werk van Keith Otterbein, die al eerder had aangetoond dat executies bij foragers (jagers-verzamelaars) geen zeldzaamheid zijn. Boehm doorploegde honderden etnografieën en concludeerde dat op elk bewoond continent egalitaire groepen soms overgaan tot de ultieme vorm van sanctionering wanneer bully’s, moordenaars of chronische freeriders de groep bedreigen. Daarmee onderbouwde hij zijn stelling dat collectieve bestraffing van agressie en dominantie niet alleen een moreel, maar ook een krachtig evolutionair mechanisme kan zijn geweest.
Boehm koesterde de uitdrukkelijke ambitie om deze database open access te maken en vrij toegankelijk voor andere onderzoekers. Hij streefde naar transparantie en naar de mogelijkheid voor derden om zijn materiaal te controleren en verder te ontwikkelen. Dat deze publieke ontsluiting nooit werd gerealiseerd, lag niet in de eerste plaats aan een gebrek aan middelen. In het kader van een door de John Templeton Foundation gefinancierd project (2015–2018) werd de digitalisering van de database na reviewfeedback expliciet afgescheiden van het inhoudelijke onderzoeksprogramma en uitgesteld, omdat dit luik te omvangrijk en organisatorisch te complex werd geacht. Het inhoudelijke deel van het project werd wel gefinancierd en uitgevoerd. Dat Boehm ook op hoge leeftijd financiering bleef verwerven, onderstreept dat middelen op zich geen doorslaggevende beperking vormden. Hoewel de digitalisering expliciet werd vooropgesteld als basis voor een toekomstig voorstel, zijn er geen aanwijzingen dat dit luik nadien daadwerkelijk is hernomen of tot publieke ontsluiting heeft geleid.
Boehms overlijden in 2021 nam de centrale drijvende kracht achter dit project weg, waardoor verdere realisatie weinig waarschijnlijk werd. Misschien ontbrak het ook aan een opvolger die een project van die schaal kon of wilde dragen. Dit illustreert hoe sterk zulke grootschalige onderzoeksinitiatieven afhankelijk zijn van één centrale gepassioneerde onderzoeker en hoe kwetsbaar zij worden bij het uitblijven van institutionele verankering en opvolging.
Tot kort voor zijn dood werkte Boehm aan een project over de natuurlijke geschiedenis van menselijke gelijkheid. Hij overleed in 2021, op 90-jarige leeftijd.
_Slotbeschouwingen
Wanneer we Boehms intellectuele traject als geheel overzien, valt vooral op hoe breed en ambitieus zijn werk is. Hij ontwikkelde een samenhangend evolutionair verhaal over de oorsprong van egalitarisme, altruïsme en moraliteit, gebaseerd op veldwerk in Montenegro, vergelijkende primatologie, etnografie van hedendaagse jager-verzamelaars en theoretische synthese. Concepten als reverse dominance hierarchy, morele gemeenschappen en de systematische sociale controle van freeriders zijn blijvende bijdragen aan het debat over menselijke natuur en sociale evolutie.
Zelf omschrijft hij de menselijke natuur als ambivalent: tegelijk competitief en coöperatief, hiërarchisch en egalitair, gevoelig voor dominantie maar evenzeer afkerig van machtsmisbruik. Precies in dat spanningsveld situeert Boehm het ontstaan van moraliteit. Hij ziet het als een cultureel en politiek project waarmee mensen hun eigen despotische impulsen temmen en een leefbare sociale orde creëren.
Zijn hypothese over sociale selectie van egalitarisme en moreel gedrag en de collectieve bestraffing van agressieve individuen blijft op punten speculatief. Pleistocene samenlevingen laten zich moeilijk reconstrueren, en de rol van groepsselectie blijft onderwerp van debat. Critici plaatsten terechte kanttekeningen bij de generaliseerbaarheid van etnografisch materiaal, bij reproductieve ongelijkheid binnen egalitaire groepen en bij de rol van psychologische processen. Het is opvallend dat Boehm die bezorgdheden zelf onderkende. In Moral Origins nuanceert hij zijn model en geeft hij sociale selectie via reputatievorming, groepssanctionering en de actieve onderdrukking van freeriders meer gewicht.
Het is veelzeggend dat ook Richard Wrangham, een vooraanstaand biologisch antropoloog en primatoloog, expliciet erkent dat Boehms analyse een kernmechanisme biedt voor zijn zelfdomesticatiehypothese. Volgens Wrangham kunnen kenmerken van het menselijke ‘domesticatiesyndroom’, zoals verminderde reactieve agressie en verhoogde sociale tolerantie, enkel worden verklaard als er gedurende tienduizenden jaren een sterke selectiedruk bestond tegen gewelddadige individuen. Boehms beschrijving van coalities die bully’s uitschakelen en dominantie begrenzen, levert precies dat mechanisme (dat trouwens al aangekaart was door Darwin). Daarmee plaatst Wrangham Boehm in het hart van het debat over de biologische oorsprong van prosociaal gedrag van Homo sapiens.
Wat verder opvalt, is Boehms genuanceerde en bescheiden schrijfstijl. Hij presenteert zijn ideeën nooit als absolute waarheden, maar als zorgvuldig afgewogen hypotheses binnen de grenzen van het beschikbare bewijsmateriaal. Hij benoemt systematisch waar uitspraken onzeker zijn, waar data ontbreken en waar alternatieve verklaringen mogelijk blijven. Deze wetenschappelijke voorzichtigheid is een grote kwaliteit: hij anticipeert in zijn werk vaak op kritische vragen.
