Kwintessens
Geschreven door Ann De Buck en Lieven Pauwels
  • 106 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

22 mei 2026 Beschouwingen bij Griet Vandermassen: 'Wie is er bang voor sekseverschillen?'
Inleiding
Wat bedoelen we eigenlijk wanneer we spreken over sekseverschillen? En waarom roept dat onderwerp zoveel weerstand op? Het debat over sekse en gender is sterk gepolariseerd. Voor sommigen zijn verschillen tussen mannen en vrouwen vooral het resultaat van opvoeding, cultuur en machtsverhoudingen. Anderen wijzen erop dat ook biologie en evolutie een rol spelen. In dat spanningsveld situeert zich Wie is er bang voor sekseverschillen?, het recente boek van Griet Vandermassen. 
Vandermassen is geen onbekende in deze materie. Al decennia ijvert ze onverdroten voor een inclusief feminisme op darwinistische leest geschoeid, i. e. waarin vertrokken wordt van een evolutiebiologisch gefundeerd mensbeeld en geen sociaal-constructivistisch (lees: extreem relativistisch en postmodernistisch mensbeeld waarin alles kan). Je zou denken dat anno 2026 geslachtsverschillen geen taboe meer zijn. Het zou niet mogen. Feiten zijn één zaak; hoe men ermee omgaat, is een andere. En juist daar toont zich de nuance van hedendaags biosociaal onderzoek. Hedendaags (evolutie)biologisch onderzoek staat mijlenver van de 19e-eeuwse stereotyperingen waarmee de toen prille wetenschap geconfronteerd werd. Toch blijven er hardnekkige misverstanden over evolutiebiologie bestaan en juist daarom is het van fundamenteel belang dat er aandacht voor is. 
In haar recentste publicatie bundelt Vandermassen een reeks columns die eerder verschenen in De Standaard. Ze mengt zich in het publieke debat over sekseverschillen en doet dat op een heel genuanceerde manier met evenveel aandacht voor evolutiebiologie als voor cultuur. De bijdragen zijn thematisch geordend en behandelen onder meer seksualiteit en partnerkeuze, agressie en competitie, verschillen in voorkeuren en prioriteiten, ideologische gevoeligheden rond biologie, en het beeld van jongens en mannen in de media. Die keuze voor een thematische bundeling betekent dat de lezer geen doorlopend betoog moet verwachten, maar wel een duidelijk samenhangend geheel met terugkerende kernideeën: negeer de evolutiebiologie niet.
De rode draad in het boek is een evolutionair perspectief op sekseverschillen. Vandermassen vertrekt van het idee dat voor veel kenmerken gemiddelden en spreiding tussen mannen en vrouwen beter te begrijpen zijn wanneer ook biologische factoren worden meegenomen. Wanneer Vandermassen het heeft over geslacht, bedoelt zij dat in strikte evolutiebiologische (eigenlijk gametische) betekenis. Daarbij wijst zij op geëvolueerde verschillen in voortplantingsstrategieën bij zoogdieren, waaronder niet-menselijke en menselijke primaten en daar valt ook dat eigenaardige beestje Homo sapiens onder. Voor een biologische antropoloog is het een vanzelfsprekendheid dat ook de mens onderhevig is aan selectiemechanismen (natuurlijke selectie, genetische drift, gene flow, maar ook seksuele selectie en de meer omstreden multilevel groepsselectie). Seksuele selectie is natuurlijk cruciaal wanneer sekseverschillen ter sprake komen. 
Vandermassen staat in haar betoog op de schouders van evolutiebiologische reuzen zoals  William Hamilton en Robert Trivers, en van feministische evolutiebiologen zoals Sarah Blaffer Hrdy en Margo Wilson. Wilson en vooral Hrdy hebben de verdienste de mannelijke bias in de vroege evolutiebiologie aan de kaak te hebben gesteld. Hun superbelangrijke werk toont aan dat een feministische kijk en evolutiebiologie geen vijanden zijn, iets waar de Gentse evolutiebioloog Robert Cliquet al erudiet over schreef in de jaren tachtig van vorige eeuw. 