De intellectuele erfenis van Christopher Boehm biedt geen sluitend antwoord op het ontstaan van moraliteit. Kan een theorie dat ooit zijn? Ze biedt wél een zeer originele en vruchtbare manier om onze sociale en evolutionaire geschiedenis te begrijpen. In die zin brengt Boehm niet alleen een hypothese naar voren, maar ook een manier van kijken naar Homo sapiens. Boehm benadrukte dat de menselijke aard voortdurend balanceert tussen egoïsme, nepotisme en altruïsme. Moraliteit en egalitarisme zijn volgens hem geen automatische eindstations van onze evolutie, maar kwetsbare culturele uitvindingen die alleen standhouden dankzij voortdurende sociale waakzaamheid. Zijn analyses van jager-verzamelaars, Laat-Pleistoceen-samenlevingen en moderne democratieën tonen hoe politieke systemen ontsporen zodra ze deze ambivalente menselijke natuur onderschatten.
Een realistische kennis van onze menselijke natuur is voor hem geen overbodige luxe. Begrijpen dat mensen gevoelig blijven voor machtsopbouw, dat dominantie terugkeert zodra controlemechanismen verslappen en dat morele gemeenschappen actief moeten worden onderhouden, is misschien wel de belangrijkste les van zijn werk. Boehms erfenis is niet alleen een wetenschappelijke bijdrage, maar ook een waarschuwing: wie de menselijke natuur miskent, riskeert haar donkerste impulsen opnieuw wakker te maken. Zoals hij zelf schreef, is understanding human nature ons beste instrument om herhaling van historische fouten te voorkomen.
Boehm eindigde zijn werk met een oproep tot nuchterheid: politieke systemen moeten altijd rekening houden met de specifieke en flexibele aard van onze natuur. Wij blijven wezens met hiërarchische reflexen én tegelijk een afkeer van overheersing. Hij waarschuwde ook voor defaitisme: er is altijd ruimte voor nieuwe, antropologisch realistische blauwdrukken, en politieke experimenten kunnen ons verrassen, ten goede of ten kwade. Zijn boodschap blijft actueel: alleen wie begrijpt dat wij coöperatief én competitief, egalitair én hiërarchisch zijn, kan duurzame en rechtvaardige systemen bouwen. Boehms slotwens is eenvoudig ambitieus: dat het democratische egalitarisme, als culturele erfenis van millennia menselijke waakzaamheid, mag standhouden.
_Bronnen en verder lezen
- Boehm, C. (1972). Montenegrin ethical values: An experiment in anthropological method. PhD diss. Harvard University.
- Boehm, C. (1982). The evolutionary development of morality as an effect of dominance behavior and conflict interference. Journal of Social and Biological Sciences, 5, 413-422.
- Boehm, C. (1983). Montenegrin social organization and values. AMS Press.
- Boehm, C. (1984). Blood revenge. The enactment and management of conflict in Montenegro and other tribal societies. The University of Pennsylvania Press.
- Boehm, C. (1989). Ambivalence and compromise in human nature. American Anthropologist, 91(4), 921–939.
- Boehm, C. (1993). Egalitarian behavior and reverse dominance hierarchy. Current Anthropology, 34, 227-254.
- Boehm, C. (1999). Hierarchy in the forest. The evolution of egalitarian behavior. Harvard University Press.
- Boehm. (2000). Conflict and the evolution of social control. Journal of Consciousness Studies, 7(1), 79–101.
- Boehm, C. (2008). Purposive social selection and the evolution of human altruism. Cross-Cultural Research, 42(4), 319–352.
- Boehm, C. (2011). Retaliatory violence in human prehistory. British Journal of Criminology, 51(3), 518–534. https://doi.org/10.1093/bjc/azr020
- Boehm, C. (2012). Moral origins. The evolution of virtue, altruism, and shame. Basic Books.
- Boehm, C. (2012). Costs and benefits in hunter-gatherer punishment. The Behavioral and Brain Sciences, 35(1), 19–20.
- Boehm, C. (2014). The moral consequences of social selection. Behaviour, 151(2–3), 167–183.
- Boehm, C. (2014). Defining the evolutionary conscience: Finishing a job that Darwin started. In H. Putnam, S. Neiman, & J. P. Schloss (Eds.), Understanding moral sentiments: Darwinian perspectives (pp. 27–41). Transaction Publishers.
- Boehm, C., & Flack, J. C. (2010). The emergence of simple and complex power structures through social niche construction. In A. Guinote & T. K. Vescio (Eds.), The social psychology of power (pp. 46–86). The Guilford Press.
- Ember, C. R. (2001). [Review of Hierarchy in the forest: The evolution of egalitarian behavior]. American Anthropologist, 103(2), 562–563.
- Fashing, P. J. (2001). Egalitarianism and group selection in human evolution. Current Anthropology, 42(5), 770–771.
- Gintis, H., van Schaik, C., & Boehm, C. (2015). Zoon Politikon: The evolutionary origins of human political systems. Current Anthropology, 56(3), 327–353.
- Krebs, D. L., & Denton, K. K. (2013). How did morality originate? A review of Christopher Boehm, Moral Origins: The evolution of virtue, altruism, and shame. Evolutionary Psychology, 11(1), 9.
- Sober, E., & Wilson, D. S. (1998). Unto others : the evolution and psychology of unselfish behavior. Harvard University Press.
- Trivers, R. (2002). Natural selection and social theory : selected papers of Robert Trivers. Oxford University Press.
- Williams, G. C., & Dawkins, R. (2020). Adaptation and natural selection : a critique of some current evolutionary thought (New Princeton Science Library edition.). Princeton University Press.
- Wrangham, R. W. (2019). The goodness paradox : the strange relationship between virtue and violence in human evolution (First edition.). Pantheon Books.