Vandermassen vertrekt vanuit belangenconflicten en verschillen in parentale zorg. Ook bij de mens investeren vrouwen gemiddeld genomen biologisch meer in de zorg voor nakomelingen, reeds vanaf de zwangerschap, terwijl mannen gemiddeld minder directe investeringen doen. Deze asymmetrie heeft gevolgen voor gedragsmatige tendensen, zoals partnerkeuze, intraseksuele competitie en risicobereidheid. Bij een soort met een zeer laag seksueel dimorfisme, zoals de mens, blijven deze verschillen beperkt in omvang, maar dat betekent niet dat zij theoretisch of empirisch onbeduidend zijn. Het betreft kleine gemiddelde verschillen op populatieniveau, die samengaan met een grote overlap en aanzienlijke individuele variatie. In haar columns benadrukt de auteur deze nuance consequent, maar de ontvangst ervan wordt mede beïnvloed door bredere ideologische spanningen rond evolutiebiologische verklaringen van menselijk gedrag.
Vandermassen verzet zich expliciet tegen biologisch (genetisch) determinisme en benadrukt dat biologie geen vast gedrag dicteert, maar veeleer grenzen en tendensen schetst die voortdurend interageren met sociale en culturele contexten. Sekseverschillen zeggen niets over wat individuele mannen of vrouwen zouden moeten zijn of doen.
Het resultaat is een scherp maar toegankelijk boek dat bewust de confrontatie aangaat met vastgeroeste overtuigingen en ideologische standpunten. Vandermassen verdedigt geen eenvoudige antwoorden, maar wel de ruimte om lastige vragen en thema’s niet uit de weg te gaan.
_Thematische kern van het boek
In de verschillende delen bespreekt Vandermassen een reeks terugkerende patronen in relaties tussen mannen en vrouwen. Ze laat zien hoe mannen en vrouwen gemiddeld verschillende accenten leggen in partnerkeuze, seksualiteit en ouderlijke investering. Mannen reageren sterker op visuele signalen en seksuele beschikbaarheid, terwijl vrouwen gemiddeld selectiever zijn en meer belang hechten aan betrouwbaarheid, zorgzaamheid en langetermijnpotentieel. Deze patronen worden zichtbaar in intieme relaties, maar ook in mediarepresentaties en hedendaagse contexten zoals datingapps, waar visuele selectie en asymmetrische voorkeuren worden versterkt. Vandermassen wijst erop dat aantrekkelijkheid niet louter biologisch vastligt, maar ook cultureel wordt vormgegeven, en dat vrouwen hun uiterlijk, stijl en charisma kunnen inzetten als wat zij ‘erotisch kapitaal’ noemt.
Vandermassen plaatst deze observaties expliciet in het kader van de theorie van ouderlijke investering van Robert Trivers. Omdat vrouwen biologisch meer investeren in voortplanting, hebben zij gemiddeld meer te verliezen bij een slechte partnerkeuze en is hun selectiviteit groter. Mannen kunnen daarentegen, afhankelijk van hun kansen, inzetten op uiteenlopende strategieën: kortetermijnrelaties of langdurige betrokkenheid en vaderschap. Dat spanningsveld verklaart waarom ‘sexy mannen’ en ‘goede vaders’ niet altijd samenvallen, zonder dat hier een moreel oordeel aan verbonden wordt. Tegelijk benadrukt de auteur dat deze biologische tendensen geen fatalisme inhouden: mannen kunnen ook betrokken vaders zijn, en partnerkeuze blijft vaak een individuele afweging tussen aantrekkelijkheid en zorgzaamheid.
Vandermassen maakt juist niet de fout die een prille evolutiebiologie maakte en vrouwen te vaak als louter passieve wezens zag. Hierin toont zich duidelijk de grote invloed van Sarah Blaffer Hrdy. Vrouwelijke selectiviteit speelt ook een centrale rol in de dynamiek tussen de seksen. Zij beïnvloedt mannelijk gedrag, competitie en statusstreven, en helpt verklaren waarom sommige mannen veel aandacht krijgen terwijl anderen structureel worden uitgesloten. Data van digitale platformen illustreren hoe deze asymmetrie in voorkeuren zich vandaag manifesteert. Vandermassen koppelt dit voorzichtig aan bredere maatschappelijke spanningen, zonder individuele verantwoordelijkheid uit te wissen of problematisch gedrag te vergoelijken. Ze wijst er bovendien op dat vrouwen niet enkel object van selectie zijn, maar ook zelf bijdragen aan het in stand houden van seksuele normen, bijvoorbeeld via sociale controle, reputatie en dubbele standaarden rond seksuele toegankelijkheid.
Daarnaast stelt de auteur ook de mannelijke competitie centraal. Mannen concurreren gemiddeld sterker met elkaar om status, middelen en seksuele toegang, in vormen die variëren van risicogedrag en prestatiegerichtheid tot symbolische statuscompetitie. Vandermassen benadrukt op een manier vergelijkbaar met die van Frans de Waal dat deze patronen evolutionair verklaarbaar zijn, maar bij de mens relatief beperkt blijven en sterk worden gemoduleerd door cultuur en sociale structuren. Individuele verschillen blijven vele malen groter dan de groepsverschillen en lang niet elke man past in dit patroon. Ze toont aan de hand van concrete voorbeelden hoe mannelijke competitie zich vertaalt naar moderne domeinen zoals onderwijs, werk, sport en sociale media, en hoe negatieve beeldvorming rond mannelijkheid deze dynamiek soms verder onder druk zet.
Vandermassen benadrukt dat de overlap tussen mannen en vrouwen groot is en dat individuele uitzonderingen vanzelfsprekend zijn. Gemiddelde verschillen moeten steeds samen met spreidingsmaten worden geïnterpreteerd. Wie dat doet, kan niet anders dan vaststellen dat deze gemiddelden vaak klein zijn en doorgaans slechts een beperkt deel van de statistische variantie in gedragsuitkomsten verklaren, vaak slechts enkele procenten van de totale variabiliteit. Tegelijkertijd zijn aan de uitersten van de verdelingen opvallende sekse-asymmetrieën zichtbaar, met een duidelijke oververtegenwoordiging van mannen of vrouwen. Dit patroon manifesteert zich bijzonder sterk bij antisociaal gedrag, zoals uitgebreid criminologisch onderzoek aantoont.
Heeft Vandermassen dan geen oog voor diversiteit? Zeker wel. In haar werk besteedt zij expliciet aandacht aan seksuele en genderdiversiteit als vormen van normale menselijke variatie. Daarnaast wijst zij op empirische bevindingen waaruit blijkt dat mannen gemiddeld genomen een grotere variabiliteit vertonen op verschillende gedrags- en cognitieve kenmerken. Vandermassen spreekt zich daarbij ondubbelzinnig uit tegen stereotypering. In plaats van geslachtsverschillen te negeren en te doen alsof ze er niet zijn, pleit ze ervoor om die verschillen juist te erkennen en te waarderen. Want dat is toch waar diversiteit over gaat: erken de variatie en vier de diversiteit, veeg ze niet onder de postmoderne of constructivistische mat.
Vandermassen raakt hier een heel belangrijk punt aan.  Zowel stereotypering als slecht afgestemd beleid hebben het gevaar een zichzelf waarmakende voorspelling te zijn wanneer deze nuances uit het oog worden verloren. Het negeren van gemiddelde verschillen en individuele variatie kan, zo argumenteert ze, concrete maatschappelijke gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor onderwijs, welzijn en de ondersteuning van jongens en mannen die buiten het ‘gemiddelde’ vallen.
_Epiloog – Trans tieners
Eerder was het de bedoeling van de auteur om ook het thema genderdysforie en transseksualiteit te behandelen. Omwille van plaatsgebrek werd daarvan uiteindelijk afgezien. In de epiloog kondigt Vandermassen echter een volgend boek aan waarin ze zich expliciet zal buigen over de problematiek van trans tieners. Toch licht ze alvast een tipje van de sluier op. Ze benadrukt dat genderdysforie bij jongeren een complex en gevoelig onderwerp is, waarin persoonlijke ervaringen van jongeren en hun ouders samenkomen met medische, psychologische en maatschappelijke vragen. Volgens Vandermassen is het wetenschappelijke bewijs rond vroege medische interventies nog te beperkt en onderwerp van controversie, terwijl internationale beleids- en behandelpraktijken sterk uiteenlopen.  Haar aangekondigde vervolgwerk belooft dan ook een uitgewerkte visie op dit bijzonder beladen thema.
_Kritische reflectie
Wie is er bang voor sekseverschillen? is toegankelijk geschreven, zonder jargon. De korte columns zijn geschreven vanuit praktische voorbeelden uit de actualiteit en maken duidelijk dat complexe inzichten uit de evolutiebiologie ook bruikbare complementaire denkkaders bieden voor het begrijpen van menselijk gedrag, ook al blijven misverstanden hardnekkig bestaan. Vandermassen schuwt controversiële thema’s niet en stelt vragen die in het publieke debat vaak worden vermeden. Dat maakt het boek prikkelend en soms confronterend, maar tegelijk noodzakelijk, want wanneer dit debat wordt gemeden, dan dreigt het immers te worden overgenomen door extreme stemmen, met name langs religieuze en politiek-ideologische radicale zijden.
In dat spanningsveld is ook de ontvangst van haar werk veelzeggend. Binnen (sommige) sociaalconstructivistische feministische kringen wordt Vandermassen geregeld kritisch benaderd en soms weggezet als politiek conservatief, een kwalificatie die zij zelf herhaaldelijk ook in dit boek van de hand wijst. Tegelijk krijgt haar werk wel degelijk inhoudelijke waardering binnen evolutionaire disciplines. Haar denken werd destijds positief onthaald door evolutionaire antropologen en psychologen en de boekversie van haar proefschrift werd voorafgegaan door een lovend voorwoord door niemand minder dan Margo Wilson. Dat contrast illustreert hoe ideologische positionering in dit debat soms zwaarder doorweegt dan inhoudelijke argumentatie.
De keuze voor een bundel columns heeft voordelen. De stukken zijn vlot leesbaar; de concrete voorbeelden zijn herkenbaar en sluiten goed aan bij actuele discussies. Tegelijk brengt dit format onvermijdelijk beperkingen mee: sommige thema’s keren terug in variaties en onderliggende theoretische principes blijven vaak impliciet. Dat hoeft echter niet zozeer een beperking te zijn, maar eerder een bewuste keuze die past bij het genre en het beoogde publiek.
Juist door die toegankelijkheid wordt het boek wel kwetsbaar. Evolutionaire verklaringen worden in het huidige debat al snel vereenzelvigd met determinisme of normatieve claims. Vandermassen probeert die valkuil expliciet te vermijden, maar de gevoeligheid van het onderwerp blijft onverminderd groot. 
Wie is er bang voor sekseverschillen? is prettig leesbaar. Griet Vandermassen presenteert een toegankelijk maar evolutionair geïnspireerd feminisme dat biologische verschillen erkent zonder ze normatief te laden. Haar benadering contrasteert bewust met sterk gepolariseerde debatten waarin biologie vaak bij voorbaat wordt gewantrouwd en vormt zo een nuchter tegengewicht.
Seksuele selectie fungeert als de centrale lens van het boek. Door theoretische inzichten te koppelen aan herkenbare voorbeelden uit het dagelijks leven, de media en menselijke relaties, maakt Vandermassen zichtbaar hoe evolutionair gevormde voorkeuren en strategieën zich kunnen vertalen naar alledaagse patronen in partnerkeuze, aantrekkelijkheid en competitie. Sekseverschillen worden daarbij consequent voorgesteld als statistische tendensen, niet als uitspraken over individuele personen.
Doorheen de columns pleit de auteur voor een empirisch onderbouwd feminisme dat feiten en interpretaties zorgvuldig van elkaar scheidt. Dat maakt het boek soms confronterend, precies omdat het vragen stelt die in het publieke debat vaak worden vermeden: wat als bepaalde verschillen niet volledig weg te socialiseren zijn, en wat betekent dat dan voor gelijkheid, beleid en maatschappelijke verwachtingen?
Het boek herinnert eraan hoe wetenschappelijke debatten gemakkelijk verstrikt raken in ideologische spanningen. Ook binnen de criminologie is dat geen onbekend fenomeen. In de jaren zeventig en tachtig verdwenen biologische verklaringen van criminaliteit grotendeels uit beeld, uit weliswaar begrijpelijke zorgen over determinisme, stigmatisering en politiek misbruik. Sociale ongelijkheid, labeling en patriarchale machtsverhoudingen kwamen centraal te staan. Wat Vandermassen beschrijft, vertoont duidelijke parallellen met die geschiedenis.
Die afkeer tegenover evolutionaire invalshoeken heeft veel wortels. Ze hangt samen met hardnekkige misverstanden, waarbij biologische verklaringen al snel worden gelijkgesteld aan normatieve claims over menselijk gedrag. Daarnaast hebben eerdere ontsporingen en ongenuanceerde toepassingen bijgedragen aan blijvend wantrouwen. Ook ideologische bezorgdheden spelen een rol: de vrees dat biologie ongelijkheid zou rechtvaardigen of legitimeren. Tegelijk leert de geschiedenis dat geen enkele verklaringstraditie immuun is voor politiek misbruik; ook zuiver sociale theorieën zijn in het verleden ingezet om harde of autoritaire beleidskeuzes te ondersteunen.
Wat daarbij vaak uit het oog wordt verloren, is dat een evolutionair perspectief geen ontkenning van cultuur of context inhoudt. Menselijk gedrag ontstaat niet uit genen alleen, maar uit een voortdurende wisselwerking tussen biologische aanleg, sociale structuren en culturele dynamiek. Recente inzichten uit de evolutionaire biologie, vergelijkende primatenstudies, cognitieve en affectieve neurowetenschappen, evolutionaire en ontwikkelingspsychologie maken dat spanningsveld juist scherper zichtbaar, in plaats van het te vereenvoudigen. Vanuit het eigen vakgebied (antisociaal en normovertredend gedrag) merken we dat evolutiebiologische inzichten net veel clichés weerlegden. We kunnen alleen maar hopen dat dit in andere domeinen ook zo is. 
In die zin nodigt Wie is er bang voor sekseverschillen? uit tot een nuchtere en bescheiden omgang met wat evolutionaire inzichten kunnen betekenen voor het begrijpen van subtiele sekseverschillen. Onze biologie en cultuur staan in innige wisselwerking en de ontkenning van een van deze domeinen doet per definitie tekort aan de complexe menselijke natuur. Het boek van Vandermassen pretendeert geen definitieve antwoorden te geven. Wetenschappelijk onderzoek vereist een open attitude en een voortdurende bereidheid om bevindingen in vraag te stellen. Vandermassen opent ruimte voor een meer open en minder ideologisch gesprek over sekseverschillen. Voor lezers die zich verder willen verdiepen, vormt de literatuurlijst achteraan bovendien een goed vertrekpunt naar de onderliggende wetenschappelijke bronnen. Wij bevelen dit boek van harte aan.
_Bronnen en verder lezen
  • Cliquet, R. L. (1984). The relevance of sociobiological theory for emancipatory feminism. Journal of Human Evolution, 13(1), 117-127.
  • Cliquet, R. L. (2010). Biosocial interactions in modernisation. Brno: Masaryk University Press.
  • Cooke, L. (2022). Bitch: A revolutionary guide to sex, evolution and the female animal. Doubleday.
  • Daly, M., & Wilson, M. (1983). Sex, evolution, and behavior. Wadsworth Publishing Company.
  • Daly, M., & Wilson, M. (1989). Homicide: Foundations of human behavior. de Gruyter.
  • Daly, M. (2017). Killing the competition: Economic inequality and homicide. Routledge.
  • Hamilton, W. D. (1996). Narrow roads of gene land: Volume 2: Evolution of sex (Vol. 2). Oxford University Press.
  • Gartner, R., & McCarthy, B. (Eds.) (2014). The Oxford handbook of gender, sex, and crime. Oxford University Press.
  • Hrdy, S.B. (2010). Een kind heeft veel moeders. Hoe de evolutie ons sociaal heeft gemaakt. Nieuw Amsterdam.
  • Hrdy, S.B. (2011). Mothers and others. The evolutionary origins of mutual understanding. Belknap Press.
  • Low, B.S. (2015). Why Sex Matters: A Darwinian Look at Human Behavior-Revised Edition. Princeton University Press.
  • Mealey, L. (2000). Sex differences: Developmental and evolutionary strategies. Academic Press.
  • Schmitt, D. P., Jonason, P. K., Byerley, G. J., Flores, S. D., Illbeck, B. E., O’Leary, K. N., & Qudrat, A. (2012). A reexamination of sex differences in sexuality: New studies reveal old truths. Current Directions in Psychological Science, 21(2), 135-139.
  • Smith, J. M. (Ed.) (2012). Did Darwin get it right?: Essays on games, sex and evolution. Springer Science & Business Media.
  • Vandermassen, G. (2005). Who’s afraid of Charles Darwin? Debating feminism and evolutionary theory. Rowman & Littlefield.
  • Vandermassen, G. (2005/2019). Dames voor Darwin: over feminisme en evolutietheorie. Houtekiet.
  • Vandermassen, G. (2026) Wie is er bang voor sekseverschillen? Houtekiet
  • van Schaik, C.P. (2016). The primate origins of human nature. Wiley Blackwell.
Kwintessens
Ann De Buck is doctor-assistente aan de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust op de rol van morele emoties in de verklaring van antisociale gedragskeuzes. Lieven Pauwels doceert onder meer biologische antropologie en criminaliteitspreventie aan de Universiteit Gent.
_Ann De Buck en Lieven Pauwels Auteur
Meer van Ann De Buck en Lieven Pauwels

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws